Wijzigingen Officiële bron
Beoordelingskader 003. Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische OrthopedagogiekBeoordelingskader 003. Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

Omlijning, registratie-eisen en toetsingsprocedure

Versie 2.3 – (Ingangsdatum 1 januari 2015)

In het op de Wet deskundige in strafzaken gebaseerd Besluit register deskundige in strafzaken (hierna: Brdis) heeft de wetgever het College gerechtelijk deskundigen (hierna: College) van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hierna: NRGD) de taak gegeven om voor de registratie van aanvragers welomlijnde deskundigheidsgebieden te definiëren.

Het College omlijnt deskundigheidsgebieden met het doel duidelijkheid te verschaffen aan:

Het NRGD deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (hierna: FPPO) betreft in hoofdzaak het gedragsdeskundig onderzoek van de persoon van de verdachte.

De onderzoeksvragen binnen dit deskundigheidsgebied worden gesteld in het kader van het strafrecht, waarbij het gaat om kennis van processen van beoordeling, psychopathologie, (mate van) toerekeningsvatbaarheid en risicoanalyse.

Kernvragen die door de geregistreerde psychiater, psycholoog of orthopedagoog beantwoord worden, zijn vragen die betrekking hebben op (verstoringen in) het functioneren van de te onderzoeken persoon (verdachte) ten gevolge van persoonsgebonden kenmerken of als gevolg van interferentie van persoonsgebonden kenmerken en contextuele factoren.

De vraagstelling heeft betrekking op diagnostisch onderzoek van persoonskenmerken van de verdachte en richt zich op de volgende aspecten:

Het NRGD onderscheidt binnen de Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek de volgende deelgebieden voor registratie:

003.1 Strafrecht volwassene – psychiatrie

003.2 Strafrecht volwassene – psychologie

003.3 Strafrecht jeugdige – psychiatrie

003.4 Strafrecht jeugdige – psychologie/orthopedagogiek

Indien zijn expertise zich daartoe uitstrekt, kan een deskundige voor meer dan één deelgebied worden geregistreerd. Het register zal de naam van de desbetreffende deskundige vermelden als een deskundige op één of meer van bovenstaande deelgebieden.

Toelichting:

Het College wijst erop dat de kennis en ervaring die benodigd is voor de categorieën ‘Strafrecht volwassene’ en ‘Strafrecht jeugdige’ zodanig uiteen lopen dat het tot de mogelijkheden behoort dat een aanvrager na toetsing voor de ene categorie wel, maar voor de andere categorie niet wordt geregistreerd. Deze categorieën zijn immers aangemerkt als aparte deskundigheidsgebieden. Gedacht wordt hierbij aan verschillen in onderzoeksmethoden, gebruikte testen, diagnostiek, kennis van ontwikkeling(stadia), de betreffende rechtscontext, behandelmogelijkheden en in betrokken ketenpartners. De aanvrager die zich voor beide categorieën wil inschrijven wordt voor elke categorie apart getoetst. Bij de samenstelling van de toetsingsadviescommissies wordt uiteraard zoveel mogelijk rekening gehouden met het specialisme van de vakinhoudelijke toetsers.

De kwaliteitseisen, geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Brdis vormen de algemene criteria waarop de toetsing door het NRGD van forensisch deskundigen is gebaseerd. Het College formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van de algemene criteria specifieke eisen.

Deel II geeft de registratie-eisen voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (hierna: FPPO) weer waaraan de deskundige moet voldoen die een aanvraag voor (her)inschrijving in het register indient.

De registratie-eisen verschillen per type aanvrager. Het NRGD onderscheidt twee typen aanvragers: de initiële aanvrager (A) en de heraanvrager (B). De initiële aanvrager is een rapporteur die nog niet eerder geregistreerd is geweest voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet. De heraanvrager is een deskundige die al is geregistreerd in het NRGD, al dan niet voor beperkte duur, voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet.

Deze twee typen aanvragers worden voorts als volgt onderverdeeld:

De algemene, ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het Brdis aan de te (her)registreren deskundige te stellen eisen zijn in onderstaande tekst in cursief opgenomen met een verwijzing naar de onderdelen (a t/m i). Bij de algemene eis volgen, indien van toepassing, een of meer specifieke eisen. Wanneer geen specifieke eis is aangegeven, is de desbetreffende algemene eis op zich reeds afdoende bevonden.

Het tweede lid van artikel 12 van het Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

Om te beoordelen of een expert voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (hierna: FPPO) en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

De toetsing geschiedt in beginsel op basis van informatie die de aanvrager heeft verstrekt:

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van schriftelijke stukken, waaronder in ieder geval zaaksrapporten en bewijsstukken, in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken uit de schriftelijke stukken.

Voor alle typen geldt dat de toetsing ook kan plaatsvinden op basis van nadere informatie zoals een onderzoek in open bronnen of andere gedetailleerde rapporten, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een adequate toetsing.

De toetsingswijzen voor de verschillende typen aanvragers zijn: