Ministeriële regeling · BWBR0038668
Regeling natuurbescherming
Handelende mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu en na overleg met de Minister van Defensie en gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6 en 2.7, handelende mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu en in overeenstemming met de Minister van Defensie en gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 2.5, handelende na overleg met gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 3.5 en handelende in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 3.28, eerste en tweede lid;
Gelet op verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61) en verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);
Gelet op verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286);
Gelet op verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308);
Gelet op richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91);
Gelet op verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317);
Gelet op verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);
Gelet op verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295);
Gelet op de artikelen 2.9, zevende en achtste lid, 3.3, tweede lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en derde lid, 3.8, tweede lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en derde lid, 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, 3.15, tweede lid, 3.22, tweede lid, 3.25, tweede lid, 3.28, tweede lid, onderdeel a, en zevende lid, 3.30, derde, vierde en negende lid, 3.34, derde lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en vijfde lid, 3.37, eerste en tweede lid, 3.40, 4.8, eerste en tweede lid, 6.2, eerste, tweede en derde lid, en 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming;
Gelet op de artikelen 2.7, derde lid, 2.8, eerste lid, 2.9, zesde lid, 3.2, eerste lid, onderdeel c, 3.18, tweede lid, 3.19, tweede lid, 3.21, vierde lid, 3.22, tweede lid, 3.26, derde lid, artikel 3.27, tweede lid, 3.28, vierde en vijfde lid, en 3.29 van het Besluit natuurbescherming;
Gelet op de artikelen 2.2, eerste lid, en 10.1, eerste lid, van de Wet dieren, artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 95 van de Wet inrichting landelijk gebied, artikel 32 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b, 15 en 19, eerste lid, onderdeel a, van de Landbouwwet, artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de Wet op de economische delicten, de artikelen 8, achtste lid, 9, vijfde lid, 14, vierde lid, 22, tweede lid en 28a, tweede lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 9, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage16 oktober 2016De Staatssecretaris van Economische Zaken,M.H.P. vanDamIn deze regeling wordt verstaan onder:
- –
AERIUS Calculator: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied, beschikbaar op www.aerius.nl;
- –
AERIUS Monitor: applicatie, beschikbaar op www.aerius.nl, voor het tonen van gegevens over de gevoeligheid voor stikstof van habitats, de omvang van stikstofdepositie op die habitats in Natura 2000-gebieden en de relatie daartussen;
- –
CITES-basisverordening:verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);
- –
CITES-uitvoeringsverordening:verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);
- –
depositieruimte: in het register opgenomen ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied;
- –
gesloten pootring: individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;
- –
minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- –
Natura 2000-vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet;
- –
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet;
- –
register: stikstofdepositieregister, bedoeld in artikel 2.3, beschikbaar op www.aerius.nl;
- –
tracébesluit: tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet;
- –
Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);
- –
voor stikstof gevoelige habitat: voor stikstof gevoelig leefgebied voor vogelsoorten, natuurlijke habitat en habitat van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;
- –
Voor de vaststelling of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, afzonderlijk of in combinatie met plannen of andere projecten significante gevolgen kan hebben voor dat gebied door het veroorzaken van stikstofdepositie in het gebied op een voor stikstof gevoelige habitat, wordt de stikstofdepositie berekend met AERIUS Calculator versie 2020.
AERIUS Calculator wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op:
- a.
woningbouwprojecten, inclusief noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; en
- b.
de tracébesluiten voor de projecten:
- 1°.
A1/A28 Knooppunt Hoevelaken;
- 2°.
A4 Haaglanden – N14;
- 3°.
A6 Almere Buiten Oost – Lelystad;
- 4°.
A12/A27 Ring Utrecht;
- 5°.
A27 Houten – Hooipolder;
- 6°.
A58 Eindhoven – Tilburg;
- 7°.
A58 Sint Annabosch – Galder.
- 1°.
Er is een register waarin gegevens worden opgenomen over depositieruimte.
Een besluit waarbij een project wordt toegestaan, kan worden genomen met gebruikmaking van in het register opgenomen depositieruimte.
Het register wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.
De minister draagt er zorg voor dat depositieruimte in het register wordt opgenomen die ontstaat door de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de bronmaatregelen, bedoeld in artikel 2.4.
De minister neemt ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie als depositieruimte in het register op.
Bronmaatregelen als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, zijn:
- a.
de snelheidsverlaging voor de rijkswegen ingevolge het besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk RWS-2019/45657, Stcrt. 2019, 71032;
- b.
de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.
Op verzoek van een college van burgemeester en wethouders, van gedeputeerde staten of van het dagelijks bestuur van een waterschap kan de minister een maatregel van dat bestuursorgaan aanmerken als een bronmaatregel als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid.
Een bronmaatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt alleen in de berekening van de vermindering van stikstofdepositie betrokken:
- a.
als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;
- b.
voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en
- c.
als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de bronmaatregel verzekerd is.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Depositieruimte kan, behalve in een Natura 2000-vergunning, ook worden toegedeeld in:
- a.
een omgevingsvergunning;
- b.
een tracébesluit als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
Depositieruimte kan alleen worden toegedeeld in een besluit als bedoeld in het eerste lid.
Depositieruimte wordt eenmalig en voor onbepaalde tijd toegedeeld.
Depositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd.
Reservering of toedeling van depositieruimte is mogelijk voor zover daarvoor depositieruimte beschikbaar is.
De beschikbare depositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied is de in het register opgenomen depositieruimte voor die hectare, verminderd met de depositieruimte die tot dat moment met toepassing van artikel 2.10 is afgeschreven of met toepassing van artikel 2.8 of 2.9 is gereserveerd, en vermeerderd met de depositieruimte die tot dat moment met toepassing van artikel 2.10 is bijgeschreven.
De depositieruimte die ten behoeve van een project wordt gereserveerd of toegedeeld in verband met de toename van stikstofdepositie is gelijk aan de hoogste stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied die het project in een jaar kan veroorzaken.
Reservering van depositieruimte geschiedt door registratie van de reservering in het register door:
- a.
gedeputeerde staten voor woningbouwprojecten;
- b.
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor tracébesluiten als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
Een reservering vervalt als:
- a.
het bevoegd gezag een besluit heeft genomen op de betrokken aanvraag voor een Natura 2000-vergunning of een omgevingsvergunning;
- b.
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het tracébesluit heeft vastgesteld waarvoor hij depositieruimte had gereserveerd.
Gedeputeerde staten reserveren depositieruimte voor een woningbouwproject na de ontvangst van:
- a.
een aanvraag voor een Natura 2000-vergunning voor dat project;
- b.
de mededeling van een gemeente dat zij een aanvraag heeft ontvangen voor een omgevingsvergunning voor dat project.
Gedeputeerde staten beslissen over de reservering van depositieruimte voor woningbouwprojecten in de volgorde waarin de aanvragen van een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning voor deze projecten zijn ontvangen.
In afwijking van het tweede lid reserveren gedeputeerde staten:
- a.
gedurende de eerste twee weken na inwerkingtreding van dit artikel alleen depositieruimte voor woningbouwprojecten in de gemeenten, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
- b.
gedurende de derde tot en met zesde week na inwerkingtreding van dit artikel alleen depositieruimte voor projecten:
- 1°.
als bedoeld in onderdeel a; of
- 2°.
die betrekking hebben op de bouw van ten minste 100 woningen.
- 1°.
Gedeputeerde staten reserveren alleen depositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voornemens is om in een tracébesluit als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, depositieruimte toe te delen die verkregen is door de snelheidsverlaging voor de rijkswegen, reserveert hij die ruimte tijdelijk voor een periode van ten hoogste twee maanden. Hij kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen.
Voor zover dezelfde depositieruimte nodig is voor zowel een of meer woningbouwprojecten als een project als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, voeren de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, gedeputeerde staten van de provincies waar het tracé of een gedeelte daarvan ligt en de andere betrokken bestuursorganen overleg over een voorkeursvolgorde van de projecten.
Na het overleg kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de tijdelijke reservering omzetten in een definitieve reservering.
Voor woningbouwprojecten dragen gedeputeerde staten terstond zorg voor:
- a.
afschrijving in het register van depositieruimte die aan dat project is toegedeeld;
- b.
doorhaling van gereserveerde depositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een besluit is genomen op de betrokken aanvraag;
- c.
de bijschrijving in het register van depositieruimte die is vrijgevallen omdat:
- 1°.
de vergunning waarbij depositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is aangevangen;
- 2°.
de bouw- en aanlegfase waarvoor depositieruimte is toegedeeld, is afgerond;
- 1°.
- d.
omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als de vergunning is vernietigd.
Voor projecten als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat terstond zorg voor:
- a.
afschrijving in het register van depositieruimte die hij heeft toegedeeld;
- b.
doorhaling van gereserveerde depositieruimte als hij het betrokken tracébesluit heeft vastgesteld;
- c.
de bijschrijving in het register van depositieruimte die is vrijgevallen omdat de bouw- en aanlegfase waarvoor depositieruimte is toegedeeld, is afgerond;
- d.
omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als het tracébesluit is vernietigd.
Dit artikel is van toepassing op de monitoring voor de omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2030, bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid, van de wet.
De monitoring vindt plaats met behulp van AERIUS Monitor versie 2020.
Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien.
Van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van konijnen en vossen.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de handelingen, bedoeld in artikel 3.15, vijfde lid, van de wet.
De categorieën van schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, onderdeel c, van de wet, zijn de categorieën van schade als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, onderdeel b, en 3.15, zesde lid, onderdeel b, van de wet.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.
De handelingen waarvoor vrijstelling wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.
Als middelen als bedoeld in de artikelen 3.3, vijfde lid, onderdeel a, en 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:
- a.
geweren;
- b.
honden, niet zijnde lange honden, en
- c.
haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds.
Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:
- a.
het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels;
- b.
het vangen of doden met gebruikmaking van een akoestisch middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en
- c.
het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is.
Als middelen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden aangewezen:
- a.
geweren;
- b.
honden, niet zijnde lange honden;
- c.
haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds;
- d.
fretten;
- e.
kastvallen;
- f.
vangkooien, en
- g.
buidels.
Ter uitvoering van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, worden:
- a.
geen andere vangmiddelen of dodingsmiddelen gebruikt dan de in artikel 3.3, eerste, onderscheidenlijk derde lid, genoemde middelen;
- b.
aardhonden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus;
- c.
de in artikel 3.3, eerste en derde lid, aangewezen middelen, met uitzondering van fretten, kastvallen, vangkooien en buidels, niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de tweede pinksterdag, de eerste en tweede kerstdag, en de hemelvaartsdag.
Ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden geen andere methoden gebruikt dan de in artikel 3.3, tweede lid, genoemde methoden.
De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:
- a.
fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;
- b.
fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;
- c.
haas: van 15 oktober tot en met 31 december;
- d.
houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari;
- e.
konijn: van 15 augustus tot en met 31 januari;
- f.
wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.
Als organisaties als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage 2.
Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, derde lid, van de wet worden erkend het jachtexamen, het examen voor het gebruik van jachtvogels en het examen voor het gebruik van eendenkooien die worden afgenomen door de Stichting Jachtexamens.
Als gelijkwaardig aan erkende examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, en 3.30, derde lid, van de wet worden aangemerkt:
- a.
met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen;
- b.
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen;
- c.
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;
- d.
met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
- e.
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning;
- f.
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.
De kennis, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
- a.
ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°.
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, van het Besluit natuurbescherming;
- 2°.
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, van het Besluit natuurbescherming;
- 3°.
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
- 4°.
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 9° en 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 5°.
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
- 1°.
- b.
ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°.
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 2°.
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
- 1°.
De schietvaardigheid en vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, worden getoetst door middel van:
- a.
het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel;
- b.
het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste vijftig meter, en
- c.
het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.
Een jachtexamen is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd, indien degene die het examen aflegt:
- a.
van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
- b.
bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt;
- c.
bij het doen van schoten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ten minste drie treffers heeft die zijn gelegen binnen een cirkel van vijftien centimeter, en
- d.
weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt, heeft getoond.
De kennis, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
- a.
ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°.
vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
- 2°.
vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
- 3°.
tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
- 4°.
vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 5°.
vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
- 1°.
- b.
ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°.
tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 2°.
tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
- 1°.
De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.
Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:
- a.
van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
- b.
voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.
De kennis, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
- a.
ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°.
vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
- 2°.
vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
- 3°.
vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 4°.
vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
- 1°.
- b.
ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°.
tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
- 2°.
vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
- 1°.
Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.
Een jachtakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de korpschef verkrijgbaar is.
Een valkeniersakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verkrijgbaar is.
Een jachtakte of valkeniersakte kan in het geval, bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de wet namens de persoon voor wie de akte bestemd is, worden aangevraagd door een jachthouder die hem voor de jacht heeft uitgenodigd.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat vergezeld van twee goed gelijkende pasfoto's van degene voor wie de akte bestemd is.
Het model van de jachtakte, bedoeld in artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier, dat door de korpschef wordt gewaarmerkt door middel van een stempelafdruk en een handtekening voor de periode waarvoor de jachtakte wordt verleend.
Als modelformulier als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld het modelformulier, opgenomen in bijlage 3.
De jachtakte wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de akte is bestemd. Deze foto wordt door de korpschef door middel van een stempelafdruk gewaarmerkt.
Als model van de valkeniersakte, bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de wet, in samenhang met artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt vastgesteld het model, opgenomen in bijlage 4.
In afwijking van het tweede lid wordt voor de periode van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 vastgesteld het modelformulier, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling modellen en aanvraagformulieren jacht-, valkeniers- en kooikersakten, zoals deze gold op 31 december 2016, voorzien van een zegel als bedoeld in artikel 2 van die regeling.
Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
- a.
de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;
- b.
artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286), en
- c.
artikel 3, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).
Het is verboden in strijd te handelen met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening.
Ten aanzien van een plant van een in bijlage 5 genoemde soort kan degene die de plant uitvoert een fytosanitair certificaat aanvragen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het fytosanitaire certificaat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening.
In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de CITES-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is verleend overeenkomstig het tweede lid of dat is afgegeven door een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie.
De etiketten, bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, worden aangevraagd bij de minister. Een aanvraag wordt gedaan voor een minimum van 100 etiketten. De aanvrager zendt ongebruikte etiketten onverwijld terug naar de minister.
Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.
Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Eskimobevolking.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van een dode vogel of een ander dood dier, of producten daarvan.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien de vogel of het andere dier aantoonbaar is verkregen overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, 3.16, tweede of vierde lid, 3.17, eerste lid, of 3.18, eerste lid, van de wet.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier met een dierenambulance.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn, met het oog op het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben en vervoeren van een dode vogel met het oog op preparatie daarvan.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
- a.
de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, en
- b.
degene die de vogel onder zich heeft:
- 1°.
de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
- 2°.
de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
- 1°.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben van een geprepareerde vogel.
De vrijstelling, bedoeld in het derde lid, geldt uitsluitend, indien de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23, vierde en vijfde lid.
Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste en zesde lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of ten verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.6, eerste en tweede lid, van de wet, voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien:
- a.
de vogel, het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, en
- b.
ingeval de vogel, het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.
De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris).
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor onderscheidenlijk:
- a.
het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
- b.
het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, en
- c.
het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
Ingeval de vogel behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend, indien:
- a.
de vogel is voorzien van:
- 1°.
een gesloten pootring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.28 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.25;
- 2°.
een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, of
- 3°.
ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
- 1°.
- b.
ingeval het een levende vogel betreft die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en
- c.
ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.
Ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, niet zijnde een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
- a.
ingeval het een levende gefokte vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening:
- 1°.
ten aanzien van de vogel is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
- 2°.
is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en
- 3°.
de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
- 1°.
- b.
ingeval het een dode vogel, een product of een ei van een vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of
- c.
ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D, bij de CITES-basisverordening:
- 1°.
de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, en
- 2°.
ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.
- 1°.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een in artikel 1 van de Vogelrichtlijn bedoelde soort:
- a.
van het geslacht Cygnus, of
- b.
van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft, overeenkomstig artikel 3.30, eerste lid, van de wet gerechtigd is de vogel te gebruiken als jachtvogel.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben van een levende havik. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste of tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op het onder zich hebben, onderscheidenlijk verhandelen van een gefokte havik, wordt slechts verleend indien de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de havik in gevangenschap is gefokt.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van:
- a.
een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
- b.
een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan, of
- c.
een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
- a.
het dier of de plant:
- 1°.
aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of
- 2°.
als het een ongewerveld dier of een plant betreft, aantoonbaar in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, betreft, is voorzien van een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en
- 1°.
- b.
is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24;
- c.
als het een levend uit het wild afkomstig dier betreft van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-verordening, ten aanzien van het dier een administratie wordt bijgehouden. Artikel 3.27, derde lid, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.24 zijn van toepassing op de administratie, bedoeld in de vorige volzin.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing ten aanzien van levende dieren van de soorten:
- a.
Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);
- b.
Canadese lynx (Lynx canadensis);
- c.
caracal (Caracal caracal);
- d.
poema (Puma concolor);
- e.
roestkat (Prionailurus rubiginosus);
- f.
rode lynx (Lynx rufus);
- g.
jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);
- h.
leeuw (Panthera leo);
- i.
fretkat (Cryptoprocta ferox), en
- j.
behorende tot de orde van de primaten (Primates).
Onverminderd het tweede lid, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten aanzien van de aal (Anguilla anguilla) uitsluitend indien aantoonbaar is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het verhandelen van een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien het dier of de plant aantoonbaar:
- a.
in Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening, of
- b.
in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt.
Onverminderd artikel 3.2, eerste en zesde lid, van de wet, wordt aan een ieder vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben of verhandelen van een uit het wild afkomstige vogel, behorende tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van een levend dier.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien het dier:
- a.
aantoonbaar is verkregen:
- 1°.
in Nederland overeenkomstig een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.15, tweede of vierde lid, of 3.16, tweede of vierde lid, van de wet, een ontheffing als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de wet, een opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van de wet of op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de wet, of
- 2°.
buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, of
- 1°.
- b.
indien het een dood dier betreft, aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier met een dierenambulance.
Aan personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vijfde lid, wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier, met een dierenambulance of anders dan met een dierenambulance.
De in het tweede lid bedoelde personen zijn werkzaam binnen het werkgebied van de in het vijfde lid bedoelde organisatie, weergegeven op de kaart in bijlage 5a bij deze regeling, en beschikken aantoonbaar over:
- a.
kennis van:
- 1°.
gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
- 2°.
het beheer van de gewone en grijze zeehond;
- 3°.
de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn;
- 4°.
het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
- 1°.
- b.
bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
- a.
het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben en te verzorgen, en
- b.
indien het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend, indien het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan één van de volgende organisaties, indien zij bij de beslissing over het vangen, met het oog op het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage 5b, volgen, en indien zij krachtens de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen:
- a.
Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
- b.
Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
- c.
Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen;
- d.
Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen;
- e.
Stichting Zeehondenopvang Terschelling op West-Terschelling.
De gegevens, bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, zijn:
- a.
de soort waartoe de ter preparatie aangeboden vogel behoort;
- b.
het aantal ter preparatie aangeboden vogels;
- c.
de datum van ontvangst en aflevering van de ter preparatie aangeboden vogel;
- d.
de kennelijke doodsoorzaak van de ter preparatie aangeboden vogel;
- e.
de naam en het adres van degenen van wie de ter preparatie aangeboden vogel is ontvangen;
- f.
de naam en het adres van degenen aan wie de ter preparatie aangeboden vogel is afgeleverd, en
- g.
het nummer van het op de ter preparatie aangeboden vogel overeenkomstig artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, aangebrachte merkteken.
Degene die de vogel prepareert, verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de minister door middel van een elektronische melding in een door de minister aangeboden systeem.
Degene die de vogel prepareert geeft een wijziging in gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door aan de minister. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het doorgeven van een wijziging.
Een merkteken als bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming wordt door de minister verstrekt en is voorzien van de letters NL, gevolgd door de letters LNV en een uniek nummer.
Een merkteken als bedoeld in het vierde lid wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de minister verkrijgbaar is.
De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, bevat de volgende gegevens over de aldaar bedoelde dieren en planten:
- a.
de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;
- b.
de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;
- c.
de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;
- d.
het land van herkomst van het dier of de plant, indien dit afwijkt van onderdeel c;
- e.
het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende CITES-document;
- f.
de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;
- g.
de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;
- h.
het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende CITES-document;
- i.
de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;
- j.
gegevens over de soort en de code van de merktekens;
- k.
de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant;
- l.
de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant.
De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming:
- a.
is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;
- b.
wordt gevoerd op een wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken, en
- c.
wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren op planten als bedoeld in het eerste lid.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de documenten, bedoeld in het tweede lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaren na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.
Voor de soorten, genoemd in bijlage 6, heeft een pootring als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming een maximale diameter als in de bijlage bij die soort genoemd.
In afwijking van het eerste lid kan de pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage 6 vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag noodzakelijk is.
Een pootring als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende eisen:
- a.
ringen met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt;
- b.
ringen met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt.
In afwijking van het derde lid kunnen ringen voor papegaaiachtigen en roofvogels vervaardigd zijn van roestvrij staal.
Een pootring als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een kleurlaag, die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht, verschillend is.
De aanvrager brengt een pootring als bedoeld in het eerste lid uitsluitend aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de ring heeft aangevraagd.
Een aanvrager is niet gerechtigd een pootring als bedoeld in het eerste lid aan derden te verschaffen.
Als rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van het Besluit natuurbescherming die zijn belast met de uitgifte van gesloten pootringen zijn aangewezen de in bijlage 7 genoemde organisaties.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken uitsluitend gesloten pootringen:
- a.
waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 3.25, en
- b.
die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de ring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.
Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door één van de organisaties, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, geven geen pootring uit, indien:
- a.
niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een pootring aanvraagt, fokt, of
- b.
het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 3.25, zesde of zevende lid.
De aanvrager vermeldt in zijn aanvraag per soort hoeveel ringen hij aanvraagt. De hoeveelheid ringen staat in verhouding tot de te verwachten nakweek.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld automatiseringssysteem. In de administratie worden de volgende gegevens opgenomen:
- a.
de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;
- b.
bij gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening, het aantal verstrekte gesloten pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4 per soort en het aantal ouderparen;
- c.
bij gefokte vogels behorende tot andere soorten dan bedoeld in onderdeel b, het aantal verstrekte pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid;
- d.
de datum van toekenning van de gesloten pootringen, en
- e.
de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.
De administratie, bedoeld in het zevende lid, wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaren.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister desgevraagd, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie met betrekking tot de afgifte van gesloten pootringen.
Als douanekantoren als bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen:
- a.
voor levende dieren:
- 1°.
Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
- 2°.
Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Luchthaven Schiphol;
- 3°.
Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
- 4°.
Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte);
- 5°.
Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam, en
- 1°.
- b.
voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.
Indien voor dieren dan wel producten, nesten of eieren van dieren, behorende tot soorten als bedoeld in het eerste lid, veterinaire voorschriften gelden, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die voor de betrokken dieren of producten, nesten of eieren daarvan als inspectiepost aan de grens zijn erkend ingevolge richtlijn 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268) of richtlijn 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24).
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 8 aangewezen diersoorten voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten tezamen met de in het eerste lid bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten, met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.
Als voorschrift als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet wordt aangewezen artikel 7, eerste lid, aanhef in samenhang met de onderdelen a, b, c, d, e, f, g of h, van de Verordening uitheemse invasieve soorten.
Van het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.29 van deze regeling, wordt, voor zover het betreft de handelingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, d, e en f, van de Verordening uitheemse invasieve soorten, vrijstelling verleend als beheersmaatregel als bedoeld in artikel 19 van de Verordening uitheemse invasieve soorten voor handelingen met dieren van de volgende soorten:
- a.
de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);
- b.
de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);
- c.
de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);
- d.
de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);
- e.
de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia), en
- f.
de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).
De vrijstelling wordt slechts verleend voor:
- a.
bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen, en
- b.
handelingen als bedoeld in onderdeel a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig de in die lidstaten geldende wetgeving.
Aan de vrijstelling zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:
- a.
degene die de in het tweede lid, onder a, bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat:
- 1°.
alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;
- 2°.
alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;
- 3°.
het schoonmaken, het beheren van afval en het onderhoud van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd;
- 4°.
voorkomen wordt dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen, en
- 1°.
- b.
degene die de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften.
Als passende maatregel als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderdelen 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.
Als invasieve uitheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen de soorten, genoemd in bijlage 10.
Gedeputeerde staten brengen uiterlijk op 1 juni 2019, en daarna telkens na zes jaar aan de Minister een rapportage uit over de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, ten aanzien van de in bijlage 10 genoemde soorten.
Deze rapportage bevat informatie voor het gehele provinciale grondgebied over:
- a.
de aard en de doeltreffendheid van de op grond van artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming genomen maatregelen, alsmede de gevolgen van deze maatregelen voor niet-doelsoorten;
- b.
de maatregelen die zijn genomen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en over andere acties die burgers verzocht worden te ondernemen, en
- c.
indien beschikbaar, de kostprijs van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen die zijn genomen om aan de Verordening invasieve uitheemse soorten te voldoen.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het onder zich hebben, het voorhanden hebben of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, voor niet-commerciële doeleinden.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, indien deze handelingen plaatsvinden in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wet in samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen en in bezit hebben van een dode plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of dode delen of dode producten van een plant van die soort.
Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:
- a.
degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
- b.
degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan het in onderdeel a bedoelde voorschrift.
Als passende maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, ten aanzien dieren en planten van de in bijlage 11 aangewezen soorten, indien het betreft handelingen in het kader van:
- a.
bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- b.
bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
- c.
bestendig gebruik, of
- d.
de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, voor zover de in de onderdelen a tot en met d genoemde handelingen onderdeel zijn van een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van handelingen.
De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de gebieden, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming.
De faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, stelt voor de in dat lid bedoelde gebieden een faunabeheerplan op, dat ten minste de volgende gegevens bevat:
- a.
de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
- b.
een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;
- c.
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
- d.
een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;
- e.
een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen zijn geschaad in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan;
- f.
de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;
- g.
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken;
- h.
per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
- i.
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
- j.
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
- k.
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;
- l.
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.
Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren.
De jachthouder van de gebieden, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, is uitgezonderd van artikel 3.14, eerste lid, van de wet.
Als voorschriften als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
- a.
artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);
- b.
de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).
In afwijking van artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), wordt de aldaar bedoelde vergunning ingediend ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.
De melding, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, vindt voor de categorieën van handelingen en projecten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, plaats door het zenden aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een door hem beschikbaar gesteld formulier.
Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezonden ten minste één maand doch niet langer dan één jaar voor het moment van de voorgenomen velling van de houtopstand.
Indien een houtopstand wordt geveld in het kader van een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, kan de minister een ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet verlenen indien:
- a.
de grond die de eigenaar wil beplanten gelegen is in hetzelfde gebied als dat waar zich de gevelde houtopstand bevond;
- b.
de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;
- c.
de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;
- d.
de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern;
- e.
de belangen in verband met de bodemproductie niet worden geschaad.
De gebieden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:
- a.
gebied 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe;
- b.
gebied 2: de provincie Overijssel met uitzondering van de Noordoostpolder en de provincies Gelderland en Utrecht;
- c.
gebied 3: de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en de IJsselmeerpolders;
- d.
gebied 4: de provincies Noord-Brabant en Limburg.
Aan een ieder die een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming uitvoert, wordt vrijstelling verleend van de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend indien:
- a.
de houtopstand niet ter voldoening aan artikel 4.3, eerste lid, van de wet is aangelegd;
- b.
voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier zijn gemeld bij de minister en de minister de ontvangst van de melding heeft bevestigd;
- c.
het bos binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel wordt geveld.
De minister stelt het modelformulier voor de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vast. Het modelformulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.
Voor de behandeling van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
- a.
indien de vergunning voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 800,–;
- b.
indien de vergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900,–;
- c.
indien de vergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500,–.
Voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
- a.
indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 600,–;
- b.
indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600,–;
- c.
indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000,–.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,–.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
- a.
voor de herintroductie van een soort: € 1.600,–;
- b.
voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,–.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,–.
In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het bepaalde in artikel 3.24, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit natuurbescherming ten aanzien van levende dieren door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,–, onderscheidenlijk € 600,–.
Voor de goedkeuring van een gedragscode als bedoeld in de artikelen 3.31, eerste lid, of 4.4, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 3.000,–.
In afwijking van het eerste en tweede lid, worden voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in het eerste lid of van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
- a.
indien de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: geen;
- b.
indien de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25 procent van de vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, en het tweede lid, onderdelen a, b of c, voor zover het een aldaar bedoeld vergunning of ontheffing betreft.
In afwijking van het eerste en achtste lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, van de wet van de verboden als bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid, onderscheidenlijk 3.6, tweede lid, van de wet, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 60,–.
De vergoeding die de minister in rekening brengt aan de aanvrager voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een valkeniersakte, bedraagt voor:
- a.
de uitgifte van een akte: € 65,–;
- b.
een duplicaat van een akte: € 30,–.
De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte valkeniersakten, worden niet gerestitueerd.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten worden door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
- a.
een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
- b.
een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
- c.
een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;
- d.
een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60,–;
- e.
een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de CITES-basisverordening: € 40,–;
- f.
een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de CITES-basisverordening: € 15,–;
- g.
een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–;
- h.
een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,–;
- i.
een certificaat voor reizende tentoonstellingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,–;
- j.
een etiket als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 0,25;
- k.
een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van merktekens als bedoeld in artikel 3.23, vierde lid, wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 1,– per merkteken.
Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in de artikelen 8, zesde lid, en 9, zesde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten wordt door de Minister, indien de aanvraag niet gelijktijdig geschiedt met de aanvraag tot afgifte van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet, de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.
De aan erkende organisaties door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend.
De erkende organisaties kunnen de in het eerste lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1,– per ring.
Gesloten pootringen worden niet uitgereikt dan na voldoening van de som van in het eerste en tweede lid bepaalde bedragen.
De vergoeding van kosten voor het verstrekken van een jachtakte bedraagt voor:
- a.
de uitgifte van een jachtakte: € 192,65 als het onderzoek, bedoeld in artikel 48a van de Regeling wapens en munitie, deel uitmaakt van de aanvraag; in andere gevallen € 138,20;
- b.
de uitgifte van een jachtakte voor de periode aansluitend op de periode waarvoor een jachtakte was uitgegeven: € 68,20;
- c.
het wijzigen van een jachtakte: € 30,–;
- d.
het vervangen als gevolg van verlies van een jachtakte: € 30,–;
- e.
een duplicaat van een jachtakte: € 30,–.
De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte akten, worden niet gerestitueerd.
De vergoeding van kosten voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn voor dat deel van de combinatie waarvoor de hoogste vergoeding geldt.
Een ontheffing, vergunning, akte, document of merkteken als bedoeld in de artikelen 5.1 of 5.2 wordt niet afgegeven dan na voldoening van de in bedoelde artikelonderdelen genoemde vergoedingen van kosten of nadat zekerheid tot betaling is gesteld.
Indien ter uitvoering van een door de minister op grond van artikel 7.4 van de wet genomen besluit een ontheffing of document benodigd is, kan de minister in afwijking van de artikelen 5.1 en 5.2 van deze regeling bepalen dat geen vergoeding van kosten in rekening wordt gebracht.
Als ambtenaren als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
- a.
de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en
- b.
de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met uitzondering van de ambtenaren, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Wijzigt de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.
Wijzigt de Regeling groenprojecten 2010.
Wijzigt de Regeling herverkaveling.
Wijzigt de Regeling houders van dieren.
Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.
Wijzigt de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten.
Wijzigt de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit.
Wijzigt de Toekenning opsporingsbevoegdheid Flora- en Faunawet aan buitengewoon opsporingsambtenaren.
Wijzigt de Regeling wapens en munitie.
Wijzigt de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
Wijzigt de Uitvoeringsregeling visserij.
Wijzigt de Vrijstellingsregeling plantenresten.
Artikel 2.1 is niet van toepassing op:
- a.
een besluit op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;
- b.
projecten, plannen en andere handelingen als bedoeld in 5.13, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming.
Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk 3.30, derde lid, van de wet worden erkend de krachtens artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de Flora- en faunawet en artikel 13a, eerste lid, van de Jachtwet erkende jachtexamens voor de jacht met het geweer, de jacht met jachtvogels, onderscheidenlijk de jacht met de eendenkooi.
Als het met goed gevolg hebben afgelegd van het jachtexamen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, het examen voor het gebruik van jachtvogels, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, en het examen voor het gebruik van eendenkooien, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt erkend het bezit in enig jaar in de periode van 1 januari 1977 tot 1 april 2002 van een geldige jachtakte als bedoeld in de Jachtwet of een geldige vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936 inzake haviken of slechtvalken.
Als personen als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming zijn aangewezen de personen die op 31 december 2016 waren aangewezen in artikel 1a van de Regeling erkenning jachtexamen en preparateursexamen Flora- en faunawet.
Het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet geldt niet ten aanzien van het voorschrift, bedoeld in artikel 3.29 van deze regeling, voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas’ eekhoorn (Callosciurus erythraeus), indien de houder op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aantoonbaar voldeed aan het bepaalde in artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.
Een ring die of een ander merkteken dat rechtmatig is aangebracht vóór de inwerkingtreding van deze regeling en, voorzover van toepassing, in overeenstemming is met de basisverordening en de uitvoeringsverordening wordt beschouwd als een ring of merkteken als bedoeld in deze regeling.
Archiefbescheiden van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende een bevoegdheid tot het nemen van een besluit met betrekking tot projecten of handelingen die op grond van de wet wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project of de handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling natuurbescherming.
De gemeenten, bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onderdeel a, zijn:
Aalsmeer
Albrandswaard
Almere
Amstelveen
Amsterdam
Arnhem
Barendrecht
Beemster
Berg en Dal
Best
Beuningen
Beverwijk
Blaricum
Bloemendaal
Brielle
Bunnik
Capelle aan den IJssel
De Bilt
De Ronde Venen
Delft
Den Haag
Diemen
Doesburg
Dordrecht
Druten
Duiven
Edam-Volendam
Eindhoven
Geldrop-Mierlo
Gooise Meren
Groningen
Haarlem
Haarlemmermeer
Heemskerk
Heemstede
Hellevoetsluis
Helmond
Heumen
Hilversum
Houten
Huizen
IJsselstein
Krimpen aan den IJssel
Landsmeer
Lansingerland
Laren
Leiden
Leidschendam-Voorburg
Lelystad
Lingewaard
Lopik
Maassluis
Midden-Delfland
Montferland
Montfoort
Mook en Middelaar
Nieuwegein
Nijmegen
Nissewaard
Nuenen
Oirschot
Oostzaan
Ouder-Amstel
Oudewater
Overbetuwe
Pijnacker-Nootdorp
Purmerend
Renkum
Rheden
Ridderkerk
Rijswijk
Rotterdam
Rozendaal
Schiedam
Son en Breugel
Stichtse Vecht
Uitgeest
Uithoorn
Utrecht
Utrechtse Heuvelrug
Veldhoven
Velsen
Vijfheerenlanden
Vlaardingen
Waalre
Wassenaar
Waterland
Weesp
Westervoort
Westland
Westvoorne
Wijchen
Wijdemeren
Wijk bij Duurstede
Woerden
Wormerland
Zaanstad
Zandvoort
Zeist
Zevenaar
Zoetermeer
- a.
Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland;
- b.
LandschappenNL;
- c.
Stichting het Gooisch Natuurreservaat;
- d.
Stichting Marke Vragenderveen;
- e.
G.A. van der Lugtstichting;
- f.
Stichting Edwina van Heek;
- g.
Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe;
- h.
Staatsbosbeheer;
- i.
Staat der Nederlanden, voor zover het betreft de militaire luchthavens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit militaire luchthavens;
- j.
Stichting Huis Deelerwoud;
- k.
Stichting Landgoed Windesheim;
- l.
Heerlijkheid Mariënwaerdt BV.
- −
Apocynaceae: Pachypodium spp.
- −
Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
- −
Droseraceae: Dionaea muscipula
- −
Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
- −
Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
- −
Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
- −
Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum
- −
Sarraceniaceae: de soorten, genoemd in bijlage B van CITES-basisverordening
Situatie | Gemaakte afspraak over hoe te handelen |
verstrikte en gewonde dieren | Directe hulp bieden aan verwonde en verstrikte dieren (buiten de gesloten natuurgebieden, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming) bestaande uit: – (Medische) hulp ter plaatse en eventueel verplaatsen – Opname – Euthanasie (indien geringe kans op herstel) |
zogende pups zonder moeder nabij | 24 uur observatie en zorgen voor rust rondom pup zodat moeder kan terugkomen. Eerder dan 24 uur opvangen als: – de pup op een lastige of gevaarlijke plek ligt en/of – er te veel omstanders zijn die commotie geven en er geen mogelijkheden zijn om de lig plek van de zeehond af te zetten of via handhaving de commotie op te lossen. In geval van eerdere opname dan 24 uur: goede administratie van proces en redenen. |
gespeende zeehonden: | Zorgen voor rust rondom het dier (voorkeur) (30 tot liefst 50 meter). Dier verplaatsen naar rustige plek in geval er te veel omstanders zijn. (Geen opname gespeende zeehonden, ook niet als er sprake is van gewichtsverlies) |
matig zieke dieren | 24 uur observatie voor matig zieke of verzwakte dieren om te bezien of de dieren zich op een natuurlijk wijze kunnen hervatten. Zo nodig rust maken op de vindplek of dier verplaatsen naar rustige plek. Pas na 24 uur overgaan tot opname als duidelijk is dat herstel niet zonder interventie gaat plaatsvinden Eerder opnemen in de volgende gevallen: – het dier op een lastige of gevaarlijke plek ligt. – het dier bij nadere bepaling toch ernstig ziek of verzwakt blijkt te zijn (zie 'ernstig zieke dieren'). – er teveel omstanders zijn die commotie geven en handhaving of afzetting/verplaatsing geen optie is – ondragelijk en zinloos lijden (dan euthanasie) – er besmettingsgevaar voor dieren of mensen (zoönosen) is. In geval van eerdere opname dan 24 uur: goede administratie van proces en redenen. |
ernstig zieke dieren | Directe opname ernstig zieke, ondervoede of verzwakte dieren voor behandeling (of in geval er geringe kans is op herstel – voor euthanasie) in het zeehondencentrum. |
In gesloten natuurgebieden (op grond van art.2.5 eerste lid van de Wet natuurbescherming) | Geen hulp of opvang is het vaste uitgangspunt Indien nodig kunnen LNV en de Kustprovincies op grond van de relevante wet- en regelgeving de eigen bevoegdheden uitoefenen om hulp te bieden aan gewonde of verstrikte dieren. De desbetreffende bevoegde Partij draagt in de gesloten gebieden de verantwoordelijkheid voor de communicatie met het publiek. |
Wetenschappelijke naam | Nederlandse naam | mm |
Accipiter brevipes | Balkansperwer | 10,0 |
Accipiter gentilis (m) | Havik | 12,0 |
Accipiter gentilis (vr) | Havik | 14,0 |
Accipiter nisus (m) | Sperwer | 7,0 |
Accipiter nisus (vr) | Sperwer | 8,0 |
Acrocephalus arundinaceus | Grote karekiet | 3,5 |
Acrocephalus dumetorum | Struikrietzanger | 2,7 |
Acrocephalus melanopogon | Zwartkoprietzanger | 2,7 |
Acrocephalus paludicola | Waterrietzanger | 2,5 |
Acrocephalus palustris | Bosrietzanger | 2,6 |
Acrocephalus schoenobaenus | Rietzanger | 2,7 |
Acrocephalus scirpaceus | Kleine karekiet | 2,6 |
Aegithalos caudatus | Staartmees | 2,1 |
Aegolius funereus | Ruigpootuil | 8,0 |
Aegypius monachus | Monniksgier | 28,0 |
Alauda arvensis | Veldleeuwerik | 3,5 |
Alca torda | Alk | 9,0 |
Alcedo atthis | IJsvogel | 3,5 |
Alectoris barbara | Barbarijse patrijs | 9,0 |
Alectoris chukar | Aziatische steenpatrijs | 9,0 |
Alectoris graeca | Steenpatrijs | 9,0 |
Alectoris rufa | Rode patrijs | 9,0 |
Amazona arausiaca | Roodkeelamazone | 12,0 |
Amazona auropalliata | Geelnek amazone | 11,0 |
Amazona auropalliata caribaea | Caribische amazone | 11,0 |
Amazona auropalliata parvipes | Kleine geelnekamazona | 10,0 |
Amazona barbadensis | Geelvleugelamazone | 10,0 |
Amazona brasiliensis | Roodstaartamazone | 10,0 |
Amazona finschi | Finsch (Blauwkop) amazone | 11,0 |
Amazona guildingii | Koningsamazone | 12,0 |
Amazona imperialis | Keizeramazone | 14,0 |
Amazona leucocephala | Cubaanse amazone | 11,0 |
Amazona oratrix | Dubbele geelkopamazone | 11,0 |
Amazona oratrix belizensis | Belize amazone | 11,0 |
Amazona oratrix tresmariae | 10,0 | |
Amazona pretrei | Roodbrilamazone | 11,0 |
Amazona rhodocorytha | Roodkruinamazone | 11,0 |
Amazona tucumana | Tucuman amazone | 10,0 |
Amazona versicolor | Sint Lucia amazone | 11,0 |
Amazona vinacea | Wijnkleurige amazone | 11,0 |
Amazona viridigenalis | Groenwangamazone | 11,0 |
Amazona vittata | Portoricaanse amazone | 10,0 |
Anas acuta | Pijlstaart | 10,0 |
Anas americana | Amerikaanse smient | 9,0 |
Anas clypeata | Slobeend | 9,0 |
Anas crecca | Wintertaling | 7,0 |
Anas discors | Blauwvleugeltaling | 8,0 |
Anas falcata | Bronskopeend/bronskoptaling | 10,0 |
Anas formosa | Siberische taling/Baikaltaling | 8,0 |
Anas penelope | Smient | 9,0 |
Anas platyrhynchos | Wilde eend | 12,0 |
Anas rubripes | Zwarte eend | 12,0 |
Anas strepera | Krakeend | 10,0 |
Anodorhynchus glaucus | Blauwgrijze Ara | 12,0 |
Anodorhynchus hyacinthinus | Hyacinthara | 14,0 |
Anodorhynchus leari | Lears hyacinthara | 12,0 |
Anser albifrons | Kolgans | 16,0 |
Anser anser | Grauwe gans | 20,0 |
Anser brachyrhynchus | Kleine rietgans | 16,0 |
Anser caerulescens | Sneeuwgans | 16,0 |
Anser erythropus | Dwerggans | 14,0 |
Anser fabalis | Rietgans | 18,0 |
Anser rossii | Ross’ Gans | 14,0 |
Anthus bertheloti | Berthelots pieper | 2,7 |
Anthus campestris | Duinpieper | 2,7 |
Anthus cervinus | Roodkeelpieper | 2,7 |
Anthus petrosus | Oeverpieper | 2,8 |
Anthus pratensis | Graspieper | 2,7 |
Anthus richardi | Grote pieper | 2,7 |
Anthus spinoletta | Waterpieper | 2,8 |
Anthus trivialis | Boompieper | 2,8 |
Apus affinis | Huisgierzwaluw | 2,6 |
Apus apus | Gierzwaluw | 4,0 |
Aquila adalberti | Spaanse keizerarend | 24,0 |
Aquila chrysaetos | Steenarend | 28,0 |
Aquila clanga | Bastaardarend | 20,0 |
Aquila heliaca | Keizerarend | 24,0 |
Aquila nipalensis | Aziatische steppearend | 20,0 |
Aquila pomarina | Schreeuwarend | 20,0 |
Ara ambigua | Buffons ara | 14,0 |
Ara glaucogularis | Blauwkeelara | 12,0 |
Ara macao | Geelvleugel ara | 14,0 |
Ara militaris | Soldaten ara | 14,0 |
Ara rubrogenys | Roodwangara | 12,0 |
Ardea cinerea | Blauwe reiger | 14,0 |
Ardea herodias | Grote blauwe reiger | 20,0 |
Ardea purpurea | Purperreiger | 14,0 |
Ardeola ralloides | Ralreiger | 16,0 |
Arenaria interpres | Steenloper | 4,5 |
Asio capensis | Afrikaanse velduil | 12,0 |
Asio flammeus | Velduil | 12,0 |
Asio otus | Ransuil | 10,0 |
Athene noctua | Steenuil | 8,0 |
Aythya affinis | Kleine toppereend | 9,0 |
Aythya americana | Amerikaanse tafeleend | 10,0 |
Aythya collaris | Ringsnaveleend | 9,0 |
Aythya ferina | Tafeleend | 10,0 |
Aythya fuligula | Kuifeend | 9,0 |
Aythya innotata | Madagascar witoogeend | 11,0 |
Aythya marila | Toppereend | 10,0 |
Aythya valisineria | Grote tafeleend | 11,0 |
Balearica pavonina | Zwarte kroonkraanvogel | 18,0 |
Bombycilla cedrorum | Amerikaanse pestvogel | 4,0 |
Bombycilla garrulus | Pestvogel | 4,0 |
Bonasa bonasia | Hazelhoen | 10,0 |
Botaurus stellaris | Roerdomp | 14,0 |
Branta bernicla | Rotgans | 12,0 |
Branta canadensis | Canadese gans | 20,0 |
Branta canadensis leucopareia | Canadese gans van de Aleoeten | 13,0 |
Branta leucopsis | Brandgans | 14,0 |
Bubo bubo | Oehoe | 24,0 |
Bubulcus ibis | Koereiger | 11,0 |
Bucephala albeola | Buffelkopeend | 8,0 |
Bucephala clangula | Brilduiker | 10,0 |
Bucephala islandica | IJslandse brilduiker | 11,0 |
Burhinus oedicnemus | Griel | 8,0 |
Buteo buteo | Buizerd | 13,0 |
Buteo lagopus | Ruigpootbuizerd | 14,0 |
Buteo rufinus | Arendbuizerd | 16,0 |
Cacatua goffini | Goffins kakatoe | 10,0 |
Cacatua sulphurea | Kleine geelkuifkaketoe | 10,0 |
Cacatua sulphurea citrinocristata | Oranjekuifkaketoe | 12,0 |
Cacatua moluccensis | Molukken kakatoe | 14,0 |
Cairina scutulata | Witvleugeleend | 16+14 |
Calandrella brachydactyla | Kortteenleeuwerik | 3,5 |
Calandrella rufescens | Kleine kortteenleeuwerik | 3,5 |
Calcarius lapponicus | IJsgors | 2,9 |
Calidris alba | Drieteenstrandloper | 3,5 |
Calidris alpina | Bonte strandloper | 4,0 |
Calidris canutus | Kanoetstrandloper | 5,0 |
Calidris ferruginea | Krombekstrandloper | 4,0 |
Calidris maritima | Paarse strandloper | 4,0 |
Calidris minuta | Kleine strandloper | 3,0 |
Calidris temminckii | Temmincks strandloper | 3,0 |
Caloenas nicobarica | Manenduif | 10,0 |
Calonectris diomedea | Kuhls pijlstormvogel | 10,0 |
Caprimulgus europaeus | Nachtzwaluw | 4,0 |
Carduelis cannabina | Kneu | 2,5 |
Carduelis carduelis | Putter (Groot) | 2,7 |
Carduelis carduelis | Putter (Klein) | 2,5 |
Carduelis chloris | Groenling | 3,0 |
Carduelis flammea | Barmsijs (Groot) | 2,7 |
Carduelis flammea | Barmsijs (Klein) | 2,5 |
Carduelis flavirostris | Frater | 2,5 |
Carduelis hornemanni | Witstuitbarmsijs | 2,5 |
Carduelis spinus | Sijs | 2,5 |
Carpodacus erythrinus | Roodmus | 2,9 |
Casmerodius albus | Grote zilverreiger | 16,0 |
Catharacta skua | Grote jager | 14,0 |
Cepphus grylle | Zwarte zeekoet | 10,0 |
Cercotrichas galactotes | Rosse waaierstaart | 2,9 |
Certhia brachydactyla | Boomkruiper | 2,2 |
Certhia familiaris | Taiga boomkruiper | 2,3 |
Cettia cetti | Cetti’s zanger | 2,7 |
Charadrius alexandrinus | Strandplevier | 3,5 |
Charadrius dubius | Kleine plevier | 3,5 |
Charadrius hiaticula | Bontbekplevier | 4,0 |
Charadrius leschenaultii | Woestijnplevier | 6,0 |
Chersophilus duponti | Duponts leeuwerik | 3,2 |
Chlamydotis undulata | Kraagtrap | 14,0 |
Chlidonias hybridus | Witwangstern | 4,0 |
Chlidonias leucopterus | Witvleugelstern | 4,0 |
Chlidonias niger | Zwarte stern | 4,0 |
Chondestes grammacus | Roodoorgors | 2,7 |
Ciconia ciconia | Ooievaar | 18,0 |
Ciconia nigra | Zwarte ooievaar | 18,0 |
Cinclus cinclus | Waterspreeuw | 4,5 |
Circaetus gallicus | Slangearend | 18,0 |
Circus aeruginosus (M) | Bruine kiekedief | 9,0 |
Circus aeruginosus (V) | Bruine kiekedief | 11,0 |
Circus cyaneus | Blauwe kiekedief | 12,0 |
Circus macrourus | Steppekiekedief | 12,0 |
Circus pygargus | Grauwe kiekedief | 12,0 |
Cisticola juncidis | Gewone graszanger | 2,5 |
Clamator glandarius | Kuifkoekoek | 6,5 |
Clangula hyemalis | IJseend | 9,0 |
Coccothraustes coccothraustes | Appelvink | 3,5 |
Columba bollii | Bolles laurierduif | 9,0 |
Columba junoniae | Laurierduif | 9,0 |
Columba oenas | Holenduif | 7,0 |
Columba palumbus | Houtduif | 8,0 |
Columba trocaz | Trocazduif | 7,0 |
Coracias garrulus | Scharrelaar | 6,5 |
Corvus corax | Raaf | 14,0 |
Corvus corone | Kraai | 9,0 |
Corvus frugilegus | Roek | 9,0 |
Corvus monedula | Kauw | 6,5 |
Coturnix coturnix | Kwartel | 5,0 |
Crax alberti | Blauwknobbelhokko | 20,0 |
Crex crex | Kwartelkoning | 6,0 |
Cuculus canorus | Koekoek | 5,0 |
Cyanopica cyana | Blauwe ekster | 6,5 |
Cyanopsitta spixii | Spix’s ara | 8,0 |
Cyanoramphus forbesi | Geelvoorhoofdkakariki | 5,4 |
Cyclopsitta diophthalma | Coxens dubbeloogvijgpapegaai | 5,0 |
Cygnus columbianus | Fluitzwaan/kleine zwaan | 27,0 |
Cygnus cygnus | Wilde zwaan | 27,0 |
Cygnus olor | Knobbelzwaan | 26,0 |
Delichon urbica | Huiszwaluw | 2,9 |
Dendrocopos leucotos | Witrugspecht | 4,0 |
Dendrocopos major | Grote bonte specht | 4,0 |
Dendrocopos medius | Middelste bonte specht | 4,0 |
Dendrocopos minor | Kleine bonte specht | 3,5 |
Dendrocopos syriacus | Syrische bonte specht | 4,0 |
Dryocopus martius | Zwarte specht | 6,5 |
Ducula mindorensis | Mindoro muskaatduif | 10,0 |
Egretta garzetta | Kleine zilverreiger | 12,0 |
Elanus caeruleus | Grijze wouw | 12,0 |
Emberiza aureola | Wilgegors | 2,9 |
Emberiza bruniceps | Bruinkopgors | 2,7 |
Emberiza caesia | Bruinkeelortolaan | 2,9 |
Emberiza cia | Grijze gors | 2,9 |
Emberiza cirlus | Cirlgors | 2,9 |
Emberiza citrinella | Geelgors | 2,9 |
Emberiza hortulana | Ortolaan | 2,9 |
Emberiza leucocephalos | Witkopgors | 2,9 |
Emberiza melanocephala | Zwartkopgors | 2,9 |
Emberiza pallasi | Pallas’rietgors | 2,3 |
Emberiza pusilla | Dwerggors | 2,7 |
Emberiza rustica | Bosgors | 2,9 |
Emberiza schoenclus | Rietgors | 2,7 |
Emberiza striolata | Huisgors | 2,7 |
Eos histrio | Diadeemlori | 7,0 |
Eremophila alpestris | Strandleeuwerik | 3,4 |
Erithacus rubecula | Roodborst | 2,7 |
Eudromias morinellus | Morinelplevier | 5,0 |
Eunymphicus cornutus | Hoornparkiet | 5,5 |
Eunymphicus uvaeensis | Ouvea-hoornparkiet | 5,5 |
Falco biarmicus (m) | Lannervalk | 12,0 |
Falco biarmicus (vr) | Lannervalk | 14,0 |
Falco cherrug (m) | Sakervalk | 14,0 |
Falco cherrug (vr) | Sakervalk | 15,0 |
Falco columbarius | Smelleken | 9,0 |
Falco eleonorae | Eleonora’s valk | 11,0 |
Falco naumanni | Kleine torenvalk | 9,0 |
Falco pelegrinoides (m) | Barbarijse valk | 11,0 |
Falco pelegrinoides (vr) | Barbarijse valk | 13,0 |
Falco peregrinus (m) | Slechtvalk | 12,0 |
Falco peregrinus (vr) | Slechtvalk | 14,0 |
Falco rusticolus (m) | Giervalk | 14,0 |
Falco rusticolus (vr) | Giervalk | 15,0 |
Falco sparverius | Amerikaanse torenvalk | 7,0 |
Falco subbuteo | Boomvalk | 9,0 |
Falco tinnunculus | Torenvalk | 9,0 |
Falco vespertinus | Roodpootvalk | 9,0 |
Ficedula albicollis | Withalsvliegenvanger | 2,5 |
Ficedula hypoleuca | Bonte vliegenvanger | 2,5 |
Ficedula parva | Kleine vliegenvanger | 2,5 |
Ficedula semitorquata | Balkanvliegenvanger | 2,7 |
Francolinus francolinus | Halsband- of zwarte frankolijn | 9,0 |
Fratercula arctica | Papegaaiduiker | 8,0 |
Fringilla coelebs | Vink | 2,7 |
Fringilla montifringilla | Keep | 2,7 |
Fringilla teydea | Blauwe vink | 3,2 |
Fulica atra | Meerkoet | 11,0 |
Fulica cristata | Knobbelmeerkoet | 12,0 |
Fulmarus glacialis | Noordse stormvogel | 10,0 |
Galerida cristata | Kuifleeuwerik | 3,4 |
Galerida theklae | Theklaleeuwerik | 3,2 |
Gallinago gallinago | Watersnip | 4,5 |
Gallinago media | Poelsnip | 4,0 |
Gallinula chloropus | Waterhoen | 8,0 |
Garrulus glandarius | Vlaamse gaai | 6,0 |
Gavia arctica | Parelduiker | 18,0 |
Gavia immer | IJsduiker | 14,0 |
Gavia stellata | Roodkeelduiker | 18,0 |
Geronticus eremita | Heremietibis | 14,0 |
Glareola pratincola | Vorkstaartplevier | 5,0 |
Glaucidium passerinum | Dwerguil | 7,0 |
Grus canadensis | Canadese kraanvogel | 16,0 |
Grus grus | Kraanvogel | 20,0 |
Grus japonensis | Chinese kraanvogel | 22,0 |
Grus monacha | Monnikskraanvogel | 16,0 |
Grus nigricollis | Zwarthalskraanvogel | 16,0 |
Grus vipio | Withalskraanvogel | 18,0 |
Grus virgo | Jufferkraan | 16,0 |
Guarouba guarouba | Goudparkiet | 10,0 |
Guiraca caerulea | Blauwe bisschop | 3,5 |
Gypaetus barbatus | Lammergier | 28,0 |
Gyps fulvus | Vale gier | 28,0 |
Haematopus ostralegus | Scholekster | 8,0 |
Haliaeetus albicilla (m) | Zeearend | 24,0 |
Haliaeetus albicilla (vr) | Zeearend | 26,0 |
Haliaeetus leucocephalus (m) | Witkopzeearend | 24,0 |
Haliaeetus leucocephalus (vr) | Witkopzeearend | 28,0 |
Haliaeetus leucoryphus (m) | Witbandzeearend | 24,0 |
Haliaeetus leucoryphus (vr) | Witbandzeearend | 28,0 |
Hieraaetus fasciatus | Havikarend | 18,0 |
Hieraaetus pennatus | Dwergarend | 14,0 |
Himantopus himantopus | Steltkluut | 7,0 |
Hippolais caligata | Kleine spotvogel | 2,6 |
Hippolais icterina | Spotvogel | 2,7 |
Hippolais olivetorum | Griekse spotvogel | 2,7 |
Hippolais pallida | Vale spotvogel | 2,7 |
Hippolais polyglotta | Orpheus spotvogel | 2,7 |
Hirundo daurica | Roodstuizwaluw | 2,7 |
Hirundo rupestris | Rotszwaluw | 2,7 |
Hirundo rustica | Boerenzwaluw | 2,5 |
Histrionicus histrionicus | Harlekijneend | 9,0 |
Hydrobates pelagicus | Stormvogeltje | 2,5 |
Icterus galbula | Baltimore troepiaal | 4,0 |
Irania gutturalis | Perzische roodborst | 2,7 |
Ixobrychus minutus | Wouwaapje | 10,0 |
Jynx torquilla | Draaihals | 3,5 |
Lagopus lagopus | Moerassneeuwhoen | 10,0 |
Lagopus mutus | Alpensneeuwhoen | 10,0 |
