U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2024.

Regeling · BWBR0039936

Besluit kwaliteit kinderopvang

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 23 augustus 2017 tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk)Besluit kwaliteit kinderopvangWij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei 2017, nr. 2017-0000080440;

Gelet op de artikelen 1.45, vierde lid, 1.49, tweede lid, 1.50, tweede lid, 1.51a, vijfde lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid, 2.2, derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede lid en 2.9a, vijfde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2017, nr. W12.17.0150/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000133405;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar23 augustus 2017Willem-AlexanderDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L.F.Asscherde eerste september 2017De Minister van Veiligheid en Justitie,S.A.Blok

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In het kader van het bieden van verantwoorde dagopvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van aankomst- en vertrektijden, aan:

De houder kan afwijken van de verplichting dat per dag ten minste een vaste beroepskracht aanwezig is in de stamgroep, bedoeld in artikel 9, vierde of vijfde lid, indien:

In afwijking van artikel 9, vierde en vijfde lid, kan een beroepskracht in opleiding als vaste beroepskracht aan een kind worden toegewezen, indien:

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van de aankomst- en vertrektijden aan:

De artikelen 6, eerste en tweede lid, 9, vierde en vijfde lid, en 15, eerste en tweede lid, zijn niet toepassing op een ouderparticipatiecrèche.

Wijzigt dit besluit.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2018/301.

Wijzigt dit besluit.

Wijzigt dit besluit.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2018/301.

Wijzigt dit besluit.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2018/301.

Wijzigt dit besluit.

Wijzigt dit besluit.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2018/301.

Wijzigt dit besluit.

Wijzigt het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.

Wijzigt het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.

Wijzigt het Besluit registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

Wijzigte het Tijdelijk besluit experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk.

Indien een houder op 1 januari 2018 een kindercentrum exploiteert beschikt de houder, in afwijking van de artikelen 4, tweede lid, eerste zin, en 13, tweede lid, eerste zin, op dat tijdstip over een schriftelijk vastgesteld veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Vervallen

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit kinderopvang.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 en onderstaande aanvullende rekenregels (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De tabel en de rekenregels worden toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit).

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 1 jaar.

3 Waarvan maximaal vijf kinderen van 0 tot 1 jaar.

4 Waarvan maximaal vier kinderen van 0 tot 1 jaar.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen op een kindercentrum wordt bepaald op basis van de formule (A x 0,1) + (B x 0,083), waarbij:

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang wordt bepaald op basis van onderdeel a van deze bijlage waarbij een kind van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt, wordt beschouwd als een kind van 3 tot 4 jaar.

Vervallen