Wijzigingen Officiële bron
Verlenging eindtermen voor de praktijkopleidingenVerlenging eindtermen voor de praktijkopleidingen

De eindtermen voor de praktijkopleiding zoals in 2010 vastgesteld en in 2014 geactualiseerd lopen 31 augustus 2015 af. Op dit moment is de ontwikkeling van de nieuwe eindtermen nog in volle gang. Voor trainees die nu de praktijkopleiding doen komt een overgangsregeling. Hiervoor zullen de huidige en nieuwe eindtermen een periode naast elkaar moeten bestaan.

Daarom wordt de geldigheid van de huidige eindtermen voor de praktijkopleiding voorlopig voor onbepaalde tijd verlengd. In afwachting van de nieuwe eindtermen neemt CEA het definitieve besluit rondom de overgangsregelingen en de duur hiervan naar verwachting eind 2015.

De verlenging van de eindtermen voor de praktijkopleidingen wordt 1 september 2015 in de Staatscourant gepubliceerd.

Dit rapport bevat de eindtermen voor het praktijkdeel1 (hierna praktijkopleiding) van de opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant, zoals vastgesteld door de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding op 19 juli 2010. Nadere informatie over het tijdstip en de termijn van invoering wordt afzonderlijk aan de beroepsorganisatie verstrekt.

Als gevolg van de invoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) per 1 oktober 2006 is de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) ingesteld. CEA heeft onder meer tot taak het vaststellen van de (theoretische en praktijk) eindtermen van de accountantsopleidingen in Nederland. Daarnaast wijst CEA opleidingen aan die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de eindtermen en toetst zij de mate waarin aan de eindtermen van de praktijkopleiding wordt voldaan.

De Wta regelt het toezicht op accountantsorganisaties en individuele accountants die wettelijke controles uitvoeren. Met dit toezicht beoogt de wetgever het vertrouwen in de accountant en de kwaliteit van de door hem2 ten behoeve van het publiek gegeven verklaringen te borgen. Naast het toezicht op het functioneren van accountantsorganisaties en accountants is bij invoering van deze wet ook het toezicht op de accountantsopleidingen in Nederland herzien.

De opleiding tot accountant-administratieconsulent (AA) en registeraccountant (RA) bestaat uit een theoretische opleiding en een praktijkopleiding. Een kandidaat kan overeenkomstig artikel 38 Wab, alleen ingeschreven worden in het register van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants3 (NBA), voorheen NOvAA en NIVRA, als hij een opleiding heeft gevolgd, waarbij moet zijn voldaan aan de door CEA vastgestelde eindtermen. De eindtermen vormen vervolgens de norm om de kwaliteit van de accountantsopleiding vorm te geven en te bewaken.

De vastgestelde eindtermen zijn gebaseerd op het adviesrapport van april 2010 van de Commissie Eindtermen Praktijkopleiding (CEP) onder voorzitterschap van prof. J.C.A. Gortemaker RA. Deze commissie is ingesteld door NOvAA en NIVRA, thans NBA, als gevolg van een verzoek van CEA aan de beroepsorganisatie om gemeenschappelijke eindtermen voor de praktijkopleiding op te stellen. In de CEP zaten vertegenwoordigers van de Raad voor de Praktijkopleiding van de NOvAA en het Stagebestuur van het NIVRA.

Bij het opstellen van de eindtermen zijn de volgende, door CEA vastgestelde, uitgangspunten gehanteerd:

gemeenschappelijke eindtermen voor de praktijkopleidingen AA en RA (naar analogie van de theoretische eindtermen);

de eindtermen zijn primair gericht op de (wettelijke) controlefunctie van de accountant;

de eindtermen zijn kwantificeerbaar en toetsbaar;

er wordt een verbinding gelegd naar de theoretische eindtermen.

In zowel de theoretische opleiding als praktijkopleiding zijn eindtermen de operationalisatie van de kwalificatie-eisen, waaraan voldaan moet zijn om het getuigschrift, waar een voltooide opleiding recht op geeft, te verwerven. Zij omvatten een concrete beschrijving van de kenmerken van het ‘eindproduct’ van een opleiding. Eindtermen geven antwoord op de vraag wat een persoon die de opleiding heeft afgerond, weet, kan en kan uitvoeren.

Er is, in navolging van de theoretische eindtermen, bewust voor gekozen om één set eindtermen voor zowel de praktijkopleiding tot accountant-administratieconsulent als registeraccountant te ontwerpen. De reden hiervoor is dat beide beroepsbeoefenaren dezelfde bevoegdheid hebben om wettelijke controles van jaarrekeningen uit te voeren. Algemeen wordt erkend dat de accountant-administratieconsulent en de registeraccountant deels elk een eigen markt(segment) bedienen en een specifiek op die markt toegesneden productportfolio aanbieden. Daarom wordt in de eindtermen ruimte gelaten verschillen in marktsegment en beroepsprofiel tot uitdrukking te brengen. Voorop staat echter dat de wettelijke controle van de jaarrekening uitmondend in een accountantsverklaring, aan dezelfde wet- en regelgeving dient te voldoen. Elke beroepsbeoefenaar die gerechtigd is om wettelijke controles uit te voeren moet daarom voldoen aan de basiseisen die zijn verwoord in de eindtermen.

De eindtermen zien op de beginnende beroepsbeoefenaar. Dit betekent dat van een afgestudeerde accountant-administratieconsulent en registeraccountant niet verwacht mag worden dat deze zelfstandig in alle situaties alle soorten van opdrachten kan uitvoeren. De accountant-administratieconsulent en de registeraccountant hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid, die in de geldende beroepsregels is verankerd, om voor elke opdracht/situatie afzonderlijk te beoordelen of en op welke wijze zij deze kunnen uitvoeren.

De eindtermen voor de praktijkopleiding zoals vastgesteld door CEA, vormen de basis voor de inrichting van de praktijkopleiding door de beroepsorganisatie. De eindtermen zijn te kwalificeren als minimumnorm voor de praktijkopleiding. De beroepsorganisatie is verantwoordelijk voor het vertalen van de eindtermen naar de opleidingsprogramma’s van de praktijkopleiding en de exameneisen die daaraan verbonden zijn. De eindtermen dienen op een juiste en evenwichtige wijze aan bod te komen. Het staat de beroepsorganisatie vrij om naast de vastgestelde eindtermen aanvullende eindtermen in het opleidingsprogramma op te nemen.

De hier beschreven eindtermen zijn naar hun aard statisch en daarom kwetsbaar voor onvermijdelijk optredende veranderingen in de beroepspraktijk en/of wet- en regelgeving. Bij de beschrijving van eindtermen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de borging van de actualiteit. Het is echter de verantwoordelijkheid van de beroepsorganisatie om de actualiteit van de opleidingsprogramma’s en exameneisen te bewaken en te borgen.

CEA zal periodiek de geldigheid en actualiteit van de eindtermen beoordelen en indien nodig updates uitbrengen. Als daar aanleiding voor bestaat zullen de eindtermen herzien worden en zal een volledig nieuwe uitgave van de eindtermen uitgebracht worden. Via de website van CEA www.ceaweb.nl is altijd de laatste versie van de eindtermen beschikbaar.

CEA heeft de wettelijke taak om de mate waarin de praktijkopleidingen voldoen aan de eindtermen te toetsen. De eindtermen voor de praktijkopleidingen worden door de NBA vertaald naar opleidingsprogramma’s en exameneisen voor de praktijkopleidingen alsmede de toelatingsvoorwaarden vastgesteld. Vervolgens moet vastgesteld worden in hoeverre trainees bij de uitvoering van hun werkzaamheden in het kader van hun praktijkopleiding voldoen aan de eindtermen.

De uitvoering van de praktijkopleidingen wordt door de NBA overgelaten aan stagebureaus van accountantsorganisaties en -diensten, waarbij deNBA ook zelf als stagebureau optreedt. Op de stagebureaus wordt door de Raad voor de Praktijkopleidingen toezicht uitgeoefend middels periodieke visitaties. De examens worden door de NBA zelf afgenomen. Ook hierop wordt toezicht uitgeoefend namens de Raad voor de Praktijkopleidingen.

Gegeven de wijze waarop de praktijkopleidingen zijn georganiseerd kiest CEA voor een vorm van toezicht die uitgaat van een systeemgerichte benadering. Dit betekent dat CEA zoveel mogelijk gebruik maakt van de interne beheersingsmaatregelen die de Raad voor de Praktijkopleidingen, het verantwoordelijke orgaan van de NBA, zelf heeft getroffen om de realisatie van de eindtermen te borgen. CEA vertrouwt hierbij op het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijkopleidingen en toetst op basis van risico-analyse periodiek de adequate werking daarvan. Pro-actieve rapportering van incidenten en de wijze waarop hiermee door de NBA is omgegaan, is een voorwaarde voor deze wijze van toezicht. Alleen als CEA daartoe aanleiding ziet zal zij gegevensgerichte controles uitvoeren.

Het primaire doel van de praktijkopleiding is dat studenten in de praktijk vaardigheid opdoen in het toepassen van de theoretische eindtermen, in het bijzonder voor de eindtermen van de vakgebieden externe verslaggeving, bestuurlijke informatieverzorging en audit & assurance.

De theoretische opleiding wordt gevolgd bij een of meer onderwijsinstellingen. De praktijkopleiding wordt gevolgd bij een door de beroepsorganisatie erkend stagebureau. Over het algemeen volgt een student een gedeelte van de praktijkopleiding gelijktijdig met het laatste deel van de theoretische opleiding. In dat geval bestaat er een wisselwerking tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding die als zeer nuttig wordt ervaren. CEA is van mening dat de synergie tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding zo groot mogelijk moet zijn. CEA beraadt zich voorts op mogelijkheden om de synergie tussen theorie en praktijk, bijvoorbeeld door middel van integratie, in de toekomst verder te bevorderen.

Hoofdstuk 2 beschrijft de kaders waarbinnen aan de eindtermen moet worden voldaan. Dit hoofdstuk gaat in op het niveau waarop de eindtermen moeten worden gerealiseerd en aan welke kwantitatieve eisen moet worden voldaan.