Lanius collurio | Grauwe klauwier | 3,5 |
Lanius excubitor | Klapekster | 4,4 |
Lanius minor | Kleine klapekster | 4,0 |
Lanius nubicus | Maskerklauwier | 3,2 |
Lanius senator | Roodkopklauwier | 3,8 |
Larus argentatus | Zilvermeeuw | 11,0 |
Larus audouinii | Audouins meeuw | 10,0 |
Larus canus | Stormmeeuw | 7,0 |
Larus fuscus | Kleine mantelmeeuw | 9,0 |
Larus genei | Dunbekmeeuw | 8,0 |
Larus hyperboreus | Grote burgemeester | 14,0 |
Larus marinus | Grote mantelmeeuw | 13,0 |
Larus minutus | Dwergmeeuw | 4,2 |
Larus ridibundus | Kokmeeuw | 7,0 |
Leptotila wellsi | Grenada loopduif | 7,0 |
Leucopsar rothschildi | Balispreeuw | 6,0 |
Limicola falcinellus | Breedbekstrandloper | 4,0 |
Limosa haemastica | Rode grutto | 5,5 |
Limosa lapponica | Rosse grutto | 7,0 |
Limosa limosa | Grutto | 7,0 |
Locustella fluviatilis | Krekelzanger | 2,7 |
Locustella luscinioides | Snor | 2,7 |
Locustella naevia | Sprinkhaanzanger | 2,7 |
Lophodytes cucullatus | Kokardezaagbek | 9,0 |
Lophophorus lhuysii (M) | Chinese glansfazant | 15,0 |
Lophophorus lhuysii (Vr) | Chinese glansfazant | 14,0 |
Lophura imperialis | Keizerfazant | 12,0 |
Loxia curvirostra | Kuisbek | 3,5 |
Loxia leucoptera | Witbandkruisbek | 3,5 |
Loxia pytyopsittacus | Grote kruisbek | 4,0 |
Loxia scotica | Schotse kruisbek | 3,5 |
Lullula arborea | Boomleeuwerik | 3,2 |
Luscinia calliope | Roodkeelnachtegaal | 3,0 |
Luscinia luscinia | Noordse nachtegaal | 2,9 |
Luscinia megarhynchos | Nachtegaal | 2,9 |
Luscinia svecica | Blauwborst | 2,7 |
Lymnocryptes minimus | Bokje | 4,0 |
Macrocephalon maleo | Hamerhoen | 20,0 |
Marmaronetta angustirostris | Marmereend | 8,0 |
Melanitta fusca | Grote zeeëend | 13,0 |
Melanitta nigra | Zwarte zeeëend | 11,0 |
Melanitta perspicillata | Brilzeeëend | 11,0 |
Melanocorypha calandra | Klanderleeuwerik | 3,5 |
Mergellus albellus | Nonnetje | 9,0 |
Mergus merganser | Grote zaagbek | 13,0 |
Mergus serrator | Middelste zaagbek | 11,0 |
Merops apiaster | Bijeneter | 4,0 |
Merops persicus | Groene bijeneter | 4,0 |
Miliaria calandra | Grauwe gors | 3,2 |
Milvus migrans | Zwarte wouw | 12,0 |
Milvus milvus | Rode wouw | 13,0 |
Mimus polyglottos | Spotlijster | 6,0 |
Mitu mitu | Mesbekpauwies | 16,0 |
Monticola saxatilis | Rode rotslijster | 4,0 |
Monticola solitarius | Blauwe rotslijster | 4,0 |
Montifringilla nivalis | Sneeuwvink | 3,2 |
Morus bassanus | Jan-van-Gent | 20,0 |
Morus capensis | Kaapse Jan van Gent | 16,0 |
Motacilla alba | Witte kwikstaart | 2,8 |
Motacilla cinerea | Grote gele kwikstaart | 2,6 |
Motacilla citreola | Citroenkwikstaart | 2,7 |
Motacilla flava | Gele kwikstaart | 2,6 |
Muscicapa striata | Grauwe vliegenvanger | 2,5 |
Neophema chrysogaster | Oranjebuikparkiet | 4,0 |
Neophron percnopterus | Aasgier | 20,0 |
Netta rufina | Krooneend | 11,0 |
Ninox novaeseelandiae undulata | Boeboek (uil) | 11,0 |
Nucifraga caryocatactes | Notenkraker | 6,5 |
Numenius arquata | Wulp | 10,0 |
Numenius phaeopus | Regenwulp | 8,0 |
Numenius tenuirostris | Dunbekwulp | 8,0 |
Nyctea scandiaca | Sneeuwuil | 24,0 |
Nycticorax nycticorax | Kwak | 14,0 |
Oceanodroma leucorhoa | Vaal stormvogeltje | 2,5 |
Odontophorus strophium | Himalaya patrijs | 6,5 |
Oenanthe hispanica | Blonde tapuit | 3,0 |
Oenanthe isabellina | Isabeltapuit | 3,2 |
Oenanthe leucopyga | Witkruintapuit | 3,4 |
Oenanthe leucura | Zwarte tapuit | 3,2 |
Oenanthe oenanthe | Tapuit | 3,0 |
Oenanthe pleschanka | Bonte tapuit | 3,2 |
Ognorhynchus icterotis | Geeloorparkiet | 7,0 |
Ophrysia superciliosa | Himalaya patrijs | 6,5 |
Oreophasis derbianus | Gehoornde goean | 20,0 |
Oriolus oriolus | Wielewaal | 4,5 |
Otus scops | Dwergooruil | 7,0 |
Pandion haliaetus | Visarend | 19,0 |
Panurus biarmicus | Baardmannetje | 2,8 |
Parus ater | Zwarte mees | 2,6 |
Parus caeruleus | Pimpelmees | 2,7 |
Parus cinctus | Bruinkopmees | 2,7 |
Parus cristatus | Kuifmees | 2,7 |
Parus cyanus | Azuurmees | 2,8 |
Parus major | Koolmees | 2,7 |
Parus montanus | Matkop | 2,7 |
Parus palustris | Glanskopmees | 2,7 |
Passer domesticus | Huismus | 3,0 |
Passer hispaniolensis | Spaanse mus | 3,0 |
Passer montanus | Ringmus | 2,7 |
Passerina cyanea | Indigovink (gors) | 2,7 |
Penelope albipennis | Witvleugel(sjakohoen)goean | 14,0 |
Perdix perdix | Patrijs | 7,0 |
Perisoreus infaustus | Taiga gaai | 6,5 |
Pernis apivorus | Wespendief | 12,5 |
Petronia petronia | Rotsmus | 3,0 |
Pezoporus wallicus | Grondpapegaai | 4,5 |
Phalacrocorax aristotelis | Kuifaalscholver | 16,0 |
Phalacrocorax carbo | Aalscholver | 18,0 |
Phalaropus fulicarius | Rosse franjepoot | 3,5 |
Phalaropus lobatus | Grauwe franjepoot | 3,5 |
Phasianus colchicus | Fazant | 12,0 |
Philomachus pugnax (m) | Kemphaan | 6,5 |
Philomachus pugnax (vr) | Kemphaan | 5,0 |
Phoenicopterus ruber | Flamingo | 16,0 |
Phoenicurus moussieri | Diadeemroodstaart | 2,6 |
Phoenicurus ochruros | Zwarte roodstaart | 2,5 |
Phoenicurus phoenicurus | Gekraagde roodstaart | 2,5 |
Phylloscopus bonelli | Bergfluiter | 2,3 |
Phylloscopus borealis | Noordse boszanger | 2,4 |
Phylloscopus collybita | Tjiftjaf | 2,3 |
Phylloscopus inornatus | Bladkoning | 2,3 |
Phylloscopus proregulus | Pallas’ boszanger | 2,4 |
Phylloscopus schwarzi | Radde’s boszanger | 2,3 |
Phylloscopus sibilatrix | Fluiter | 2,3 |
Phylloscopus trochiloides | Grauwe fitis | 2,3 |
Phylloscopus trochilus | Fitis | 2,3 |
Pica pica | Ekster | 6,5 |
Picoides tridactylus | Drieteenspecht | 4,3 |
Picus canus | Grijskopspecht | 5,0 |
Picus viridis | Groene specht | 5,0 |
Pinicola enucleator | Haakbek | 3,5 |
Pionopsitta pileata | Roodkappapegaai | 8,0 |
Pipile jacutinga | Spixfluitgoean | 14,0 |
Pipile pipile | Trinidad blauwkeelgoean | 14,0 |
Piranga olivacea | Zwartvleugeltangara | 2,9 |
Platalea leucorodia | Lepelaar | 18,0 |
Plectrophenax nivalis | Sneeuwgors | 3,0 |
Plegadis falcinellus | Zwarte ibis | 12,0 |
Pluvialis apricaria | Goudplevier | 6,0 |
Pluvialis squatarola | Zilverplevier | 6,0 |
Podiceps auritus | Kuifduiker | 8,0 |
Podiceps cristatus | Fuut | 10,0 |
Podiceps grisegena | Roodhalsfuut | 9,0 |
Podiceps nigricollis | Geoorde fuut | 8,0 |
Polysticta stelleri | Stellers eider | 10,0 |
Porphyrio porphyrio | Purperkoet | 12,0 |
Porzana parva | Klein waterhoen | 4,0 |
Porzana porzana | Porseleinhoen | 4,5 |
Porzana pusilla | Kleinst waterhoen | 3,5 |
Primolius couloni | Blauwkopara | 10,0 |
Primolius maracana | Illgers ara | 10,0 |
Prunella collaris | Alpenheggemus | 3,5 |
Prunella modularis | Heggemus | 2,8 |
Prunella montanella | Bergheggemus | 2,9 |
Psephotus chrysopterygius | Goudschouderparkiet | 5,0 |
Psephotus pulcherrimus | Paradijsparkiet | 4,5 |
Psittacula echo | Mauritius papegaai | 7,5 |
Psittacus erithacus erithacus | Congole grijze roodstaartpapegaai | 11,0 |
Psittacus erithacus timneh | Timneh grijze roodstaartpapegaai | 10,0 |
Pterocles alchata | Witbuikzandhoen | 7,0 |
Pterocles orientalis | Zwartbuikzandhoen | 7,0 |
Pterocles senegallus | Woestijnzandhoen | 7,0 |
Puffinus puffinus | Noordse pijlstormvogel | 10,0 |
Puffinus yelkouan | Vale pijlstormvogel | 10,0 |
Pyrrhocorax graculus | Alpenkauw | 6,5 |
Pyrrhocorax pyrrhocorax | Alpenkraai | 6,5 |
Pyrrhula pyrrhula | Goudvink (Groot) | 3,0 |
Pyrrhula pyrrhula | Goudvink (Klein) | 2,7 |
Pyrrhura cruentata | Blauwkeelconure | 6,0 |
Rallus aquaticus | Waterral | 7,0 |
Recurvirostra avosetta | Kluut | 7,0 |
Regulus ignicapillus | Vuurgoudhaantje | 2,1 |
Regulus regulus | Goudhaantje | 2,1 |
Regulus teneriffae | Canarisch goudhaantje | 2,5 |
Remiz pendulinus | Buidelmees | 2,5 |
Rheinardia ocellata | Gekuifde argusfazant | 15,0 |
Rhodopechys githaginea | Woestijnvink | 2,7 |
Riparia riparia | Oeverzwaluw | 2,5 |
Rissa tridactyla | Drieteenmeeuw | 7,0 |
Saxicola dacotiae | Canarische roodborsttapuit | 3,0 |
Saxicola rubetra | Paapje | 2,8 |
Saxicola torquata | Roodborsttapuit | 2,6 |
Scolopax rusticola | Houtsnip | 7,0 |
Serinus canaria | Kanarie | 2,7 |
Serinus citrinella | Citroenkanarie (Citroensijs) | 2,5 |
Serinus pusillus | Roodvoorhoofdkanarie | 2,5 |
Serinus serinus | Europese kanarie | 2,3 |
Sitta europaea | Boomklever | 3,3 |
Somateria mollissima | Eidereend | 13,0 |
Somateria spectabilis | Koningseider | 12,0 |
Stercorarius longicaudus | Kleinste jager | 6,5 |
Stercorarius parasiticus | Kleine jager | 6,5 |
Sterna albifrons | Dwergstern | 3,2 |
Sterna caspia | Reuzenstern | 9,0 |
