Beleidsregel · BWBR0038201

Besluit Beroep in Belastingzaken

Wijzigingen Officiële bron
Besluit Beroep in BelastingzakenBesluit Beroep in Belastingzaken

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit betreft een aanpassing van het Besluit Beroep in Belastingzaken (Besluit van 20 december 2011, nr. BLKB2011/2376M). De inhoudelijke wijzigingen zijn het gevolg van organisatorische ontwikkelingen en wijzigingen in wet en jurisprudentie.

De overige wijzigingen zijn redactioneel van aard.

Den Haag24 juni 2016De Staatssecretaris van Financiën,Namens deze,J. deBlieckLid van het managementteam Belastingdienst

Dit besluit verstaat onder:

De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met:

Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.

Als de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.

Behoudens in de in § 2.2.3 lid 2, en § 2.2.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken zijn verweerschrift overeenkomstig § 2.2.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank.

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur door tussenkomst van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is overeenkomstig van toepassing.

In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.

De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Voorafgaand aan de zitting informeert de inspecteur naar de samenstelling van de rechtbank op de zitting.

De inspecteur kan als de rechtbank hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen als de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.

Als het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij of voorafgaand aan de indiening van zijn verweerschrift.

Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

Als de inspecteur meent dat er bij een uitspraak van de rechtbank sprake is van schending van het recht of dat er is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen, gaat hij na of de feiten door de rechtbank juist en volledig zijn vastgesteld. Als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dan kan hij aan belanghebbende voorstellen om de procedure voor het gerechtshof over te slaan, onder voorbehoud van een akkoord van de staatssecretaris. Als belanghebbende akkoord gaat, dient de inspecteur een voorstel voor sprongcassatie in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:

De inspecteur kan – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kopieën in plaats van de originele bescheiden indienen. De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.

DGBel, team cassatie laat de inspecteur schriftelijk weten of zijn voorstel wordt gevolgd. Als DGBel, team cassatie met het voorstel van de inspecteur instemt, dan vraagt de inspecteur het formele akkoord van belanghebbende. Als DGBel, team cassatie niet met het voorstel van de inspecteur instemt, dan stelt de inspecteur hoger beroep in.

Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, dan bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

DGBel, team cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur.

Bij de beslissing om al dan niet sprongcassatie voor te stellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie in te stemmen geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift (zie § 2.2.2).

De inspecteur blijft verantwoordelijk voor de naleving van de in § 2.6.3 genoemde termijn.

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC, en neemt zo nodig contact op met de griffie van de rechtbank met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst in overeenstemming met artikel 27g AWR.

Als de inspecteur besluit hoger beroep in te stellen, dient hij binnen zes weken (zie artikel 6:7 Awb) een beroepschrift overeenkomstig § 3.1.4 van dit besluit in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator pro forma in hoger beroep en verzoekt hij het gerechtshof om een termijn te stellen voor het motiveren van het beroepschrift.

Voor het beroepschrift geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

Voor de inhoud van het beroepschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het hierbij om de stukken voor zover deze niet reeds in de procedure bij de rechtbank zijn overgelegd en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.

Na daartoe door het gerechtshof in de gelegenheid te zijn gesteld, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van repliek in.

De conclusie van repliek behandelt in ieder geval de in het verweerschrift aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van repliek een doublure wordt van het beroepschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van repliek naar relevante punten van het beroepschrift.

Behoudens in de in § 4.1.3, lid 2 en § 4.1.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn zijn verweerschrift overeenkomstig § 4.1.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof.

Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft een eventueel tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.3).

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 3.2.2 is overeenkomstig van toepassing. Zo nodig vraagt de inspecteur tevens om verlenging van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep.

Voor de inhoud van het verweerschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het hierbij om de stukken voor zover deze niet reeds in de procedure voor de rechtbank zijn overgelegd en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.

In het geval dat belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur gelijktijdig met zijn verweerschrift bij afzonderlijk geschrift incidenteel hoger beroep instellen. De inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten.

Bij de beslissing om al dan niet incidenteel hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats conform wat geldt bij een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 3.2.2 is overeenkomstig van toepassing.

De conclusie van dupliek behandelt in ieder geval de in de conclusie van repliek aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.

Voor de mondelinge behandeling op een zitting van het gerechtshof is § 2.4 overeenkomstig van toepassing.

Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb het gerechtshof heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van het gerechtshof wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij een cassatievoorstel in zal dienen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur dient een cassatievoorstel te doen binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak. Zie voor de indiening ook § 5.1.1.

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC, en neemt zo nodig contact op met de griffie van het gerechtshof met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst in overeenstemming met artikel 27g AWR.

DGBel, team cassatie, zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur en aan B/CKC.

De inspecteur zendt na ontvangst van een uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de relevante bescheiden aan DGBel, team cassatie. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval de stukken die worden genoemd in § 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kan volstaan met het zenden van kopieën in plaats van originele bescheiden.

Als het Hof van Justitie zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan DGBel, team cassatie. Eerst na overleg met DGBel, team cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan DGBel, team cassatie.

In verband met de beantwoording van een breder levende rechtsvraag kan de inspecteur de rechtbank of het gerechtshof verzoeken om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken landelijk vaktechnisch coördinator.

Bij zijn reactie op het voornemen tot het stellen van een prejudiciële vraag, geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken landelijk vaktechnisch coördinator.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Beroep in Belastingzaken. De citeertitel kan worden afgekort tot BBIB.

Het Besluit Beroep in Belastingzaken (Besluit van 20 december 2011, nr. BLKB2011/2376M) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.