In hoofdstuk 3 staan de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole centraal. Deze eindtermen zijn gebaseerd op het Assurance Framework, zoals uitgewerkt in de HRA4. Voor de beschrijving van de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole wordt de controlecyclus gevolgd. Deze eindtermen zijn voor beide praktijkopleidingen van toepassing.

Veel trainees verrichten naast controlewerkzaamheden ook andere werkzaamheden. Hierbij kan gedacht worden aan beoordelingsopdrachten, samenstelopdrachten en overeengekomen specifieke werkzaamheden. In hoofdstuk 4 wordt een aantal eindtermen gepresenteerd met betrekking tot deze opdrachten. Deze eindtermen komen naar hun aard overeen met die van de jaarrekeningcontrole (hoofdstuk 3). De eindtermen uit hoofdstuk 4 kunnen tot op zekere hoogte (zie paragraaf 2.9) als compenserende eindtermen kwalificeren voor de eindtermen die betrekking hebben op de jaarrekeningcontrole.

Hoofdstuk 5 bevat eindtermen die alleen op de praktijkopleiding AA van toepassing zijn. AA-trainees zijn veelal werkzaam in het midden- en kleinbedrijf. Als gevolg hiervan zijn voor hen de mogelijkheden om controlewerkzaamheden te verrichten beperkt. De samenstelwerkzaamheden die zij verrichten, kunnen ondersteunend zijn aan de controlewerkzaamheden die zij in het kader van hun praktijkopleiding moeten verrichten. Daarnaast kan er op onderdelen sprake zijn van gelijksoortige werkzaamheden. Vanwege het ondersteunende karakter, de mogelijkheid van compensatie en het maatschappelijk belang, is voor de praktijkopleiding AA een apart hoofdstuk met eindtermen voor de samenstelcyclus opgenomen. Deze eindtermen zijn niet van toepassing op de praktijkopleiding RA.

De eindtermen die betrekking hebben op de (communicatieve) vaardigheden en de professionele beroepshouding zijn uitgewerkt in hoofdstuk 6. Deze eindtermen zijn van toepassing op beide praktijkopleidingen. Hoofdstuk 7 tenslotte bevat de aanvullende eindtermen die alleen van toepassing zijn voor de praktijkopleiding AA.

Zoals reeds in hoofdstuk 1 is beschreven, hebben de eindtermen primair betrekking op de (wettelijke) jaarrekeningcontrole. Naast de eindtermen per fase van deze controle, worden algemene eindtermen onderkend. Deze eindtermen zijn beschreven in hoofdstuk 6.

De trainee dient in zijn stage-/persoonlijk ontwikkelingsplan en in de realisatie ervan aandacht te besteden aan de onderdelen van de controlecyclus, de persoonlijke groei en aan adequate dossiervorming.

De werkzaamheden van een controlerend accountant omvatten een breed scala van activiteiten. De omgeving waarin trainees werkzaam zijn, is bepalend voor de aard en de diversiteit van de werkzaamheden. Sommige trainees werken op kleine accountantskantoren met vooral lokale klanten, terwijl andere trainees op middelgrote of grote kantoren werken, met veelal klanten die internationaal opereren. Veel trainees zijn werkzaam in het openbare beroep, terwijl andere trainees werkzaam zijn op interne auditafdelingen van overheidsorganisaties of bedrijven. De ene trainee start zijn praktijkopleiding na ruime werkervaring te hebben opgedaan, terwijl de andere trainee zonder substantiële werkervaring met de praktijkopleiding begint. De diversiteit in de beroepsuitoefening door zowel AA-Accountants als door registeraccountants vindt zijn weerslag op de wijze waarop de eindtermen zijn geformuleerd. Door uit te gaan van het Assurance Framework voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke eindtermen is een gemeenschappelijke grondslag gevonden. De eindtermen voor de praktijkopleiding zijn realiseerbaar in de volle breedte van het accountantsberoep en geven tegelijkertijd een goed beeld van de werkzaamheden die binnen de controlecyclus moeten worden verricht.

De eindtermen voor de jaarrekeningcontrole zijn opgesteld voor de verschillende fasen van de controlecyclus. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke controleopdrachten en vrijwillige controleopdrachten. Alle onderdelen van de controlecyclus dienen door de trainee doorlopen te worden. De potentiële werkzaamheden van een controlerend accountant zijn echter omvangrijk en veelzijdig. Dat brengt met zich mee dat een trainee gedurende de praktijkopleiding, gezien de beschikbare tijd, binnen de verschillende onderdelen van de controlecyclus niet persé met alle potentiële werkzaamheden in aanraking hoeft te komen. De trainee dient in elk geval ervaring te hebben opgedaan met werkzaamheden in alle fasen van de controlecyclus, inclusief alle substappen die in een fase van de controlecyclus worden onderkend. Dit betekent dat de trainee in elk geval ervaring moet hebben opgedaan met werkzaamheden in alle (sub)fasen en stappen van de controlecyclus (zie vetgedrukte koppen van de (sub)paragrafen in hoofdstuk 3). Van de trainee wordt niet verwacht dat hij alle werkzaamheden die tot een subfase/controlestap behoren (genummerd 1 tot en met n) ook bij alle opdrachten uitvoert. In verband daarmee is het van belang dat degene die de werkzaamheden van de trainee beoordeelt, nagaat of er sprake is geweest van een representatief geheel van werkzaamheden behorend bij de controlecyclus. Omdat niet sprake is van ‘zwart-wit-situaties’ dient degene die de trainee beoordeelt in staat te zijn het hiertoe benodigde ‘professional judgement’ toe te passen.

Bij de beschrijving van de eindtermen staan de functie van (wettelijk) controleur en het niveau waaraan het praktijkexamen ten minste moet voldoen, centraal. Het beoogde niveau betreft dat van een beginnend beroepsbeoefenaar.

Voor de eindtermen wordt uitgegaan van één niveau, namelijk het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar. Dat wil zeggen dat voor het groeipad richting het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar geen aparte niveau-aanduidingen zijn opgenomen.

Het niveau van de in het kader van de praktijkopleiding te realiseren eindtermen wordt bepaald door de volgende elementen:

Een eindterm kan worden gerealiseerd, als:

Of de eindtermen op het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar zijn behaald, wordt bepaald door degene die de beoordelingen uitvoert. Op basis van ‘professional judgement’ wordt het oordeel geveld.

Om inzicht te hebben in het eigen handelen dient de trainee de verworven theoretische kennis en vaardigheden geïntegreerd toe te passen in de praktijk.

De belangrijkste elementen van de kernvakgebieden Externe Verslaggeving, Bestuurlijke Informatieverzorging en Auditing & Assurance, vormen de theoretische grondslag voor het verrichten van jaarrekeningcontroles. De theoretische kennis moet op een evenwichtige wijze en in samenhang met de praktijk kunnen worden toegepast om op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar uit te komen. Daarmee is er sprake van een verband tussen de eindtermen voor de praktijkopleiding en de eindtermen voor de theoretische opleiding.

Hierna wordt aangegeven welke theoretische kennis mogelijkerwijze nodig is om een eindterm voor de praktijkopleiding te behalen. Afhankelijk van de omgeving waarin de trainee werkzaam is, de opdrachten die door de trainee worden behandeld en de specifieke situaties waarin zijn klanten zich bevinden, zal bepaald moeten worden welke theoretische kennis nodig is om in bepaalde praktijksituaties op een juiste wijze te functioneren. Verondersteld wordt dat kennis van de kernvakgebieden nodig is, maar dat niet alle theoretische eindtermen van deze kernvakken om bovengenoemde reden noodzakelijkerwijze tijdens de praktijkopleiding aan bod komen.

De eindtermen voor de praktijkopleidingen moeten worden behaald door het uitvoeren van opdrachten van enige complexiteit. De complexiteit wordt bepaald door de breedte en de diepgang waarmee praktijkcases worden behandeld. De trainee moet aan deze opdrachten een substantiële bijdrage hebben geleverd. De rol van de trainee kan variëren van zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden tot uitvoering van werkzaamheden onder begeleiding en uitvoering van werkzaamheden in teamverband.

De achterliggende gedachte hierbij is dat de trainee zelfstandig(er) moet kunnen werken naarmate de opdracht of de casus minder complex is en daarbij zijn eigen vaktechnische positie bepaalt c.q. evalueert. Dat geldt ook voor delen van een opdracht. In de opleidingsprogramma’s van de beroepsorganisatie wordt nader uitgewerkt hoe dit in de praktijkopleiding zichtbaar moet worden gemaakt.

De trainee dient op basis van zijn of haar dossier aan te tonen dat hij kan functioneren op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar. Tijdens de praktijkopleiding maakt de trainee over het algemeen een groei door van iemand met relatief weinig praktijkervaring tot aan een beginnend beroepsbeoefenaar. Deze kwalificatie wordt bereikt op het moment dat de eindtermen zijn behaald op het niveau zoals beschreven in dit rapport. In het dossier van de trainee dient deze groei zichtbaar gemaakt te worden. Deze persoonlijke ontwikkeling wordt mede beïnvloed door de complexiteit van de werkomgeving en de aard van de door de trainee te verrichten werkzaamheden. Over het algemeen zal de trainee aan het begin van zijn of haar praktijkopleiding vooral belast zijn met uitvoerende werkzaamheden. Naarmate hij meer ervaring opdoet, zal een verschuiving in de werkzaamheden optreden van uitvoering naar voorbereiding, beoordeling, concluderen en rapporteren. In het dossier van de trainee moet deze verschuiving zichtbaar zijn.

De situaties waarin trainees werkzaam zijn, kunnen sterk van elkaar verschillen. De bedoelde verschillen betreffen bijvoorbeeld de complexiteit van het businessmodel van de betreffende klant, het bedrijfstype, het wel of niet deel uitmaken van een internationaal opererend team en de omvang van de betreffende klant (een bedrijf uit het midden- en kleinbedrijf of een beursgenoteerde onderneming). De omgeving waarin de trainee werkzaam is, is daarom sterk van invloed op de mate waarin de trainee in staat is zelfstandig werkzaamheden uit te voeren. Uit het dossier van de trainee dient dit duidelijk naar voren te komen.

Trainees verrichten werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van een praktijkopleider. De praktijkopleider beoordeelt of de trainee de gerapporteerde werkzaamheden daadwerkelijk op het juiste niveau heeft uitgevoerd, begeleidt de trainee in zijn groeiproces en creëert mogelijkheden om de in het kader van de praktijkopleiding vereiste werkzaamheden te kunnen uitvoeren.

Trainees moeten in het kader van hun praktijkopleiding werkzaam zijn in een werkomgeving waarin zij aan het opleidingsprogramma (zie paragraaf 2.7) – en daarmee indirect aan de eindtermen – kunnen voldoen. Indien niet op de eigen werkplek aan alle eisen voldaan kan worden, moeten er voorzieningen worden getroffen (bijvoorbeeld werkzaamheden op basis van detachering verrichten) waardoor dit alsnog mogelijk is. De mate waarin op de praktijkopleidingsplaats aan de eindtermen kan worden voldaan is een belangrijk aandachtspunt voor het toezicht. Aan dit aspect wordt onder meer tijdens de visitaties (zie hoofdstuk 7) aandacht besteed.

De opleidingstrajecten moeten er aan bijdragen dat de afgestudeerden aan de eindtermen kunnen voldoen. De opleidingsprogramma’s voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA verschillen. Zo is het opleidingsprogramma voor de praktijkopleiding AA bijvoorbeeld geformuleerd in competenties. Bovendien kent het opleidingsprogramma voor de praktijkopleidingen een grotere reikwijdte dan alleen de assurance en de aan assurance verwante werkzaamheden.

Er moet derhalve een vertaalslag worden gemaakt van de eindtermen naar de opleidingsprogramma’s van de NBA. De opleidingsprogramma’s moeten door CEA inhoudelijk getoetst worden, waarbij CEA vervolgens vast stelt of deze opleidingsprogramma’s voldoen aan de eindtermen. Daarmee wordt recht gedaan aan de eigenheid van beide opleidingstrajecten. De eindtermen kennen daarmee dus geen directe werking. De trainees moeten voldoen aan de opleidingsprogramma’s waarin de eindtermen impliciet zijn verwerkt.

De praktijkopleidingen AA en RA hebben elk eigen toetselementen, die in dit rapport niet uitgewerkt zijn.

De eindtermen zijn voor het overgrote deel gebaseerd op artikelen uit de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). Ook andere regelgeving is gebruikt om tot de formulering van eindtermen te komen, bijvoorbeeld de Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA), het Besluit toezicht Accountantsorganisaties (Bta), de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (hierna VGBA), de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en de Verordening Accountantsorganisaties (VAO).

Voor de toetsbaarheid van de eindtermen zijn kwantificeerbare eisen geformuleerd. Door oefening, herhaling en opbouw in complexiteit dienen de eindtermen behaald te worden. Bij het formuleren van kwantitatieve eisen is rekening gehouden met de uiteenlopende werkomgevingen waarin trainees werkzaam kunnen zijn. Daarbij wordt er van uitgegaan dat de trainee gedurende de praktijkopleiding werkzaamheden binnen verschillende typen ondernemingen verricht. Vooralsnog lopen de kwantitatieve eisen voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA uiteen. Dat wordt verklaard door de verschillende segmenten in de markt waarvoor de beroepsorganisatie opleidt. Het AA-opleidingstraject richt zich sterk op het midden- en kleinbedrijf. Het RA-opleidingstraject daarentegen is meer expliciet op controlewerkzaamheden gericht.

Met betrekking tot de jaarrekeningcontrole voor de praktijkopleidingen wordt eenzelfde set met eindtermen gehanteerd. Er zijn voorts eindtermen voor de samenstel- en beoordelingswerkzaamheden en voor overeengekomen specifieke werkzaamheden die naar hun aard overlappen met de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole. Deze overlappende eindtermen (zie hoofdstuk 4) mogen in beide opleidingstrajecten tot op zekere hoogte als compensatie voor de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole gebruikt worden.

De kwantitatieve eisen voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA zijn als volgt.

In dit hoofdstuk wordt een inhoudelijke beschrijving van de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole gegeven. De eindtermen worden beschreven per fase van het controleproces.

Hierbij worden de volgende fasen onderkend:

Ten behoeve van een eenduidige begripsvorming is per fase aangegeven uit welke elementen de betreffende fase bestaat. De eindtermen in dit hoofdstuk zijn op de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA van toepassing.

Deze fase gaat vooraf aan de planning en de uitvoering van de betreffende controleopdracht. In deze fase gaat de accountant na of hij zowel de cliënt als de opdracht wil en kan accepteren. In de daarop volgende jaren stelt de accountant vast of hij de klantrelatie en de opdracht wil continueren. Onafhankelijkheids- en deskundigheidsaspecten spelen hierbij een rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedure van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen.