Sterna dougallii | Dougalls stern | 4,0 |
Sterna hirundo | Visdief | 4,0 |
Sterna nilotica | Lachstern | 5,0 |
Sterna paradisaea | Noordse stern | 4,2 |
Sterna sandvicensis | Grote stern | 5,5 |
Streptopelia decaocto | Turkse tortel | 6,0 |
Streptopelia orientalis | Oosterse tortel | 6,0 |
Streptopelia senegalensis | Palmtortel | 5,5 |
Streptopelia turtur | Zomertortel | 6,0 |
Strix aluco | Bosuil | 12,0 |
Strix nebulosa | Laplanduil | 16,0 |
Strix uralensis | Oeraluil | 14,0 |
Sturnus roseus | Rose spreeuw | 4,5 |
Sturnus unicolor | Zwarte spreeuw | 4,5 |
Sturnus vulgaris | Spreeuw | 4,5 |
Surnia ulula | Sperweruil | 10,0 |
Sylvia atricapilla | Zwartkop | 2,8 |
Sylvia borin | Tuinfluiter | 2,9 |
Sylvia cantillans | Baardgrasmus | 2,7 |
Sylvia communis | Grasmus | 2,7 |
Sylvia conspicillata | Brilgrasmus | 2,7 |
Sylvia curruca | Braamsluiper | 2,7 |
Sylvia hortensis | Orpheus grasmus | 2,7 |
Sylvia melanocephala | Kleine zwartkop | 2,7 |
Sylvia nisoria | Sperwergrasmus | 3,0 |
Sylvia rueppelli | Rüppells grasmus | 2,7 |
Sylvia sarda | Sardijnse grasmus | 2,7 |
Sylvia undata | Provencaalse grasmus | 2,7 |
Syrrhaptes paradoxus | Steppehoen | 7,0 |
Tachybaptus ruficollis | Dodaars | 7,0 |
Tachymarptis melba | Alpengierzwaluw | 4,0 |
Tadorna ferruginea | Casarca | 13,0 |
Tadorna tadorna | Bergeend | 12,0 |
Tarsiger cyanurus | Blauwstaart | 2,8 |
Tetrao tetrix | Korhoen | 12,0 |
Tetrao urogallus (M) | Auerhoen | 20,0 |
Tetrao urogallus (Vr) | Auerhoen | 16,0 |
Tetraogallus caspius | Kaspisch berghoen | 14,0 |
Tetraogallus tibetanus | Tibetaans berghoen | 14,0 |
Tetrax tetrax | Kleine trap | 16,0 |
Threskiornis aethiopicus | Heilige ibis | 14,0 |
Tragopan blythii | Blyths saterhoen | 14,0 |
Tragopan caboti | Cabots saterhoen | 14,0 |
Tringa cinerea | Terekruiter | 3,2 |
Tringa erythropus | Zwarte ruiter | 5,0 |
Tringa glareola | Bosruiter | 4,5 |
Tringa hypoleucos | Oeverloper | 4,5 |
Tringa nebularia | Groenpootruiter | 6,5 |
Tringa ochropus | Witgatje | 4,0 |
Tringa stagnatilis | Poelruiter | 4,5 |
Tringa totanus | Tureluur | 5,0 |
Troglodytes troglodytes | Winterkoning | 2,5 |
Tryngites subruficollis | Blonde ruiter | 3,5 |
Turdus iliacus | Koperwiek | 4,0 |
Turdus merula | Merel | 4,5 |
Turdus obscurus | Vale lijster | 3,5 |
Turdus philomelos | Zanglijster | 4,0 |
Turdus pilaris | Kramsvogel | 4,5 |
Turdus torquatus | Beflijster | 4,5 |
Turdus viscivorus | Grote lijster | 5,0 |
Tympanuchus cupido attwateri | Attwaters prairiehoen | 12,0 |
Tyto alba | Kerkuil | 10,0 |
Upupa epops | Hop | 4,5 |
Uria aalge | Zeekoet | 10,0 |
Vanellus gregarius | Steppekievit | 5,5 |
Vanellus spinosus | Sporenkievit | 5,5 |
Vanellus vanellus | Kievit | 5,5 |
Vini australis | Blauwkaplori | 4,5 |
Vini kuhlii | Kuhls lori | 4,5 |
Vini peruviana | Saffierlori | 4,5 |
Vini stepheni | Stephens lori | 4,5 |
Vini ultramarina | Hemelsblauwe lori | 4,5 |
Xanthocephalus xanthocephalus | Geelkoptroepiaal | 6,0 |
Xema sabini | Vorkstaartmeeuw | 6,5 |
Zoothera dauma | Goudlijster | 3,5 |
- a.
Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders, gevestigd te Zutphen;
- b.
Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht;
- c.
Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom;
- d.
Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem;
- e.
Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen;
- f.
Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven.
1. ARTHROPODA (geleedpotigen) |
1.1. Arachnida (spinnen, spinachtigen) |
1.1.1. Mesostigmata (roofmijten) |
Laelapidae |
Androlaelaps casalis (Berlese, 1887) |
Galeolaelaps aculeifer (Canestrini, 1884) |
Stratiolaelaps scimitus (Womersley, 1956) |
Macrochelidae |
Macrocheles robustulus (Berlese, 1904) |
Parasitidae |
Pergamasus quisquiliarum (G. & R. Canestrini, 1882) |
Phytoseiidae |
Amblydromalus limonicus (Graman & McGregor, 1956) |
Amblyseius andersoni (Chant, 1957) |
Amblyseius largoensis (Muma, 1955) |
Euseius finlandicus (Oudemans, 1915) |
Euseius gallicus (Kreiter & Tixier, 2010) |
Euseius ovalis (Evans 1953) |
Euseius scutalis (Athias-Henriot, 1958) |
Galendromus occidentalis (Nesbitt, 1951) |
Iphiseius degenerans (Berlese, 1889) |
Neoseiulus barkeri (Hughes, 1948) |
Neoseiulus californicus (McGregor, 1954) |
Neoseiulus cucumeris (Oudemans, 1930) |
Neoseiulus fallacis (Garman, 1948) |
Phytoseiulus longipes (Evans, 1958) |
Phytoseiulus persimilis (Athias-Henriot, 1957) |
Phytoseius finitimus (Ribaga, 1904) |
Proprioseiopsis athiasae (Hirschmann, 1962) |
Typhlodromips montdorensis (Schicha, 1979) |
Typhlodromips swirskii (Athias-Henriot, 1962) |
Typhlodromus doreenae (Schicha, 1987) |
Typhlodromus pyri (Scheuten, 1857) |
1.1.2. Prostigmata (roofmijten) |
Cheyletidae |
Cheyletus eruditus (Schrank, 1781) |
Eupalopsellidae |
Saniosulus nudus (Summers, 1960) |
1.2. Insecta (insecten) |
1.2.1. Coleoptera (kevers) |
Coccinellidae |
Adalia bipunctata (Linnaeus, 1758) |
Chilocorus bipustulatus (Linnaeus, 1758) |
Chilocorus circumdatus (Schoenherr, 1808) |
Chilocorus malasiae (Crotch, 1874) |
Chilocorus nigrita (Fabricius, 1798) |
Clitostethus arcuatus (Rossi, 1794) |
Coccinella septempunctata (Linnaeus, 1758) |
Cryptolaemus montrouzieri (Mulsant, 1853) |
Delphastus catalinae (Horn, 1895) |
Exochomus laeviusculus (Weise, 1909) |
Exochomus quadripustulatus (Linnaeus, 1758) |
Nephus includens (Kirsch, 1870) |
Nephus quadrimaculatus (Herbst, 1783) |
Rhyzobius forestieri (Mulsant, 1853) |
Rhyzobius lophanthae (Blaisdell, 1892) |
Rodolia cardinalis (Mulsant, 1850) |
Scymnus rubromaculatus (Goeze, 1777) |
Stethorus punctillum (Weise, 1891) |
Curculionidae |
Stenopelmus rufinasus (Gyllenhal, 1835) |
Staphylinidae |
Aleochara bilineata (Gyllenhal, 1810) |
Atheta coriaria (Kraatz, 1856) |
Holobus flavicornis (Lacordaire, 1835) |
1.2.2. Diptera (tweevleugeligen) |
Cecidomyiidae |
Aphidoletes aphidimyza (Rondani, 1847) |
Feltiella acarisuga (Vallot, 1827) |
Muscidae |
Coenosia attenuata (Stein, 1903) |
Syrphidae |
Episyrphus balteatus (De Geer, 1776) |
1.2.3. Heteroptera (roofwantsen) |
Anthocoridae |
Anthocoris nemoralis (Fabricius, 1794) |
Anthocoris nemorum (Linnaeus, 1761) |
Orius albidipennis (Reuter, 1884) |
Orius laevigatus (Fieber, 1860) |
Orius majusculus (Reuter, 1879) |
Miridae |
Dicyphus errans (Wolff, 1804) |
Macrolophus pygmaeus (Rambur, 1839) |
Pentatomidae |
Picromerus bidens (Linnaeus, 1758) |
Podisus maculiventris (Say, 1832) |
1.2.4. Hymenoptera (sluipwespen) |
Aphelinidae |
Aphelinus abdominalis (Dalman, 1820) |
Aphelinus mali (Haldeman, 1851) |
Aphelinus varipes (Förster, 1841) |
Aphytis diaspidis (Howard, 1881) |
Aphytis holoxanthus (DeBach, 1960) |
Aphytis lepidosaphes (Compere, 1955) |
Aphytis lignanensis (Compere, 1955) |
Aphytis melinus (DeBach, 1959) |
Coccophagus cowperi (Girault, 1917) |
Coccophagus gurneyi (Compere, 1929) |
Coccophagus lycimnia (Walker, 1839) |
Coccophagus pulvinariae (Compere, 1931) |
Coccophagus rusti (Compere, 1928) |
Coccophagus scutellaris (Dalman, 1825) |
Encarsia citrina (Craw, 1891) |
Encarsia formosa (Gahan, 1924) |
Encarsia guadeloupae (Viggiani, 1987) |
Encarsia hispida (DeSantis, 1948) |
Encarsia protransvena (Viggiani, 1985) |
Encyrtus aurantii (Geoffroy, 1785) |
Encyrtus infelix (Embleton, 1902) |
Eretmocerus eremicus (Rose & Zolnerowich, 1997) |
Eretmocerus mundus (Mercet, 1931) |
Braconidae |
Aphidius colemani (Viereck, 1912) |
Aphidius ervi (Haliday, 1834) |
Aphidius gifuensis (Ashmead 1906) |
Aphidius matricariae (Haliday, 1834) |
Bracon hebetor (Say, 1836) |
Cotesia glomerata (Linnaeus, 1758) |
Cotesia marginiventris (Cresson, 1865) |
Cotesia rubecula (Marshall, 1885) |
Dacnusa sibirica Telenga, 1934 |
Diglyphus isaea (Walker, 1838) |
Ephedrus cerasicola (Starý, 1962) |
Ephedrus plagiator (Nees, 1811) |
Meteorus pendulus (Müller, 1776) |
Opius pallipes (Wesmael, 1835) |
Praon volucre (Haliday, 1833) |
Diapriidae |
Synacra paupera (Macek, 1995) |
Encyrtidae |
Acerophagus flavidulus (Brèthes, 1916) |
Acerophagus maculipennis (Mercet, 1923) |
Anagyrus dactylopii (Howard, 1898) |
Anagyrus fusciventris (Girault, 1915) |
Anagyrus pseudococci (Girault, 1915) |
Anagyrus sinope (Noyes & Menezes, 2000) |
Arrhenophagus albitibiae (Girault, 1915) |
Blastothrix brittanica (Girault, 1917) |
Coccidencyrtus ochraceipes (Gahan, 1927) |
Coccidoxenoides perminutus (Girault, 1915) |
