Ministeriële regeling · BWBR0035939
Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES
Gelet op de artikelen 6.3, 7.4, vijfde lid, en 11.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000, de artikelen 8.1, eerste lid, en 11.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de artikelen 4.3, 5.2, derde lid, en 8.1 van de Wet studiefinanciering BES;
BESLUIT:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.BussemakerIn deze regeling wordt verstaan onder:
Voor de toepassing van artikel 17, vierde lid, van het BSF 2000 en artikel 5, derde lid, van het BTOS wordt onder indexcijfer van de cao-lonen verstaan: de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin. De van toepassing zijnde procentuele ontwikkeling is 1,85 procent.
Voor de toepassing van artikel 17, vierde lid, van het BSF 2000, en artikel 5, derde lid, van het BTOS, wordt onder consumentenprijsindex verstaan: de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin. De van toepassing zijnde procentuele ontwikkeling is 2,68 procent.
Voor de toepassing van artikel 8.1, tweede lid van de WSF BES wordt onder consumentenprijsindex verstaan: de index in de reeks ‘consumentenprijsindex Caribisch Nederland’ met de grootste procentuele stijging. De van toepassing zijnde procentuele ontwikkeling is 1,73 procent.
Het rentepercentage, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, van de WSF 2000, wordt voor het jaar 2023 vastgesteld op 1,78 procent.
Het rentepercentage, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van de WSF 2000, wordt voor het jaar 2023 vastgesteld op 0,46 procent.
Het rentepercentage, bedoeld in artikel 4.3 van de WSF BES, wordt voor het jaar 2023 vastgesteld op 1,78 procent.
Vervallen
Met ingang van 1 januari 2023 worden de bedragen, genoemd in artikel 3.9, tweede lid, van de WSF 2000, vastgesteld op € 19.652,25 onderscheidenlijk € 24.898,37.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.9a, onder a, van de WSF 2000, vastgesteld op € 17.613,07.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.9a, onder b, van de WSF 2000, vastgesteld op € 22.314,61.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, van de WSF 2000, vastgesteld op € 16.121,60.
Met ingang van 1 januari 2023 bedraagt het bedrag, genoemd in artikel 3.17, vierde lid, van de WSF 2000, € 371,42.
Met ingang van studiejaar 2023-2024 luiden de bedragen, genoemd in de overzichten 1, 2 en 3 van artikel 3.18 van de WSF 2000, als volgt:
A. Beroepsonderwijs | |
Normbedrag thuiswonend | € 556,95 |
Normbedrag uitwonend | € 786,59 |
B. Hoger onderwijs | |
Normbedrag thuiswonend | € 793,27 |
Normbedrag uitwonend | € 957,87 |
A. Beroepsonderwijs | |
Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) | |
thuiswonend | € 90,85 |
uitwonend | € 296,51 |
Basislening | |
thuis- en uitwonend | € 197,93 |
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage | |
thuiswonend | € 268,17 |
uitwonend | € 292,15 |
B. Hoger onderwijs | |
Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) | |
thuiswonend | € 110,30 |
uitwonend | € 274,90 |
Basislening | |
thuis- en uitwonend | € 266,97 |
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage | |
thuis- en uitwonend | € 416,00 |
Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs | |
Toeslag eenoudergezin | € 277,13 | € 277,13 |
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.27, tweede lid, onder a, van de WSF 2000, vastgesteld op € 81,40.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.27, tweede lid, onder b, van de WSF 2000, vastgesteld op € 162,82.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt het bedrag, genoemd in de artikelen 4.7, derde lid, 4.18, tweede lid, en 5.2, vierde lid, van de WSF 2000, vastgesteld op € 1.028,33.
Met ingang van 1 januari 2023 bedraagt het bedrag, genoemd in artikel 6.2a, tweede lid, van de WSF 2000, € 1.379,52.
