Beleidsregel · BWBR0035601

Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 3 september 2014, nr. IENM/BSK-2014/89247 tot vaststelling van beleid ten aanzien van de beoordeling van externe veiligheid bij de vaststelling van tracébesluiten voor de aanleg of wijziging van landelijke infrastructuur en van verkeersbesluiten (Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten)Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluitenDe Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet en op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,W. J.Mansveld

Deze paragraaf is van toepassing op een tracébesluit dat betrekking heeft op een wijziging van een hoofdweg, waarvoor voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-tracébesluit een PR-plafond is vastgesteld.

Indien wijziging van een hoofdweg leidt tot verschuiving van de ligging van het referentiepunt op het betrokken wegvak, spant de minister zich in te voorkomen dat bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen de basisnetafstand komen te liggen.

Onverminderd artikel 5 wordt bij een tracébesluit dat betrekking heeft op een wijziging van een hoofdweg als gevolg waarvan de ligging van het referentiepunt verschuift en als gevolg van die verschuiving bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen binnen de basisnetafstand, inzicht gegeven in:

Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing ter onderbouwing van de beoordeling van het groepsrisico, met dien verstande dat in geval een GR-plafond is vastgesteld dat plafond als uitgangspunt wordt gehanteerd.

Indien voor de omgeving naast de betrokken hoofdweg krachtens het Bevt een PAG is vastgesteld, wordt in het tracébesluit vermeld in hoeverre de aanpassing van de hoofdweg gevolgen heeft voor de ligging van dat PAG.

De minister spant zich in te voorkomen dat bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen in het gebied langs een hoofdweg als bedoeld in artikel 10, waar de waarde van het plaatsgebonden risico groter kan zijn dan 10-6 per jaar.

Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, en artikel 6 wordt bezien in hoeverre de voor de in het studiegebied gelegen hoofdwegen vastgestelde PR-plafonds en GR-plafonds worden of dreigen te worden overschreden en wordt in voorkomende gevallen overeenkomstig artikel 5, vierde lid, verwezen naar de onderzoeksplicht van de minister, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet.

Deze paragraaf is van toepassing op verkeersbesluiten waardoor het vervoer van alle of bepaalde gevaarlijke stoffen over een hoofdweg tijdelijk wordt beperkt vanwege werkzaamheden aan deze hoofdweg en dit vervoer als gevolg daarvan zal omrijden over andere hoofdwegen die deel uitmaken van het basisnet.

Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing ter onderbouwing van de beoordeling van het groepsrisico, met dien verstande dat in geval een GR-plafond is vastgesteld dat plafond als uitgangspunt wordt gehanteerd.

De minister spant zich in te voorkomen dat kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen in het gebied langs wegen als bedoeld in artikel 18, waar de waarde van het plaatsgebonden risico groter kan zijn dan 10-6 per jaar.

Deze paragraaf is van toepassing op een tracébesluit dat betrekking heeft op een wijziging van een hoofdspoorweg.

Indien een wijziging van een hoofdspoorweg leidt tot verschuiving van de ligging van het referentiepunt op het betrokken baanvak, spant de minister zich in te voorkomen dat bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen de basisnetafstand komen te liggen.

Onverminderd artikel 26 wordt bij een tracébesluit dat betrekking heeft op een wijziging van een hoofdspoorweg als gevolg waarvan de ligging van het referentiepunt verschuift en als gevolg van die verschuiving bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen binnen de basisnetafstand, inzicht gegeven in:

Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing ter onderbouwing van de beoordeling van het groepsrisico, met dien verstande dat de voor de desbetreffende hoofdspoorweg vastgestelde GR-plafonds als uitgangspunt worden gehanteerd.

Indien voor de omgeving naast de betrokken hoofdspoorweg krachtens het Bevt een PAG is vastgesteld, wordt in een tracébesluit vermeld in hoeverre de aanpassing van de hoofdspoorweg gevolgen heeft voor de ligging van dat PAG.

De minister spant zich in te voorkomen dat bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen in het gebied langs een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 31, waar de waarde van het plaatsgebonden risico groter kan zijn dan 10-6 per jaar.

Overeenkomstig artikel 26, eerste lid, en artikel 27 wordt bezien in hoeverre de voor de in het studiegebied gelegen hoofdspoorwegen vastgestelde PR-plafonds en GR-plafonds worden of dreigen te worden overschreden en wordt in voorkomende gevallen overeenkomstig artikel 26, vierde lid, verwezen naar de onderzoeksplicht van de minister, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet.

Deze paragraaf is van toepassing op een tracébesluit dat betrekking heeft op een wijziging van een hoofdvaarweg, waar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-tracébesluit een PR-plafond is vastgesteld.

De minister spant zich in te voorkomen dat bestaande of geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten komen te liggen in het gebied langs een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 40, waar de waarde van het plaatsgebonden risico groter kan zijn dan 10-6 per jaar.

Overeenkomstig artikel 37, eerste lid, wordt bezien in hoeverre de voor de in het studiegebied gelegen hoofdvaarwegen vastgestelde PR-plafonds worden of dreigen te worden overschreden en wordt in voorkomende gevallen overeenkomstig artikel 37, vierde lid, verwezen naar de onderzoeksplicht van de minister, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet.

Deze beleidsregels treden in werking op het tijdstip waarop de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en enige andere wetten in verband met de totstandkoming van een basisnet (Wet basisnet) (Stb. 2013, 307), het Besluit van 3 september 2013 tot wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de wijziging van de routeringsystematiek in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 2013, 340), het Besluit van 11 november 2013, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes (Besluit externe veiligheid transportroutes) (Stb. 2013, 465) en de Regeling van 19 maart 2014, houdende vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet) (Stcrt. 2014, nr. 8242) in werking treden.

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten.

Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.