Comperiella bifasciata( Howard, 1906) |
Gyranusoidea litura (Prinsloo, 1983) |
Leptomastidea abnormis (Girault, 1915) |
Leptomastix dactylopii (Howard, 1885) |
Leptomastix epona (Walker, 1844) |
Leptomastix histrio (Förster, 1856) |
Metaphycus flavus (Howard, 1881) |
Metaphycus helvolus (Compere, 1926) |
Metaphycus lounsburyi (Howard, 1898) |
Metaphycus stanleyi (Compere, 1940) |
Metaphycus swirskii (Annecke & Mynhardt, 1979) |
Microterys nietneri (Motschulsky, 1859) |
Tetracnemoidea brevicornis (Girault, 1915) |
Tetracnemoidea peregrina (Compere, 1939) |
Eulophidae |
Aprostocetus hagenowii (Ratzeburg, 1852) |
Tetrastichus coeruleus (Nees, 1834) |
Thripoctenus javae (Girault, 1917) |
Figitidae |
Leptopilina heterotoma (Thomson, 1862) |
Mymaridae |
Anagrus atomus (Linnaeus, 1767) |
Anaphes iole (Girault, 1911) |
Platygastridae |
Allotropa convexifrons (Muesebeck, 1943) |
Allotropa musae (Buhl, 2005) |
Pteromalidae |
Muscidifurax raptorellus (Kogan & Legner, 1970) |
Nasonia vitripennis (Walker, 1836) |
Ophelosia crawfordi (Riley, 1890) |
Scutellista caerulea (Fonscolombe, 1832) |
Spalangia cameroni (Perkins, 1910) |
Trichogrammatidae |
Trichogramma brassicae (Bezdenko, 1968) |
Trichogramma cacaeciae (Marchal, 1927) |
Trichogramma dendrolimi (Matsumura, 1926) |
Trichogramma evanescens (Westwood, 1833) |
Trichogramma pintoi (Voegelé, 1982) |
1.2.5. Neuroptera (gaasvliegen) |
Chrysopidae |
Chrysoperla carnea (Stephens, 1836) |
Coniopterygidae |
Coniopteryx tineiformis (Curtis, 1834) |
Conwentzia psociformis (Curtis, 1834) |
Hemerobiidae |
Sympherobius fallax (Navàs, 1908) |
1.2.6. Thysanoptera (rooftripsen) |
Aeolothripidae |
Aeolothrips intermedius (Bagnall, 1934) |
Aleurodothrips fasciapennis (Franklin, 1908) |
Franklinothrips megalops (Trybom, 1912) |
Franklinothrips vespiformis (Crawford, 1909) |
Phlaeothripidae |
Karnyothrips melaleucus (Bagnal, 1911) |
2. NEMATODA (rondwormen) |
2.1. Secernentea |
2.1.1 Rhabditida (entomopathogene nematoden) |
Rhabditidae |
Phasmarhabditis hermaphrodita (Schneider, 1859) |
Steinernematidae |
Steinernema carpocapsae (Weiser, 1955) |
Steinernema feltiae (Filipjev, 1934) Wouts et al., 1982. |
Steinernema glaseri (Steiner, 1929) Wouts et al., 1982. |
Steinernema kraussei (Steiner, 1923) Travassos, 1927 |
2.1.2. Strongylida (entomopathogene nematoden) |
Heterorhabditidae |
Heterorhabditis bacteriophora (Poinar, 1976) |
Heterorhabditis megidis (Poinar, Jackson & Klein, 1988) |
1. ARTHROPODA (geleedpotigen) |
1.1. Arachnida (spinnen, spinachtigen) |
1.1.1. Astigmata (mosmijten) |
Acaridae |
Acarus siro (Linnaeus, 1758) |
Thyreophagus entomophagus (Laboulbène & Robin, 1852) |
Tyrolichus casei (Oudemans, 1910) |
Tyrophagus putrescentiae (Schrank, 1781) |
Carpoglyphidae |
Carpoglyphus lactis (Linnaeus, 1767) |
Glycyphagidae |
Lepidoglyphus destructor (Schrank, 1781) |
Suidasiidae |
Suidasia pontifica (Oudemans, 1905) |
1.1.2. Prostigmata (roofmijten) |
Tetranychidae |
Tetranychus urticae (Koch, 1836) |
Chilopoda |
1.1.3. Chilopoda (duizendpoten) |
Henicopidae |
Lamyctinus coeculus (Brölemann, 1889) |
1.1.4. Entognatha |
Collembola (springstaarten) |
Isotomidae |
Folsomia candida (Willem, 1902) |
1.2. Insecta (insecten) |
1.2.1. Dictyoptera (kakkerlakken) |
Blattidae |
Periplaneta australasiae (Fabricius, 1775) |
1.2.2. Diptera (tweevleugeligen) |
Agromyzidae |
Chromatomyia syngenesiae (Hardy, 1849) |
Anthomyiidae |
Delia antiqua (Meigen, 1826) |
Sciaridae |
Bradysia difformis (Frey, 1948) |
1.2.3. Hemiptera (snavelinsecten) |
Aphididae (bladluizen) |
Acyrthosiphon (Acyrthosiphon) pisum (Harris, 1776) |
Aphis (Aphis) gossypii (Glover, 1877) |
Macrosiphum (Macrosiphum) euphorbiae (Thomas, 1878) |
Rhopalosiphum padi (Linnaeus, 1758) |
Sitobion (Sitobion) avenae (Fabricius, 1775) |
Coccidae (schildluizen) |
Pulvinaria floccifera (Westwood, 1870) |
Saissetia coffeae (Walker, 1852) |
Saissetia oleae oleae (Olivier, 1791) |
Diaspididae (schildluizen) |
Abgrallaspis cyanophylli (Signoret, 1869) |
Aspidiotus nerii (Bouché, 1833) |
Coccus hesperidum (Linnaeus, 1758) |
Diaspis boisduvalii (Signoret, 1869) |
Pinnaspis aspidistrae (Signoret, 1869) |
Margarodidae (schildluizen) |
Icerya purchasi (Maskell, 1878) |
Pseudococcidae (wolluizen) |
Planococcus citri (Risso, 1813) |
Pseudococcus longispinus (Targioni Tozzetti 1867) |
Pseudococcus viburni (Signoret, 1875) |
Aleyrodidae (wittevliegen) |
Trialeurodes vaporariorum (Westwood, 1856) |
1.2.4. Lepidoptera (vlinders) |
Gelechiidae |
Sitotroga cereallela (Olivier, 1879) |
Noctuidae |
Spodoptera exigua (Hübner, 1808) |
Pieridae |
Pieris brassicae (Linnaeus, 1758) |
Pieris rapae (Linnaeus, 1758) |
Pyralidae |
Ephestia kuehniella (Zeller, 1879) |
Galleria mellonella (Linnaeus, 1758) |
1.2.5. Thysanoptera (tripsen) |
Thripidae |
Heliothrips haemorrhoidalis (Bouché, 1833) |
Hercinothrips femoralis (O.M. Reuter, 1891) |
Parthenothrips dracaenae (Heeger, 1854) |
1.3. Symphyla (wortelduizendpoten) |
1.3.1. Scutigeromorpha |
Scutigerellidae |
Scutigerella immaculata (Newport, 1845) |
NEDERLANDSE NAAM | WETENSCHAPPELIJKE NAAM |
Zoogdieren | |
Amerikaanse voseekhoorn | Sciurus niger |
Grijze eekhoorn | Sciurus carolinensis |
Indische mangoeste | Herpestes javanicus |
Muntjak | Muntiacus reevesi |
Pallas’ eekhoorn | Callosciurus erythraeus |
Rode neusbeer | Nasua nasua |
Siberische grondeekhoorn | Tamias sibiricus |
Wasbeer | Procyon lotor |
Wasbeerhond | Nyctereutes procyonoides |
Vogels | |
Heilige ibis | Threskiornis aethiopicus |
Huiskraai | Corvus splendens |
Nijlgans | Alopochen aegyptiacus |
Rosse stekelstaart | Oxyura jamaicensis |
Treurmaina | Acridotheres tristis |
Vissen | |
Amoergrondel | Percottus glenii |
Blauwband | Pseudorasbora parva |
Zonnebaars | Lepomis gibbosus |
Reptielen / amfibieën | |
Amerikaanse brulkikker | Rana catesbeiana |
Lettersierschildpad | Trachemys scripta |
Insecten | |
Aziatische hoornaar | Vespa velutina |
Platwormen | |
Nieuw-Zeelandse landplatworm | Arthurdendyus triangulatus |
Terrestrische planten | |
Amerikaans bezemgras | Andropogon virginicus |
Ballonrank | Cardiospermum grandiflorum |
Chinese struikklaver | Lespedeza cuneata |
Fraai lampenpoetsergras | Pennisetum setaceum |
Gestekelde duizendknoop | Persicaria perfoliata |
Gewone gunnera | Gunnera tinctoria |
Hemelboom | Ailanthus altissima |
Hoog pampagras | Cortaderia jubata |
Japanse klimvaren | Lygodium japonicum |
Japans steltgras | Microstegium vimineum |
Kudzu | Pueraria montana var. Lobata |
Mesquite | Prosopis juliflora |
Oosterse hop | Humulus scandens |
Perzische berenklauw | Heracleum persicum |
Reuzenbalsemien | Impatiens glandulifera |
Reuzenberenklauw | Heracleum mantegazzianum |
Roze rimpelgras | Ehrharta calycina |
Schijnambrosia | Parthenium hysterophorus |
Sosnowsky’s berenklauw | Heracleum sosnowskyi |
Struikaster | Baccharis halimifolia |
Talgboom | Triadica sebifera |
Wilgacacia | Acacia saligna |
Zijdeplant | Asclepias syriaca |
Water- en oeverplanten | |
Alligatorkruid | Alternanthera philoxeroides |
Grote vlotvaren | Salvinia molesta |
Grote waternavel | Hydrocotyle ranunculoides |
Kleine waterteunisbloem | Ludwigia peploides |
Moeraslantaarn | Lysichiton americanus |
Ongelijkbladig vederkruid | Myriophyllum heterophyllum |
Parelvederkruid | Myriophyllum aquaticum |
Smalle theeplant | Gymnocoronis spilanthoides |
Smalle waterpest | Elodea nuttallii |
Verspreidbladige waterpest | Lagarosiphon major |
Waterhyacint | Eichhornia crassipes |
Waterteunisbloem | Ludwigia grandiflora |
Waterwaaier | Cabomba caroliniana |
Zoogdieren | |
Aardmuis | Microtus agrestis |
Bosmuis | Apodemus sylvaticus |
Bunzing | Mustela putorius |
Dwergmuis | Micromys minutus |
Dwergspitsmuis | Sorex minutus |
Egel | Erinaceus europaeus |
Gewone bosspitsmuis | Sorex araneus |
Haas | Lepus europeus |
Hermelijn | Mustela erminea |
Huisspitsmuis | Crocidura russula |
Konijn | Oryctolagus cuniculus |
Ondergrondse woelmuis | Pitymys subterraneus |
Ree | Capreolus capreolus |
Rosse woelmuis | Clethrionomys glareolus |
Tweekleurige bosspitsmuis | Sorex coronatus |
Veldmuis | Microtus arvalis |
Vos | Vulpes vulpes |
Wezel | Mustela nivalis |
Woelrat | Arvicola terrestris |
Amfibieën | |
Bruine kikker | Rana temporaria |
Gewone pad | Bufo bufo |
Kleine watersalamander | Triturus vulgaris |
Meerkikker | Rana ridibunda |
Middelste groene kikker | Rana esculenta |