Ministeriële regeling · BWBR0035918

Regeling leerresultaten PO 2014

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 december 2014, nr. PO/662196, houdende voorschriften in het kader van de meting en beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het primair onderwijs (Regeling leerresultaten PO 2014)Regeling leerresultaten PO 2014De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 34.4 en 34.6 van het Besluit bekostiging WPO;

Gelet op het voorstel als bedoeld in artikel 34.5, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 3 december 2014;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,S.Dekker

De inspectie maakt voor de jaarlijkse meting en beoordeling van de leerresultaten van een school op het gebied van Nederlandse taal en rekenen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs gebruik van de resultaten van door de school afgenomen toetsen als bedoeld in bijlage A.

De uitwerking van de wijze waarop de meting en beoordeling van de leerresultaten door de inspectie met inachtneming van de schoolkenmerken en individuele leerlingkenmerken, tot stand komt, wordt per toets vastgesteld als aangegeven in bijlage B.

De correctie van de meting en beoordeling door de inspectie van leerresultaten vanwege individuele kenmerken van leerlingen, alsmede de wijze waarop door de inspectie wordt omgegaan met scholen waar de meting van leerresultaten niet mogelijk is of bij scholen met incomplete gegevens, als bedoeld in artikel 34.6 van het Besluit bekostiging WPO en vanwege enkele bijzondere omstandigheden, geschiedt volgens het bepaalde in bijlage C.

De normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaten baseert geschiedt volgens het bepaalde in bijlage D.

De Regeling leerresultaten PO wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling leerresultaten PO 2014.

Vanaf schooljaar 2014–2015 is het verplicht voor alle leerlingen van leerjaar 8 in het regulier basisonderwijs om een eindtoets af te nemen (artikel 9b van de Wet op het primair onderwijs). De overheid stelt hiervoor aan scholen de centrale eindtoets beschikbaar. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is verantwoordelijk voor deze toets, die in samenwerking met Cito wordt gemaakt.

Nieuw met ingang van het schooljaar 2014–2015 is dat alle leerlingen van eenzelfde school allemaal dezelfde eindtoets moeten maken. De enige uitzondering hierop is dat leerlingen met een beperking of een speciale ondersteuningsbehoefte eventueel terug kunnen vallen op het gebruik van de centrale eindtoets terwijl de andere leerlingen van dezelfde school een andere eindtoets maken.

Het bevoegd gezag kan gemotiveerd bepalen dat geen eindtoets wordt afgelegd door:

Voor de leerlingen bedoeld onder a en b zijn de ontheffingsgronden uitgewerkt in de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po (Stcrt. 2014, nr. 628086). Daarnaast moet elke toets een tweede afnamemoment bieden voor het geval een leerling verhinderd is bij de eerste afname. Het is niet toegestaan de toets te herkansen.

Scholen kunnen er ook voor kiezen een andere eindtoets dan de centrale eindtoets te gebruiken. Deze toets moet dan wel voldoen aan een aantal kwaliteitseisen. Een onafhankelijke commissie kijkt of dit het geval is en adviseert de Minister van OCW daarover. Wanneer de andere eindtoets door de Minister wordt toegelaten, kunnen scholen ervoor kiezen deze te gebruiken. Voor het schooljaar 2014–2015 geldt een overgangsregeling. In dit schooljaar mogen scholen er ook voor kiezen om zich over hun leerresultaten te verantwoorden met de toetsen die in het schooljaar 2013–2014 daarvoor toegestaan waren.

De basisschool verantwoordt zich over de leerresultaten met door haar gebruikte betrouwbare en valide toetsen. De volgende toetsen worden gebruikt voor de jaarlijkse beoordeling van de leerresultaten van de school zoals vastgelegd in artikel 10a, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs:

Voor elke toets waarmee een basisschool zich verantwoordt over de leerresultaten, bestaan eigen ondergrenzen. Deze ondergrenzen houden rekening met de leerlingpopulatie op de basisschool (percentage gewogen leerlingen). Als de gemiddelde schoolscore op of boven de ondergrens ligt zijn de resultaten in dat schooljaar voldoende.

Bij de beoordeling van een aantal toetsen onderscheidt de inspectie schoolgroepen (het percentage gewogen leerlingen op de gehele school). Als de schoolgroep niet op de te analyseren formulieren vermeld wordt, bepaalt de inspectie deze aan de hand van het percentage gewogen leerlingen op de hele school op de meest recente teldatum 1 oktober behorend bij het schooljaar dat beoordeeld wordt. De inspectie raadpleegt eventueel de DUO-gegevens om de schoolgroep te bepalen. Het percentage gewogen leerlingen wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Afronding naar beneden vindt plaats indien de eerste decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt: 14,5% wordt dan schoolgroep 15 en 14,4% wordt dan schoolgroep 14.

De Centrale eindtoets (CET) van het College voor toetsen en examens wordt sinds het schooljaar 2014–2015 door de overheid beschikbaar gesteld. De inspectie maakt voor alle scholen gebruik van de ongecorrigeerde schoolscore. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

De IEP Eindtoets (ICE Eindevaluatie Primair onderwijs) van bureau ICE is met ingang van het schooljaar 2014–2015 door de Minister toegelaten als eindtoets. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

Overgangsregeling 2014–2015:

De inspectie volgt bij de beoordeling van de eindresultaten van het schooljaar 2014–2015 de volgende werkwijze: het oordeel op de resultaten van de IEP eindtoets wordt bepaald op basis van de ondergrenzen in de tabel 2. Indien dit oordeel onvoldoende is dan kijkt de inspectie naar de resultaten op de leerlingvolgsysteemtoetsen of het Drempelonderzoek 678 (de toetsen die in 2014–2015 ook nog als eindtoets mogen worden afgenomen) van deze groep 8. Alleen als het oordeel op basis hiervan ook onvoldoende is, dan beoordeelt de inspectie de resultaten van dat jaar als onvoldoende.

De eindtoets ROUTE 8 van A-Vision b.v. is met ingang van het schooljaar 2014–2015 door de Minister toegelaten als eindtoets. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

Overgangsregeling 2014–2015:

De inspectie volgt bij de beoordeling van de eindresultaten van het schooljaar 2014–2015 de volgende werkwijze: het oordeel op de resultaten van ROUTE8 wordt bepaald op basis van de ondergrenzen in de tabel 4. Indien dit oordeel onvoldoende is dan kijkt de inspectie naar de resultaten op de leerlingvolgsysteemtoetsen of het Drempelonderzoek 678 (de toetsen die in 2014–2015 ook nog als eindtoets mogen worden afgenomen) van deze groep 8. Alleen als het oordeel op basis hiervan ook onvoldoende is, dan beoordeelt de inspectie de resultaten van dat jaar als onvoldoende.

De AMN Eindtoets van AMN b.v. is met ingang van het schooljaar 2016–2017 door de Minister toegelaten als eindtoets. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

De CESAN Eindtoets van SM&C b.v. is met ingang van het schooljaar 2016–2017 door de Minister toegelaten als eindtoets. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

De Dia-eindtoets van Diataal b.v. is met ingang van het schooljaar 2016–2017 door de Minister toegelaten als eindtoets. De ondergrens is afhankelijk van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.

De Cito-score per leerling, zoals vermeld op het ’totaaloverzicht’ van het Drempelonderzoek 678, wordt gebruikt. De inspectie berekent de gemiddelde Cito standaardscore van het hele schooljaar door het gewogen gemiddelde van de scores uit beide bronnen te nemen. Bij de beoordeling wordt Tabel 1 gebruikt.

Tot en met schooljaar 2014–2015 is het mogelijk de leerresultaten te beoordelen aan de hand van de leerlingvolgsysteemtoetsen Begrijpend lezen en Rekenen en wiskunde van leerjaar 8.

Voor een positief oordeel geldt dat de leerresultaten voor Rekenen en wiskunde én Begrijpend lezen ten minste één van de drie jaren op of boven de ondergrens liggen.

Uitzondering met ingang van het schooljaar 2015–2016:

Bij de beoordeling van kleine scholen worden in bepaalde gevallen ook na schooljaar 2014–2015 de leerresultaten van leerjaar 7 betrokken. Als de leerresultaten slechts één keer voldoende zijn en het aantal in de beoordeling betrokken leerlingen is minder dan 10, dan betrekt de inspectie de leerresultaten van leerjaar 7 bij de beoordeling (zie verder bijlage D). De ondergrenzen voor groep 7 in Tabel 9 of 10 zijn in dat geval van toepassing.

In paragraaf 8.1 staat de procedure beschreven voor de beoordeling van de toetsen uit het leerlingvolgsysteem van Cito. Daarnaast zijn de ondergrenzen voor de begrijpend lezen toets van 678 Onderwijs Advisering opgenomen in paragraaf 8.2.

De inspectie vergelijkt bij haar beoordeling de gemiddelde vaardigheidsscore van het leerjaar met de ondergrens voor het betreffende percentage gewogen leerlingen op de school. De gemiddelde vaardigheidsscore wordt afgerond op één decimaal. Afronding naar beneden vindt plaats indien de tweede decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt. Is de gemiddelde score lager dan de ondergrens, dan is het oordeel op de betreffende toets onvoldoende. Ligt de gemiddelde score op of boven de ondergrens, dan is het oordeel voldoende.

Het oordeel op een toets is voldoende als de gemiddelde vaardigheidsscore op of boven de gegeven ondergrens ligt.

Tabel 10 geeft de ondergrenzen weer voor het bepalen van het percentage zwakst presterende leerlingen bij Begrijpend lezen op de toets van 678 Onderwijs Advisering.

De leerresultaten voor een toets zijn voldoende als het percentage zwakst presterende leerlingen op of onder het maximum (voor het betreffende percentage gewogen leerlingen op de school) ligt.

Tabel 11 geeft de normen voor het bepalen van de zwakst presterende leerlingen bij begrijpend lezen. Indien een leerling een score heeft die lager is dan de in de tabel vermelde norm, behoort deze tot de groep zwakst presterende leerlingen. In de tabel zijn ook de didactische leeftijdsequivalenten (DLE’s) opgenomen. Deze worden alleen gebruikt als geen leerlingenscores beschikbaar zijn, maar wel DLE’s.

In deze bijlage staat beschreven hoe en wanneer een correctie (zijnde een herberekening) van de leerresultaten plaatsvindt voor bepaalde groepskenmerken of individuele kenmerken van leerlingen en hoe de inspectie omgaat met enkele specifieke omstandigheden.

Voor de leerresultaten van scholen geldt dat leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden vastgelegd in artikel 9b, van de WPO, niet worden betrokken bij de beoordeling van de leerresultaten. Als leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden wel hebben deelgenomen aan de toets, herberekent de inspectie het schoolgemiddelde, waarbij de leerresultaten van deze leerlingen buiten beschouwing worden gelaten.

Kort samengevat gaat het hier om de volgende leerlingen:

Zie voor een nadere toelichting bij categorieën 1 en 2 de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po.

Leerlingen met een indicatie voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso) of praktijkonderwijs (pro) houdt de inspectie buiten de beoordeling van de leerresultaten. Dit doet zij ook als deze leerlingen de indicatie hebben, maar hier in de praktijk niet daadwerkelijk naar uitstromen. Als leerlingen met een pro- of vso-indicatie wel hebben deelgenomen aan de toets, herberekent de inspectie het schoolgemiddelde, waarbij de leerresultaten van deze leerlingen buiten beschouwing worden gelaten.

Bij de beoordeling van de leerresultaten laat de inspectie de leerresultaten van leerlingen met beperkte cognitieve capaciteiten buiten beschouwing.

De beperkte cognitieve capaciteit van de leerling kan de school op twee manieren aantonen:

Als de leerresultaten in een schooljaar onder de ondergrens lijken te liggen, dan laat de inspectie de leerresultaten van de leerlingen die in leerjaar 7 of 8 zijn ingestroomd buiten beschouwing. Als de inspectie dit doet, corrigeert zij voor alle leerlingen die dit betreft en niet alleen voor de zwakst scorende leerlingen.

Scholen die nieuw zijn beginnen vaak met een klein aantal leerlingen, dat veelal in de onderbouw verblijft. De eerste jaren dat de school bestaat, zullen in de midden- en bovenbouw vooral leerlingen de school bezoeken die eerst op andere scholen hebben gezeten.

De inspectie beoordeelt de leerresultaten van deze scholen in eerste instantie volgens de reguliere werkwijze. Als blijkt dat de leerresultaten onvoldoende zijn, gaat de inspectie nader analyseren waardoor dit wordt veroorzaakt en wordt dezelfde werkwijze gevolgd als voor leerlingen die recent op school zijn ingestroomd (zie Bijlage C, punt 4).

Kopklassen hebben tot doel de leerlingen (veelal leerlingen met een taalachterstand), die hieraan deelnemen, een betere uitgangspositie te geven voor het vervolgonderwijs. In de meeste gevallen gaat het om landelijke projecten of door de overheid erkende experimenten.

De inspectie baseert zich bij de beoordeling van de leerresultaten van deze scholen op de meest recente leerresultaten van de totale groep leerlingen die aan de eindtoets heeft meegedaan.

NB. Het komt voor dat sommige leerlingen alleen de kopklas volgen en dus recent zijn ingestroomd. Deze leerlingen worden bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten.

Als er geen betrouwbaar beeld van de school gevormd kan worden op basis van de beschikbare gegevens, kunnen deze niet worden beoordeeld. Daar kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen sprake van zijn.

Indien de leerresultaten van een school onvoldoende zijn als gevolg van een concentratie van leerlingen met andere individuele kenmerken dan genoemd onder 1 tot en met 7 van deze bijlage, kan de inspectie tot het oordeel komen dat de leerresultaten wegens bijzondere omstandigheden niet onvoldoende zijn. Wel dient de school zich hierover op een controleerbare wijze te verantwoorden, waarbij die verantwoording redelijkerwijs geen ruimte laat voor een andere conclusie dan dat de school, gezien de bijzondere omstandigheden, naar behoren heeft gepresteerd.

De inspectie beoordeelt de leerresultaten op basis van de leerresultaten van de leerlingen in leerjaar 8 van de afgelopen 3 jaar (cohorten). Als de leerresultaten slechts één keer voldoende zijn, en het aantal in de beoordeling betrokken leerlingen is minder dan 10, dan betrekt de inspectie de leerresultaten van leerjaar 7 bij de beoordeling (zie Bijlage B, paragraaf 8). Als de leerresultaten van leerjaar 7 onvoldoende zijn, dan betrekt de inspectie de leerresultaten van een vierde leerjaar 8 bij de beoordeling.

Het oordeel op jaarbasis voor de verschillende (eind)toetsen wordt bepaald conform de werkwijze zoals beschreven in de bijlagen B en C van deze regeling. Vervolgens gelden de volgende richtlijnen: