Ministeriële regeling · BWBR0037533
Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen
Gelet op de artikelen 2.7, 2.10, tweede lid, en 7.7 van de Erfgoedwet;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.BussemakerIn deze regeling wordt verstaan onder:
beheerder: minister wie het aangaat, college van staat of instelling die museale cultuurgoederen van de Staat beheert;
instelling met een wettelijke taak: instelling die op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet belast is met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen;
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Een instelling met een wettelijke taak dient jaarlijks uiterlijk op 30 juni een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering in het daarop volgende jaar in.
Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van een begroting en voor zover van toepassing een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.9.
De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de wettelijke taak waarmee de instelling is belast.
De begroting bevat een postgewijze toelichting.
De artikelen 2.6 en 2.7 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.
Een onderhouds- en investeringsplan gaat niet bij de aanvraag indien de instelling met een wettelijke taak er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de minister al over de meest recente versie van het plan beschikt.
Voor de indiening van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van het hiervoor bestemde aanvraagformulier dat wordt bekend gemaakt op de website www.cultuursubsidie.nl.
Een subsidieaanvraag wordt elektronisch ingediend via de website www.cultuursubsidie.nl.
Gereserveerd
De minister beslist in enig jaar binnen dertien weken na 30 juni op de in dat jaar ingediende aanvragen.
Artikel 2.10 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 2.12 tot en met 2.14 en 2.17 tot en met 2.21 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.
Een instelling met een wettelijke taak baseert het planmatig beleid voor het beheer van de cultuurgoederen of verzamelingen op een actuele analyse van de stand van het beheer en beschrijft in het beleid tenminste:
- a.
de te bereiken doelen op in ieder geval de gebieden behoud van de cultuurgoederen en veiligheidszorg; en
- b.
de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd.
De volgende instellingen met een wettelijke taak beschikken voor gebouwen waarin cultuurgoederen worden beheerd waar de taak op ziet, over een actueel meerjarig onderhouds- en investeringsplan:
- a.
instellingen die eigenaar zijn van die gebouwen; en
- b.
instellingen die met het Rijksvastgoedbedrijf een huurovereenkomst hebben gesloten over die gebouwen en waarbij overeengekomen is dat de instelling verantwoordelijk is voor de instandhouding van de gebouwen.
Een instelling als bedoeld in het eerste lid dient telkens na vier jaar een actueel onafhankelijk bouwkundig inspectierapport van de gebouwen in. De eerste indiening vindt plaats voor 1 januari 2020.
Indien aan de instelling met een wettelijke taak voor dezelfde periode tevens een vierjaarlijkse instellingssubsidie als bedoeld in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is verleend, verantwoordt de instelling de subsidie in de aanvraag tot vaststelling van de vierjaarlijkse instellingssubsidie onderscheidenlijk in de periodieke verantwoording van die subsidie, bedoeld in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Indien aan de instelling met een wettelijke taak geen vierjaarlijkse instellingssubsidie in dezelfde periode is verleend, dient de instelling tussen acht en dertien weken na afloop van enig kalenderjaar over dat kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
Aanvragen die worden ingediend voorafgaand aan de termijn, bedoeld in het tweede lid, worden geacht ontvangen te zijn op de eerste dag van die termijn.
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een jaarrekening en een bestuursverslag.
Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26 tot en met 2.28 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Op het bestuursverslag is artikel 2.15, tweede lid, onder a tot en met h, derde en vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.29 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van een verleende subsidie op grond van deze regeling.
Indien na uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet, de subsidie niet volledig is aangewend en lange termijn investeringsreserves zijn aangehouden voor het beheer van de cultuurgoederen of de instandhouding van gebouwen, zoals opgenomen in de begroting voor het desbetreffende jaar, dan kan de instelling de resterende middelen besteden aan publieksactiviteiten of andere activiteiten in het kader van de cultuurgoederen.
Artikel 6.1 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Wijzigt de Subsidieregeling instandhouding monumenten.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Wijzigt de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Wijzigt de Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Wijzigt de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020.
Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
De hoofdstukken 1, 3 en 5 treden in werking met ingang van 8 februari 2016.
Hoofdstuk 2 en de artikelen 4.1 tot en met 4.5 treden in werking op 1 juli 2016.
De artikelen 4.6 en 4.7 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werken terug tot en met 4 november 2015.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.