Met ingang van 1 januari 2023 luiden de bedragen, genoemd in artikel 12.14, tweede lid, van de WSF 2000, als volgt:
thuiswonende | uitwonende | |
a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 728,19 | € 957,87 |
b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 115,26 | € 320,90 |
c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 283,26 | € 307,30 |
d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 329,67 | € 329,26 |
Vervallen
Vervallen
Met ingang van schooljaar 2023–2024 wordt het grensbedrag draagkracht, bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, van de WTOS, vastgesteld op € 38.778,84.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt de hoogte van de basistoelage per kalendermaand, bedoeld in artikel 4.3 van de WTOS, als volgt vastgesteld:
- a.
€ 125,07 voor een thuiswonende leerling;
- b.
€ 291,62 voor een uitwonende leerling.
Met ingang van schooljaar 2023–2024 luiden de bedragen van de tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 4.6 van de WTOS, als volgt:
a. onderbouw op grond van de WVO bekostigd onderwijs | € 88,19 |
b. bovenbouw op grond van de WVO bekostigd onderwijs | € 96,55 |
c. onderbouw niet volledig en rechtstreeks bekostigd vo | € 120,74 |
d. bovenbouw niet volledig en rechtstreeks bekostigd vo | € 129,15 |
e. speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs | € 58,58 |
f. voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo) | € 129,15 |
Met ingang van schooljaar 2023–2024 wordt de tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 5.4 van de WTOS, vastgesteld op € 812,37.
Met ingang van schooljaar 2023–2024 luiden de bedragen van de tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in de overzichten 1 en 2 van artikel 5.10 van de WTOS, als volgt:
Aantal minuten per week | Schoolkosten |
540 of meer | € 347,60 |
540 of meer en voor 1 januari 270 tot 540 | € 173,80 + € 173,80 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
270 tot 540 | € 234,18 |
270 tot 540 en voor 1 januari minder dan 270 | € 117,09 + € 117,09 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
minder dan 270 | Nihil |
Aantal minuten per week | Schoolkosten |
540 of meer | € 173,80 |
540 of meer en voor 1 januari 270 tot 540 | € 86,90 + € 86,90 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
270 tot 540 | € 117,09 |
270 tot 540 en voor 1 januari minder dan 270 | € 58,55 + € 58,55 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
Minder dan 270 | Nihil |
Vervallen
Met ingang van 1 januari 2023 luiden de bedragen, bedoeld in artikel 2.2 van de WSF BES, als volgt:
I. Onderwijstype | II. Plaats opleiding | III. Prestatiebeurs of gift per maand | IV. Lening tijdens prestatiebeurs per maand | V. Lening na prestatiebeurs per maand |
Beroepsonderwijs | Eigen openbaar lichaam | USD 80,84 | USD 161,68 | USD 242,52 |
Ander openbaar lichaam, Aruba, Curaçao, Sint Maarten | USD 262,72 | USD 525,44 | USD 788,16 | |
Overig deel Caribische regio | USD 404,16 | USD 808,32 | USD 1.212,48 | |
Verenigde Staten van Amerika en Canada | USD 554,42 | USD 1.108,84 | USD 1.663,26 | |
Hoger onderwijs | Eigen openbaar lichaam | USD 151,55 | USD 303,10 | USD 454,65 |
Ander openbaar lichaam, Aruba, Curaçao, Sint Maarten | USD 303,11 | USD 606,22 | USD 909,33 | |
Overig deel Caribische regio | USD 404,16 | USD 808,32 | USD 1.212,48 | |
Verenigde Staten van Amerika en Canada | USD 554,42 | USD 1.108,84 | USD 1.663,26 |
I. Onderwijstype | II. Plaats opleiding | III. Prestatiebeurs | IV. Lening |
Beroepsonderwijs opleiding niveau 3 of 4 en hoger onderwijs | Europees deel van Nederland | USD 2.789,98 | USD 5.579,96 |
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES.