ZBO-regeling · BWBR0040651
Beleidsregel ter uitvoering van artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995
allen handelend als regionale autoriteit in de zin van het Loodsplichtbesluit 1995;
gelet op artikel 10 van de Scheepvaartverkeerswet, de artikelen 1, onderdelen j en k, en 6 van het Loodsplichtbesluit 1995 en artikel 3 juncto artikel 1, onderdeel a, onder 2°, 3°, 4° en 5°, van de Regeling bevoegde en regionale autoriteiten Loodsplichtbesluit 1995;
na consultatie en instemming van de regionale autoriteiten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Loodsplichtbesluit 1995;
Besluiten vast te stellen:
Beleidsregel ter uitvoering van artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995
Aldus vastgesteld op 16 februari 2018.
De hoofdingenieur-directeur Zee en Delta van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, tevens Rijkshavenmeester Westerschelde:T. van deGazelleHet algemeen bestuur van het openbaar lichaam Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied,namens deze:M. van deKerkhof,(Rijks)havenmeesterDe hoofdingenieur-directeur van de Directie Noord-Nederland van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat:E.SlumpNamens dezen,De Havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V.:R.J. deVriesMet deze beleidsregel wordt nadere invulling gegeven aan de begrippen “constructie” en “gebruikt of zal worden gebruikt”, als bedoeld in artikel 1, onderdelen j en k, van het Loodsplichtbesluit 1995. Bij beoordeling door de regionale autoriteit van aanvragen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Loodsplichtbesluit 1995 om als lage kruiplijn-coaster of binnen/buiten-schip te worden ingeschreven in het Register loodsplicht kleine zeeschepen worden bij toetsing de navolgende criteria aangehouden:
Binnen/buiten-schip (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder j):
- 1.
Lengte over alles van minder dan 115 meter;
- 2.
Blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip;
- a.
geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter;
- b.
lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 18 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip;
- c.
relatief lang en slank schip: verhouding lengte/breedte is groter of gelijk aan 6,0.
- a.
- 3.
Aangetoond wordt dat het schip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet (dus op niet-loodsplichtige binnenwateren) en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren (binnen 200 nautische mijlen uit de kust).
Lage kruiplijn-coaster (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder k):
- 1.
Lengte over alles van minder dan 115 meter;
- 2.
een zodanige vorm of constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt:
- a.
geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter;
- b.
lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 9,1 meter, gemeten vanaf de waterlijn op zomerdiepgang tot het hoogste vaste punt van het schip.
- a.
Deze beleidsregel wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking op de dag na die waarop deze in de Staatcourant is geplaatst.
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ter uitvoering van artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995.