In de planningsfase wordt de strategie (het “aanvalsplan”) van de uitvoering van de controle-opdracht vastgesteld: wie doet wat, wanneer en met welke diepgang etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van de kennis van de betreffende entiteit, kennis van haar omgeving en op basis van een risicoanalyse. Deze risico-analyse betreft de inherente risico’s en de risico’s op het niveau van het te controleren financieel verslag. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan de organisatie brede beheersingsmaatregelen, de ICT-omgeving, alsmede aan de relatie tussen de processen en de posten uit het financiële verslag. De strategiebepaling omvat ook het vaststellen van de materialiteit en de teamsamenstelling.

De ingenomen uitgangspunten, inzake het plan van aanpak, worden op proces- en op beweringenniveau uitgewerkt in de uitvoeringsfase.

De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

De eindtermen voor de uitvoeringsfase kunnen als volgt worden geformuleerd:

In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande deelconclusies samengevat en in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Op basis daarvan beoordeelt de trainee of hij/zij een deugdelijke grondslag heeft verkregen voor het afgeven van een accountantsverklaring. Hierbij gaat hij/zij ook na of hij/zij alle relevante risico’s, die de verantwoording raken, in voldoende mate heeft afgedekt in het controleproces. Zo nodig voert de trainee aanvullende werkzaamheden uit.

De eindtermen in het vorige hoofdstuk betreffen de controle van jaarrekeningen. De trainees hebben daarnaast de mogelijkheid om een deel van hun praktijkopleiding te besteden aan andere assurance werkzaamheden dan controleopdrachten (Opdrachten tot het beoordelen van historische financiële overzichten) en aan assurance verwante opdrachten (“Opdrachten tot het samenstellen van financiële overzichten” en “Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie”). Verder kunnen met betrekking tot deze en andere opdrachten werkzaamheden worden onderkend, die ook deel uitmaken van controleopdrachten of daarmee vergelijkbaar zijn. De betreffende werkzaamheden kwalificeren eveneens als eindterm voor het onderdeel Controle van de praktijkopleidingen.

Het komt voor dat trainees, tijdens hun praktijkstage, ook andere opdrachten uitvoeren dan de controle, de beoordeling of het samenstellen van financiële overzichten, of het uitvoeren van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn: bijzondere controleopdrachten (NV COS 800) en assurance opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie (NV COS 3000, 3400, 3410N). Indien de trainee, bij de uitvoering van deze andere opdrachten, werkzaamheden uitvoert die als eindtermen zijn beschreven in de hoofdstukken 3 en 4 van de onderhavige rapportage, dan kwalificeren deze werkzaamheden als eindterm voor de praktijkopleiding. Voorbeelden, in het kader van advieswerkzaamheden, betreffen klant- en opdrachtacceptatie, alsmede het continueren van de klantrelatie en de opdracht. Daarnaast kan worden gedacht aan planningswerkzaamheden, cijferanalyses en het opstellen van adviesbrieven in het kader van adviesopdrachten.

De praktijkopleiding AA richt zich niet alleen op de controlewerkzaamheden, maar kent een breed scala aan werkzaamheden waarmee de ondernemer in het midden- en kleinbedrijf bediend wordt. Het gaat dan om samenstelwerkzaamheden, fiscale werkzaamheden, advieswerkzaamheden en administratieve werkzaamheden. Voor vrijwel alle AA-trainees geldt dat zij een substantieel deel van hun praktijkopleiding besteden aan het verrichten van samenstelwerkzaamheden. Op onderdelen geldt dat de werkzaamheden uit de samenstelpraktijk gelijkvormig zijn aan de werkzaamheden uit de controlepraktijk. Voor die overlappende werkzaamheden geldt derhalve dat er sprake kan zijn van compensatie (zie ook hoofdstuk 4). Verder kunnen de samenstelwerkzaamheden een ondersteunende functie hebben bij het uitvoeren van controleopdrachten.

Ondernemers moeten kunnen steunen op verklaringen die door accountants worden afgegeven. Dat geldt zowel voor verklaringen die worden afgegeven naar aanleiding van controleopdrachten als ook voor verklaringen die worden afgegeven bij beoordelingsopdrachten en samenstelopdrachten. Vanuit maatschappelijk belang is het van belang dat CEA tevens toezicht houdt op de kwaliteit van beoordelings- en samenstelwerkzaamheden.

De eindtermen in dit hoofdstuk zijn primair op de praktijkopleiding AA van toepassing. CEA beoordeelt het opleidingsprogramma van de praktijkopleiding AA hier op. De hierna volgende eindtermen gelden niet voor de praktijkopleiding RA.

NV COS 4410 is als regelgevend kader van toepassing voor samenstelwerkzaamheden. De eisen die hierin zijn vastgelegd zijn echter minimumeisen. De eindtermen die in dit hoofdstuk voor de samenstelpraktijk zijn beschreven stijgen dan ook op enkele gebieden uit boven het minimum van NV COS 4410, maar sluiten aan bij wat in de beroepspraktijk gebruikelijk is.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het samenstelproces. Hierbij worden de volgende fasen onderkend:

De NV COS (Nadere Voorschriften Controle- en overige Standaarden) 4410, Leidraad 14 alsmede de VGBA vormen hierbij een essentieel onderdeel. Ten behoeve van een eenduidige begripsvorming is per fase aangegeven uit welke elementen de betreffende fase bestaat.

Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende samenstellingsopdracht. In deze fase gaat de accountant na of hij zowel de cliënt alsook de opdracht wil en kan accepteren. In de daarop volgende jaren stelt de accountant vast of hij de klantrelatie en de opdracht wil continueren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen.

Het betreft hier het vraagstuk van de cliënt- en opdrachtacceptatie. Deze vereisen kennis van meer algemene aspecten, die weliswaar gericht zijn op de accountantspraktijk, maar die ter beoordeling liggen – binnen de kaders van de accountantspraktijk – bij iedere beroepsbeoefenaar. Verder gaat het om aspecten van integriteit, deskundigheid/zorgvuldigheid en objectiviteit. Belangrijke referenties zijn te vinden in de VGBA, NV COS 4410 en Leidraad 14 zoals deze zijn uitgegeven door de beroepsorganisatie.

In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de samenstellingswerkzaamheden uitgewerkt. Wie doet wat, wanneer en met welke diepgang etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de betreffende entiteit, de wijze waarop de administratie is ingericht en kennis over waarderingsgrondslagen. Bij de voorbereiding worden ook de materialiteit en de teamsamenstelling bepaald.

De trainee is in staat het materieel belang in overweging te nemen bij samenstellingswerkzaamheden.

De trainee is in staat een (initiële) cijferbeoordeling te maken.

De trainee is in staat te bepalen wie op basis van een op te stellen cliëntspecifiek werkprogramma de samenstellingswerkzaamheden gaat uitvoeren. Dit werkprogramma ziet er op toe dat de uitgevoerde werkzaamheden toereikend zijn om de aanvaardbaarheid van de posten en toelichting te kunnen vaststellen, de samenhang van de informatie in de jaarrekening te kunnen vaststellen en (indien van toepassing) de overeenstemming te kunnen vast stellen met de voorschriften van externe verslaggeving.

De uitvoering van de samenstelopdracht verloopt volgens een werkprogramma. In de uitwerking wordt dit programma nader uiteengezet in hoofdactiviteiten.

De trainee is in staat de volgende werkzaamheden op een toereikende wijze uit te voeren, zoals:

In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande deelconclusies samengevat en in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Op basis daarvan beoordeelt de accountant of hij een deugdelijke grondslag heeft verkregen voor het afgeven van een samenstellingsverklaring.

Inherent aan de uitvoering van opdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de uitingen van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega-accountant zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant om te komen tot zijn rapportage (in de vorm van een samenstellingsverklaring of een andere rapportage).

Naast de specifieke, op verworven kennis en inzicht gebaseerde vaktechnische eindtermen, kunnen ook op algemene gedrags- en beroepsvaardigheden gebaseerde eindtermen, die in het kader van de praktijkstage (zeer) relevant zijn, worden onderkend.

De praktijkopleiding moet bijdragen aan de ontwikkeling van uiteenlopende competenties. De trainee moet daarbij in de werkomgeving in de gelegenheid worden gesteld met een toenemende mate van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te kunnen functioneren. Daarbij moet de trainee ook de VGBA kunnen toepassen evenals de Verordening inzake Onafhankelijkheid van accountants bij assurance opdrachten (hierna ViO). Een trainee moet kunnen omgaan met bedreigingen en waarborgen conform het "VGBA-conceptual framework", waarbij de uitwerking van de principes afhankelijk is van de rol die de accountant vervult.

Op overkoepelend niveau zijn in het bijzonder de volgende gedrags- en beroepsvaardigheden relevant:

Belangrijke competenties voor het realiseren en beheersen van de vereiste vaardigheden worden hierna meer in detail per categorie uitgewerkt. Hierbij wordt aangesloten op de IFAC- Education Standard 5 (Practical Experience Requirements). Het raamwerk is ontleend aan het Skills Framework van het zogenoemde Common Content Project.

De trainee moet in de loop van de praktijkstage deze vaardigheden ontwikkelen en beheersen tot op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar.

In zijn algemeenheid dient de trainee in de eindfase van de praktijkopleiding te kunnen handelen en blijk te kunnen geven van het kunnen optreden als vertrouwensman van het maatschappelijk verkeer, in brede en in enge zin.

Op verzoek van de beroepsorganisatie is voorzien in de mogelijkheid dat zij een supplement met eindtermen bij CEA kunnen indienen. De NBA heeft vanwege de breedte van het beroepsprofiel van de AA supplementen met eindtermen voor Fiscale Dienstverlening en Adviesopdrachten opgesteld. Deze eindtermen zien op twee kritische beroepssituaties uit het beroepsprofiel AA die niet worden afgedekt door de eindtermen die gelden voor de controlecyclus (hoofdstuk 3), overige eindtermen (hoofdstuk 4) en voor samenstelopdrachten (hoofdstuk 5). Deze eindtermen gelden als aanvullende eindtermen en vallen buiten de kwantitatieve norm zoals beschreven in paragraaf 2.9. Deze eindtermen gelden ook niet als compensatie zoals bedoeld in paragraaf 2.2 en 2.9.

De betreffende eindtermen zijn, uit oogpunt van uniformiteit, wel volgens hetzelfde stramien geformuleerd als de andere eindtermen.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het traject fiscale dienstverlening. Hierbij worden de volgende fasen onderkend:

In de NV COS (Nadere Voorschriften Controle- en overige Standaarden) wordt aan deze dienstverlening geen aandacht besteed. Wel vormt de Verordening Gedragscode alsmede de fiscale regelgeving hierbij een essentieel onderdeel. Ten behoeve van een eenduidige begripsvorming is per fase aangegeven uit welke elementen de betreffende fase bestaat.

Daarnaast is de Wwft elementair bij de opdrachtaanvaarding en -continuering van een fiscale advies opdracht.

Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende fiscale dienstverlening. In deze fase gaat de accountant na of zowel hij als de cliënt de opdracht wil en kan accepteren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen.

Het betreft hier het vraagstuk van de cliënt en opdrachtacceptatie. Dit vereist kennis van meer algemene aspecten uit de VGBA, die weliswaar gericht zijn op de accountantspraktijk, maar die ter beoordeling liggen – binnen de kaders van de accountantspraktijk – bij iedere beroepsbeoefenaar. Verder gaat het om aspecten van integriteit, deskundigheid/zorgvuldigheid en objectiviteit. Belangrijke referenties zijn te vinden in de VGBA zoals deze is uitgegeven door de beroepsorganisatie alsmede in de fiscale regelgeving.

In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de fiscale dienstverlening uitgewerkt. Wie doet wat en wanneer? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de entiteit, voldoende kennis van fiscale regelgeving en de wijze hoe de administratie is ingericht en hoe de fiscaal belastbare feiten worden geregistreerd. Bij de voorbereiding wordt ook de teamsamenstelling bepaald, waarbij eveneens wordt bepaald in welke mate, alsmede in welke fase, eventueel een fiscaal deskundige wordt ingeschakeld. Verwerven van inzicht in de huishouding en haar omgeving.

De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande werkzaamheden uitgewerkt in een definitieve aangifte of in een fiscaal advies welke ter goedkeuring aan de cliënt wordt aangeboden.

De kandidaat is in staat tijdig een fiscale aangifte uit te brengen die op basis van de fiscale relevante transacties en fiscale regelgeving in het betreffende tijdvak, de fiscale consequenties juist en volledig weergeeft. De kandidaat is eveneens in staat tijdig een fiscaal advies uit te brengen die op basis van de fiscale relevante transacties, de fiscale consequenties juist en volledig weergeeft.

Inherent aan de uitvoering van opdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de fiscale dienstverlening van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega-accountant zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant en in staat is de betreffende fiscale werkzaamheden te reconstrueren.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het traject advisering, waarbij met name een relatie wordt gelegd met de voor Nederland specifiek geldende COS 5500N alsmede de Verordening Gedragscode. Hierbij worden de volgende fasen onderkend:

Het primaire doel van een adviesopdracht is het ondersteunen van de opdrachtgever bij de aspecten in het besluitvormingsproces inzake een voorgenomen transactie.

Ten behoeve van een eenduidige begripsvorming is per fase aangegeven uit welke elementen de betreffende fase bestaat. Daarnaast is de Wwft elementair bij de opdrachtaanvaarding en -continuering van een adviesopdracht.

Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende adviesopdracht. In deze fase gaat de accountant na of zowel hij als de cliënt de opdracht wil en kan accepteren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen.

Het betreft hier het vraagstuk van de cliënt en opdrachtacceptatie. Dit vereist kennis van meer algemene aspecten, die weliswaar gericht zijn op de accountantspraktijk, maar die ter beoordeling liggen – binnen de kaders van de accountantspraktijk – bij iedere beroepsbeoefenaar. Verder gaat het om aspecten van integriteit, deskundigheid/zorgvuldigheid, objectiviteit en in sommige gevallen onafhankelijkheid. Belangrijke referenties zijn te vinden in de VGBA en de ViO zoals deze zijn uitgegeven door de beroepsorganisatie.

In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de adviesopdracht uitgewerkt. Wie doet wat, wanneer en met welke diepgang, etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de entiteit, voldoende deskundigheid bij het team of bij (eventueel extern) in te schakelen deskundigen. Bij de voorbereiding wordt ook de teamsamenstelling bepaald, waarbij eveneens wordt bepaald in welke mate, alsmede in welke fase, een (eventueel extern) deskundige wordt ingeschakeld.

De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande werkzaamheden uitgewerkt in een definitief adviesrapport en wordt dit advies met cliënt besproken. Bij het opmaken van het adviesrapport dient, om gebruikers niet in verwarring te brengen, een duidelijk onderscheid te worden gemaakt ten opzichte van een assurance rapport. Indien van toepassing wordt, na verkregen separate opdracht van cliënt, uitvoering gegeven aan de uitvoering van dit advies.

Inherent aan de uitvoering van adviesopdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de uitingen van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega(-accountant) zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant om te komen tot zijn oordeel in de vorm van een adviesbrief.