Beleidsregel · BWBR0040219

Aanwijzing opsporingsberichtgeving

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing opsporingsberichtgevingAanwijzing opsporingsberichtgeving

Het openbaar ministerie en de politie maken gebruik van opsporingsberichten om de hulp van het publiek in te roepen bij het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, het voorkomen van strafbare feiten of andere belangen die de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreffen. Deze aanwijzing geeft regels voor de inzet van opsporingsberichtgeving wanneer daardoor een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van identificeerbare personen.

Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel. Het openbaar ministerie en de politie1 vragen via opsporingsberichten in de media2 de hulp van het publiek bij waarheidsvinding in strafzaken en het opsporen van verdachten, veroordeelden of getuigen. Een opsporingsbericht geeft informatie over (mogelijke) strafbare feiten en personen die daar wetenschap van kunnen hebben met het doel om informatie te verkrijgen die relevant is voor de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of het voorkomen van strafbare feiten.3 Ook kunnen burgers in het opsporingsbericht gealerteerd worden op gevaarzetting die voortvloeit uit de context van het strafbare feit of uit de persoon van de verdachte/dader.

Onder de ruime definitie van opsporingsberichtgeving vallen opsporingsberichten in woord en beeld die door politie en openbaar ministerie uitgezonden en verspreid worden via de media, van billboards tot sociale media.

Communicatie- en voorlichtingsberichten zijn aan te merken als vormen van opsporingsberichtgeving wanneer daarbij de hulp van het publiek wordt gevraagd bij het verkrijgen van informatie ten behoeve van bovengenoemde doeleinden.

Vormen van opsporingsberichtgeving waarin geen inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van identificeerbare personen vallen niet onder deze aanwijzing. Hierbij valt te denken aan oproepen aan getuigen van een misdrijf om informatie te leveren waarbij geen of slechts algemene kenmerken van de verdachte(n) worden vermeld als lengte, lichaamsbouw, huidskleur, haarkleur en soort kleding die werd gedragen.

De bevoegdheid tot het inzetten van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving is gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012 (respectievelijk art. 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten) in combinatie met de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 Sv, waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan de overige personen die met de opsporing zijn belast.4

Opsporingsberichtgeving vindt dus plaats onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie. 5

Wanneer in het opsporingsbericht tot een persoon herleidbare gegevens worden gebruikt, maakt de publicatie daarvan een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die persoon (artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet). Een dergelijke inbreuk is ten behoeve van strafvorderlijke belangen toegestaan onder de voorwaarde dat daaraan een zorgvuldige belangenafweging door bevoegde justitiële autoriteiten vooraf is gegaan. De vereisten van rechtmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn hierbij leidend. Overschrijding van de grenzen kan een verzuim opleveren in de zin van artikel 359a Sv en kan dus (rechts)gevolgen hebben.6

Dit brengt met zich dat het uitgangspunt is dat de toegang vanuit het openbaar domein tot het tekst- en beeldmateriaal van het opsporingsbericht in beheer bij politie of openbaar ministerie wordt geblokkeerd zodra de noodzaak voor de inzet van het middel is komen te vervallen.

Het maatschappelijk gebruik van internet en sociale media maakt dat de verspreide informatie doorgaans in het ‘permanente digitale geheugen’ terecht komt, waardoor het volledig verwijderen niet mogelijk is. Verdere verspreiding door derden van een opsporingsbericht via internet of sociale media en toevoeging van kwalificaties aan of manipulaties van het primair verspreide beeld komen steeds vaker voor. Dit gegeven noopt tot een zorgvuldige afweging over de keuze voor de tekst, het eventuele beeldmateriaal en het medium.

Bij opsporingsberichtgeving die herleidbaar is tot individuele personen is sprake van het verwerken van politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg).

Tevens is dan sprake van het verwerken van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). In dat geval biedt artikel 39f Wjsg een grondslag voor verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens aan derden.

De in de Aanwijzing Wpg en in de Aanwijzing Wjsg neergelegde regels zijn onverkort van toepassing.

Opsporingsberichtgeving kan worden ingezet ten behoeve van:

Opsporingsberichtgeving kan op ieder moment in het strafproces worden ingezet.

In het kader van waarheidsvinding kan opsporingsberichtgeving worden ingezet voor

De identiteit van de verdachte kan na toestemming van de hoofdofficier van justitie worden vrijgegeven, op voorwaarde dat:

Ten behoeve van de executie van straffen of maatregelen danwel ten behoeve van de betekening van gerechtelijke stukken kan opsporingsberichtgeving worden ingezet om de verblijfplaats te achterhalen van:

De identiteit van de veroordeelde kan na toestemming van de hoofdofficier van justitie in de volgende twee gevallen worden vrijgegeven:

Wanneer er aanwijzingen zijn dat een persoon een ernstig misdrijf zal plegen, kan na toestemming van de hoofdofficier van justitie een landelijk opsporingsbericht worden verspreid of uitgezonden waarin de identiteitsgegevens en het signalement van die persoon worden vermeld en beeldmateriaal van hem wordt getoond.

Opsporingsberichtgeving moet in dit geval:

De hoofdofficier van justitie is verantwoordelijk voor de inzet van opsporingsberichtgeving. Hij kan de uitvoering van (een deel van) deze taak beleggen bij de persofficier van justitie of de rechercheofficier van justitie.

In een bijzondere geval, dat niet geregeld is in deze aanwijzing, kan het College van procureurs-generaal toestemming geven voor uitzending van een opsporingsbericht waarmee inbreuk op de privacy van een of meerdere personen wordt gemaakt, alleen wanneer sprake is van een dringende reden en een zwaarwegend belang.

Getuigen, slachtoffers en overige niet bij het strafbare feit betrokken personen worden anoniem opgenomen en in beeld gebracht in het opsporingsbericht.

Alleen indien dit dringend noodzakelijk is voor de opsporing kan beeldmateriaal van een getuige, slachtoffer of voorbijganger herkenbaar getoond worden. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke gelding vanaf het moment van inwerkingtreding.