U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 09-02-2019.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 8 april 2016, houdende voorschriften voor diverse experimenten op het terrein van flexibilisering van het hoger onderwijs, in het bijzonder van het deeltijdse en duale onderwijs, met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het hoger onderwijs (Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs)Besluit experimenten flexibel hoger onderwijsWij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 14 december 2015, nr. WJZ//860091(6770), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.7a, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs en 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 februari 2016, nr. W05.15.0436/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 april 2016, nr. WJZ/914254(6770), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar8 april 2016Willem-AlexanderDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.Bussemakerde tweeëntwintigste april 2016De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van derSteur

In dit besluit wordt verstaan onder:

Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs die deelneemt aan een experiment in de zin van dit besluit is verplicht

Onze Minister kan een experiment in de zin van dit besluit bij een instelling voor hoger onderwijs geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder deelnemende instelling: instelling voor hoger onderwijs die deelneemt aan het experiment leeruitkomsten.

Met het experiment leeruitkomsten wordt beoogd te onderzoeken of het verzorgen van hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7 leidt tot:

In verband met het experiment leeruitkomsten wordt afgeweken van de artikelen 7.3, tweede lid, en 7.4 van de wet.

Onze Minister evalueert het experiment leeruitkomsten op basis van de volgende criteria:

Deelname aan het experiment leeruitkomsten staat open voor instellingen voor hoger onderwijs die een aanvraag hebben ingediend op grond van de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen.

De examencommissie stelt vast:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder deelnemende instelling: een universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage behorende bij de wet, of een hogeschool als bedoeld in onderdeel g van die bijlage, die deelneemt aan het experiment flexstuderen.

Het experiment flexstuderen duurt van 1 september 2017 tot 1 september 2023, tenzij Onze Minister een besluit neemt als bedoeld in artikel 17h, tweede lid.

Met het experiment flexstuderen wordt beoogd te onderzoeken of het aanbieden van hoger onderwijs als bedoeld in artikel 17b leidt tot een toegankelijker aanbod van voltijds hoger onderwijs, dat beter aansluit bij de behoeften van studenten en daardoor leidt tot meer tevredenheid van en ontplooiingsmogelijkheden voor studenten en tot minder uitval.

Onze Minister evalueert het experiment flexstuderen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het aanbieden van hoger onderwijs als bedoeld in artikel 17b positief bijdraagt aan

Aan het experiment flexstuderen kan uitsluitend worden deelgenomen door universiteiten als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage behorende bij de wet, en door hogescholen als bedoeld in onderdeel g van die bijlage.

Bij onvoldoende belangstelling voor deelname aan het experiment flexstuderen of indien er onvoldoende voor het doel, bedoeld in artikel 17e, geschikte plannen zijn ingediend, kan Onze Minister besluiten het experiment flexstuderen niet uit te voeren.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een deelnemende rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon voor hoger onderwijs die deelneemt aan het experiment accreditatie onvolledige opleidingen.

Met het experiment accreditatie onvolledige opleidingen wordt beoogd te onderzoeken of het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 19 leidt tot een groter aanbod niet bekostigde deeltijdse en duale bacheloropleidingen, een hogere deelname aan die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en tot het verlenen van meer graden als bedoeld in de artikelen 7.10a en 7.10b van de wet.

In verband met het experiment accreditatie onvolledige opleidingen wordt afgeweken van de artikelen 7.4b, eerste lid, en 7.8, tweede lid, van de wet.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een deelnemende instelling: een instelling voor hoger onderwijs als genoemd in de bijlage behorend bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling verwantschapstabel educatieve minor.

Met het experiment educatieve module wordt beoogd te onderzoeken of door educatieve modules nieuwe doelgroepen kiezen voor het leraarschap in het voortgezet onderwijs en meer gediplomeerden in het wetenschappelijk onderwijs worden opgeleid tot leraar in het voortgezet onderwijs.

Onze Minister evalueert het experiment educatieve module op basis van de volgende criteria:

Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2016 en vervalt met ingang van 1 januari 2025.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs