Ministeriële regeling · BWBR0038197

Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 4 juli 2016, nr. IENM/BSK-2016/134534, houdende vaststelling van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegenRegeling omgevingsregime hoofdspoorwegenDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Spoorwegwet;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,S.A.M.Dijksma

In deze regeling wordt verstaan onder:

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt voor de volgende activiteiten en de daarmee samenhangende werkzaamheden:

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen a tot en met c, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing op het binnen de beschermingszone oprichten, plaatsen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van bouwwerken en gebouwen, indien dat bij besluit van de minister is bepaald op een deel van de bij dat besluit aan te wijzen deel van de hoofdspoorweginfrastructuur.

Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen i tot en met l, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt niet voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 19 van de wet:

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 10 meter over het spoor en 30 meter over de weg loopt.

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 500 meter over het spoor en 11 meter over de weg loopt.