Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 31 mei 2018, kenmerk 1345677-176700-PZO, houdende vaststelling van beleidsregels inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019–2022 (Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019–2022)Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019-2023De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg,B.J.Bruins

De beleidsregels inzake de subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019–2022 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Voor subsidieverlening op grond van dit besluit is voor subsidiestroom 1 jaarlijks een bedrag van € 11 miljoen beschikbaar.

Het Beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties, vastgesteld op 1 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd op 8 juli 2016 (Stcrt. 2016, nr. 37565), wordt ingetrokken, met dien verstande dat dit vorige beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan zijn verstrekt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2019-2023.

Het uitgangspunt van de gezondheidszorg in Nederland is dat mensen met een (chronische) ziekte of beperking (hierna: cliënten) centraal staan in de zorg, waarbij de zorg betaalbaar, kwalitatief goed en toegankelijk moet blijven. In lijn met het VN-verdrag handicap is het streven dat cliënten hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen en zo volwaardig mogelijk kunnen deelnemen aan de maatschappij. Patiënten- en gehandicaptenorganisaties (hierna: pg-organisaties) en de drie landelijke pg-koepels vervullen hierbij een belangrijke rol.

Bij pg-organisaties zijn dagelijks vele vrijwilligers actief die vanuit hun eigen ervaringen mensen begeleiden of ondersteunen. Pg-organisaties zijn er voor cliënten, luisteren naar cliënten, brengen ervaringen bij elkaar en maken die toegankelijk voor anderen. Door goede informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging dragen zij bij aan een verdere versterking van de positie van de cliënt. Bijvoorbeeld door goede zorg en ondersteuning die tegemoetkomen aan de behoeften van de cliënt, door de totstandkoming van goede keuze-informatie en door een inclusieve samenleving te bevorderen waarin iedereen mee kan doen.

Dit beleidskader is één van de vele instrumenten van het kabinet om de positie van de cliënt te versterken. Het merendeel van de activiteiten is onderdeel van grote beleidsprogramma’s of initiatieven. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van de nieuwe normen voor goede verpleeghuiszorg, de implementatie van het VN-verdrag handicap, onafhankelijke cliëntenondersteuning, e-health en het programma om de zorg voor individuele cliënten te verbeteren door te zorgen voor meer informatie over uitkomsten van zorg en te stimuleren dat cliënten meebeslissen over hun behandeling. Voor deze trajecten zijn in het kader van het regeerakkoord extra investeringen voorzien. Bovendien zijn vele wetstrajecten gericht op een verdere versterking van de positie van de cliënt, zoals de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de voorgenomen aanpassing van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018, die momenteel bij uw Kamer ter behandeling voorligt.

Met dit beleidskader wil het kabinet een waarborg bieden dat goede informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging in de praktijk tot stand kunnen komen. Het is overigens niet de inzet van het kabinet om instandhouding van organisaties te financieren. Het volledig afhankelijk zijn van overheidssubsidie is en blijft kwetsbaar. Organisaties ontlenen hun legitimiteit en zeggingskracht aan het feit dat zij aantoonbaar kunnen maken dat zij hun achterban goed vertegenwoordigen en hun activiteiten aansluiten bij de behoeften van hun achterban. Gedurende de looptijd van dit beleidskader is het hebben van leden en donateurs die bereid zijn een financiële bijdrage aan de verwezenlijking van deze functies te leveren hiervan een bewijs. Pg-organisaties beschikken over een schat aan informatie, kennis en ervaringsdeskundigheid die voor derden zoals gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders aantrekkelijk is en waarvoor pg-organisaties een redelijke vergoeding van hen zouden moeten ontvangen.

Dit beleidskader bevat de criteria waaraan pg-organisaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor instellingssubsidie voor het uitoefenen van de functies informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging. Deze criteria dienen ter aanvulling op de criteria zoals neergelegd in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Uiteraard is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ook van toepassing.

In 2016 is het beleidskader geëvalueerd, als onderdeel van de beleidsdoorlichting positie cliënt1.

De uitkomsten vormden aanleiding voor mijn ambtsvoorganger om de subsidie tijdelijk te verhogen en een meer fundamentele herziening van het beleidskader per 1 januari 2019 toe te zeggen2. Hiertoe heeft het ministerie van VWS een traject ingezet (bekend onder de naam ‘Patiëntendialoog’), dat waardevolle input heeft opgeleverd voor de beoogde herziening. Onder begeleiding van bureau Schuttelaar & Partners zijn verschillende dialoogsessies georganiseerd, waarbij naast de inbreng van de bekende organisaties ook nadrukkelijk ideeën van onder meer individuele cliënten, mantelzorgers, kritische tegendenkers, zorgverleners, verzekeraars en gemeenten betrokken zijn. Voor het eerst heeft het ministerie van VWS ook actief gebruik gemaakt van Facebook als middel om relevante beleidsinput op te halen. Het rapport met de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen voor een toekomstig beleidskader is op 4 juli 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden3. Dit beleidskader bouwt voort op de visie en uitgangspunten van eerdere herzieningen4.

Het kabinet streeft naar een toekomstbestendige cliëntenbeweging. Het zorglandschap verandert, de behoeften van de cliënten veranderen. De pg-koepels en pg-organisaties staan voor de uitdaging om mee te veranderen. Er zijn vele ontwikkelingen die vragen om een vernieuwende agenda. Denk bijvoorbeeld aan digitalisering (internetfora, netwerkorganisaties), individualisering, de decentralisaties, het VN-verdrag handicap, de toenemende vraag van partijen naar de inbreng van ervaringsdeskundigheid, het verleggen van de focus op aandoening naar de kwaliteit van het leven, e-health en het programma om de zorg voor individuele patiënten te verbeteren door te zorgen voor meer informatie over uitkomsten van zorg en te stimuleren dat patiënten meebeslissen over hun behandeling. Een toekomstbestendige cliëntenbeweging speelt op dergelijke ontwikkelingen en trends in. Dit vraagt op termijn om andere manieren van organiseren en samenwerken. Ook vraagt dit om een toekomstbestendig beleidskader met andere criteria: van inputgerichte criteria zoals ledenaantallen naar juridisch houdbare criteria voor impact en bereik. Het is van belang dat met het beschikbare geld activiteiten worden uitgevoerd die een zo groot mogelijke impact en bereik voor de cliënten opleveren.

Het kabinet hecht aan een zorgvuldige overgang naar het gewenste eindperspectief. Het kabinet wil in goed overleg en in afstemming met de landelijke koepels en de pg-organisaties met dit beleidskader toewerken naar een toekomstbestendige cliëntenbeweging.

Dit beleidskader geldt derhalve voor een overgangsperiode, waarbij belangrijke stappen in de gewenste ontwikkelrichting worden gezet:

Van belang is dat een subsidiemaatregel geen ongeoorloofde staatssteun oplevert. Eén van de criteria waaraan dit beleidskader getoetst is, betreft de vraag of sprake is van een onderneming die een economische activiteit verricht.

De te subsidiëren activiteiten behelzen lotgenotencontact – in de zin van het bieden van de mogelijkheid van (h)erkenning, bewustwording en het benutten van ervaringsdeskundigheid –, informatievoorziening aan de doelgroep en (aandoeningsspecifieke) belangenbehartiging. Dit zijn geen diensten waarvoor een markt bestaat. Er zijn geen initiatieven die dit op commerciële basis aanbieden en het is ook niet te verwachten dat die wel zouden ontstaan als pg-organisaties niet gesubsidieerd zouden worden. De te subsidiëren activiteiten zien puur op de behartiging van de belangen van de doelgroep van de pg-organisatie. De subsidiabele activiteiten zijn geen economische activiteiten in de zin van het staatssteunrecht. Er is derhalve geen sprake van staatssteun bij de toepassing van dit beleidskader.

In hoofdstuk 2 is de visie over het subsidiebeleid in de vorm van uitgangspunten neergelegd. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op subsidiestroom 1, welke is bestemd voor de pg-organisaties, met de criteria om in aanmerking te komen voor instellingssubsidie op grond van dit kader.

Hoofdstuk 4 is tot slot gericht op subsidiestroom 2, welke is bestemd voor de drie landelijke pg-koepels5, met de criteria om in aanmerking te komen voor instellingssubsidie op grond van dit kader.

Dit beleidskader is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

a) organisaties met landelijk bereik

Dit beleidskader heeft betrekking op zelfstandige en statutair in Nederland gevestigde maatschappelijke organisaties, die krachtens hun statutaire doelstelling zich richten op patiënten en gehandicapten en hun positie in de Nederlandse samenleving vanuit het perspectief van die patiënten of gehandicapten zelf. Subsidies worden verstrekt voor een bijdrage aan de invulling van het rijksbeleid. Subsidiabele activiteiten moeten ten goede komen aan cliënten in heel Nederland, dus zonder geografische beperking. Activiteiten met een louter lokale of regionale reikwijdte vallen buiten dit beleidskader. Ook pg-organisaties met een lokaal of regionaal werkterrein vallen buiten dit beleidskader. Internationale activiteiten op het gebied van informatievoorziening, lotgenotencontact en/of belangenbehartiging zijn mogelijk, indien de activiteiten ten goede komen aan de cliënten in Nederland.

b) onderscheiden aandoening

Er kan alleen subsidie verstrekt worden aan organisaties die zich richten op groepen van mensen met een of meer door de medisch wetenschappelijke beroepsgroep onderscheiden aandoeningen.

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) toetst dit allereerst aan de hand van de ICD-106. Wanneer een aandoening nog niet is geregistreerd in de ICD-10, dient een organisatie bij de aanvraag van een instellingsubsidie aan te tonen dat de medisch wetenschappelijke beroepsgroep het onderwerp als zelfstandige aandoening onderscheidt. Indien de aandoening niet eenduidig als onderscheiden aandoening wordt beschouwd, vormt het ministerie van VWS zich een oordeel over de vraag of al dan niet sprake is van een onderscheiden aandoening. Daartoe kan het ministerie van VWS nadere informatie inwinnen bij de medisch wetenschappelijke beroepsgroep die de aandoening behandelt. Daarnaast kan het ministerie van VWS-advies inwinnen van bijvoorbeeld het Zorginstituut Nederland of de Gezondheidsraad en die adviezen betrekken bij haar besluitvorming over de aanvraag.

c) versnippering zoveel als mogelijk beperken

Het kabinet meent dat het cliëntenbelang beter en efficiënter kan worden bediend door een organisatie die zich op een grotere doelgroep richt van mensen die met gelijke vraagstukken te maken hebben, dan door een groot aantal kleine organisaties die allemaal dezelfde soort activiteiten ontplooien voor kleine meer specifieke doelgroepen.

De organisaties die op basis van dit kader subsidie ontvangen vertegenwoordigen samen nagenoeg alle mogelijke doelgroepen van mensen met aandoeningen of beperkingen. Jaarlijks worden nieuwe initiatieven gestart door mensen die vanuit hun eigen persoonlijke ervaringen willen bijdragen aan betere zorg en ondersteuning voor anderen. Het is wenselijk dat deze nieuwe initiatieven bijdragen aan krachtenbundeling en een effectievere cliëntenbeweging. Dit betekent dat nieuwe initiatieven aansluiting kunnen zoeken bij reeds gesubsidieerde organisaties die zich op een gelijke of verwante doelgroep richten of bij een samenwerkingsverband dat zich op een bredere groep richt waar de doelgroep van het organisatieonderdeel deel van uitmaakt. Reeds gesubsidieerde organisaties dienen een doelgroep immers zo goed mogelijk te representeren. Het is derhalve onwenselijk en onnodig om aan voornoemde initiatieven subsidie te verstrekken. Nieuwe, althans niet eerder gesubsidieerde organisaties, komen alleen dan in aanmerking voor subsidie als zij voldoen aan de aanvullende criteria zoals neergelegd in hoofdstuk 3.

Wel wordt onderkend dat vanuit het oogpunt van herkenbaarheid, betrokkenheid en binding van de pg-organisatie met de achterban het zinvol kan zijn dat een pg-organisatie zich in haar presentatie slechts richt op één groep mensen met hetzelfde vraagstuk. Daarom wordt in dit beleidskader een nuancering aangebracht die ertoe leidt dat vooral ook wordt ingezet op samenwerking in de backoffice van de pg-organisaties.

d) samenwerking en fusie stimuleren

Samenwerking en fusie zijn uit het oogpunt van doelmatig subsidiebeleid gewenste handelingen, omdat deze versnippering tegengaan en een effectieve uitvoering mogelijk maken. Het aangaan van samenwerkingsvormen en fusie zou dus niet belemmerd mogen worden door het effect dat de maximum instellingssubsidie na fusie zou worden beperkt tot die van één pg-organisatie.

Als pg-organisaties met een instellingssubsidie uit dit beleidskader besluiten tot een juridische samenwerking en tot oprichting van een formele samenwerkingsorganisatie (bijvoorbeeld een federatiestructuur met een hoofdvereniging of moederstichting, waarin de oorspronkelijke organisaties opgaan als ‘kamers’ of ‘afdelingen’), dan kan de samenwerkingsorganisatie als aanvrager in plaats van de aangesloten partijen aanspraak maken op ten hoogste maximaal de som van de instellingssubsidies van de oorspronkelijke partijen.

Het kabinet streeft derhalve naar pg-organisaties:

e) vast bedrag

De hoogte van de subsidie is niet afhankelijk van de ernst of het voorkomen van de aandoening of beperking of het aantal leden of donateurs – zolang de organisatie minimaal 100 leden of donateurs heeft. De hoogte van de subsidie kan wel gaan variëren als organisaties hun krachten bundelen door te fuseren of gaan samenwerken in een federatiestructuur. En als er wordt samengewerkt middels een gedeelde of middels een in- of uitbesteedde backoffice.

De subsidieverstrekking vindt plaats door middel van een tweetal subsidiestromen:

Deze subsidiestromen worden respectievelijk in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 nader uitgewerkt.

Dit beleidskader onderscheidt de volgende vier soorten criteria:

De instellingssubsidie is bedoeld voor activiteiten op het gebied van lotgenotencontact, informatievoorziening en/of (aandoeningsspecifieke) belangenbehartiging. Deze activiteiten dragen eraan bij dat cliënten zelf (beter) in staat zijn om keuzes te maken, regie over hun leven te voeren en maatschappelijk te participeren.

Het kabinet wil de pg-organisaties ruimte geven om zelf te bepalen welke mate van inzet op de drie kernfuncties gewenst is. Het is voorstelbaar, afhankelijk van de specifieke behoeften van de achterban, dat pg-organisaties zich in de toekomst steeds meer gaan toeleggen op die functie(s) en activiteiten waar de achterban het meest behoefte aan heeft. Hierdoor kunnen pg-organisaties de meeste impact voor hun achterban bereiken.

Het uitwisselen van ervaringen met iemand die een zelfde aandoening heeft of heeft gehad kan leiden tot nieuwe inzichten. Lotgenotencontact betreft de mogelijkheid van (h)erkenning, bewustwording en het benutten van ervaringsdeskundigheid. Lotgenotencontact richt zich op het laagdrempelig organiseren en bevorderen van contacten tussen mensen met dezelfde vraagstukken zodat zij ervaringen kunnen uitwisselen. Steeds meer vinden deze contacten via internetfora plaats waar mensen elkaar helpen, steunen en informeren.

Voorbeelden van activiteiten die passen bij lotgenotencontact, zijn het uitwisselen van ervaringen door middel van internetfora, telefonisch contact en het organiseren van gespreks-, informatie- en themabijeenkomsten.

Bij informatievoorziening gaat het om het zorgen voor cliëntgerichte informatie over een specifieke aandoening of beperking en daarmee samenhangende zaken aan mensen met deze aandoening of beperking en ouders, familieleden of derden in de kring van hun persoonlijke levenssfeer.

Een goede informatievoorziening versterkt de positie van de cliënt omdat hij bijvoorbeeld beter het gesprek met zijn zorgverlener aan kan gaan, weet welke zorg(aanbieder) in zijn situatie het meest passend is, of beter in staat is om met de aandoening/beperking in de maatschappij te participeren.

Het is in het belang van de cliënt dat de informatievoorziening in goede samenspraak met alle relevante betrokken partijen tot stand komt, zoals specifieke brancheorganisaties van zorgaanbieders en wetenschappelijke verenigingen. Een goede samenwerking tussen pg-organisaties en relevante betrokken partijen is van belang. Uiteraard moet de informatie begrijpelijk en vindbaar zijn voor de doelgroep.

Voorbeelden van activiteiten die passen bij informatievoorziening, zijn:

(Aandoeningsspecifieke) belangenbehartiging gaat over het effectief invloed uitoefenen vanuit de aandoeningsspecifieke belangen op onder meer beleid, aanbod van zorg en ondersteuning en onderzoek. Invloed uitoefenen gebeurt namens een bepaalde groep tegenover andere partijen die van belang zijn in verband met de ziekte of functiebeperking of de gevolgen daarvan. Dit kan zich uitstrekken tot het gehele terrein van gezondheidszorg, gezondheidsbescherming, gezondheidsbevordering en maatschappelijke zorg.

Het verschil tussen belangenbehartiging op basis van subsidiestroom 1 en subsidiestroom 2 is dat de overleggen veelal op een ander niveau en met een andere schaalgrootte plaatsvinden. De aandoeningsgerichte organisatie voert overleg met de zorgverzekeraar over de vergoeding van een bepaald medicijn of de ontwikkeling van een specifieke richtlijn voor de behandeling van een aandoening. De drie landelijke pg-koepels overleggen met de koepels van zorgverzekeraars, aanbieders etc. De basis van aandoeningsspecifieke belangenbehartiging is gelegen in de beschikbare ervaringsdeskundigheid die pg-organisaties hebben over het leven met deze aandoening of beperking.

Voorbeelden van activiteiten die onder (aandoeningsspecifieke) belangenbehartiging vallen, zijn:

Pg-organisaties zijn vrij om andere activiteiten uit te voeren. Pg-organisaties kunnen voor die activiteiten echter geen subsidie op grond van dit beleidskader aanvragen of aanwenden.

Van deze subsidietitel zijn uitgesloten (niet uitputtend):

Het ministerie van VWS geeft subsidie aan pg-organisaties voor informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging. Uit de patiëntendialoog komt naar voren dat veel tijd, energie en middelen worden ingezet voor activiteiten die niet direct bijdragen aan deze drie kernfuncties. Het kabinet wil stimuleren dat pg-organisaties zich meer gaan toeleggen op hun kerntaken door hun krachten te bundelen bij de inrichting van de backoffice taken dan wel deze taken uit te besteden. Daarbij is de veronderstelling dat werken met een gedeelde backoffice goedkoper en efficiënter is dan deze steeds voor iedere pg-organisatie afzonderlijk in te richten. Ook is een gedeelde backoffice minder kwetsbaar bij wisselingen in het bestuur van individuele pg-organisaties of uitval van vrijwilligers. In het rapport van Schuttelaar & Partners staat hierover: ‘Zodra er overlap tussen pg-organisaties is in taken en thema’s, moet er waar mogelijk samengewerkt worden, ook op het gebied van backoffice zoals automatisering’.

Backoffice wordt vaak gebruikt als algemene term om een afzonderlijke eenheid met apart personeel aan te duiden die vooral op de achtergrond actief is en zich binnen organisaties vooral bezighoudt met zaken als bijvoorbeeld administratie, financiële boekhouding, systeembeheer en ontwikkeling, teneinde de continuïteit van de organisatie te waarborgen.

Pg-organisaties die kunnen aantonen dat zij hun backoffice (in de loop van het subsidiejaar gaan) delen met andere pg-organisaties kunnen in aanvulling op de instellingssubsidie van maximaal € 45.000 een bedrag van € 15.000 aan instellingssubsidie aanvragen (variant 1). Pg-organisaties die kunnen aantonen dat zij hun backoffice (in de loop van het subsidiejaar gaan) uitbesteden bij een professionele externe organisatie of laten uitvoeren door een betaalde kracht in het bestuur (inbesteding), kunnen in aanvulling op de instellingssubsidie van maximaal € 45.000 een bedrag van € 10.000 aan instellingssubsidie aanvragen (variant 2). In § 3.3.4 zijn de criteria neergelegd waaraan pg-organisaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de aanvullende subsidie voor de backoffice taken (variant 1 of 2).

De subsidie aanvragende organisatie moet aan onderstaande criteria voldoen om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie op grond van subsidiestroom 1.

De subsidie aanvragende organisatie beschikt over7:

De subsidie aanvragende organisatie voldoet aan de volgende criteria:

In lijn met het uitgangspunt om versnippering zoveel als mogelijk te beperken wordt splitsing ontmoedigd. Versnippering kan immers gevolgen hebben voor de gewenste doelmatigheid van het subsidiebeleid.

Voor nieuwe subsidie aanvragende organisaties (die in het voorgaande jaar geen subsidie hebben ontvangen) gelden de volgende aanvullende criteria om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie:

Indien een formele samenwerking wordt beëindigd is voorts het volgende van belang.

Indien uit een juridische splitsing of bij een splitsing van organisaties met een federatiestructuur (weer) twee of meer rechtspersonen ontstaan die individueel in aanmerking willen komen voor subsidie, worden de rechtsopvolgers of individuele organisaties uit de federatiestructuur voor een nieuwe aanvraag allen aangemerkt als nieuwe subsidie aanvragende organisaties. Alle juridisch afgesplitste onderdelen worden gelijkgesteld met nieuwe subsidie aanvragende organisaties.

In geval van splitsing zijn de volgende aanvullende criteria van toepassing:

Omwille van het cliëntenbelang kunnen specifieke omstandigheden nopen tot een uitzonderingssituatie voor het vereiste van 24 maanden. Uitzondering op het vereiste van 24 maanden in geval van splitsing is mogelijk indien de subsidie aanvragende organisatie voldoet aan de volgende cumulatieve criteria:

Het kabinet wil bundeling van de backoffice taken bevorderen. Dat kan door hiervoor een geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen pg-organisaties te starten (variant 1) of in de vorm van uit- en/of inbesteding van de backoffice (variant 2). Bij variant 2 kan een pg-organisatie één (of meerdere) professionele, externe organisatie(s) inschakelen voor de backoffice en/of taken door een betaalde kracht in het bestuur laten uitvoeren.

Variant 1

Pg-organisaties die hun krachten op de backoffice taken bundelen in een samenwerkingsverband kunnen in aanmerking komen voor een aanvullend subsidiebedrag van € 15.000. Om in aanmerking te komen voor het aanvullend bedrag dient de aanvragende organisatie te voldoen aan de volgende vereisten:

Variant 2

Pg-organisaties die de backoffice taken uitbesteden en/of inbesteden kunnen in aanmerking komen voor een aanvullend subsidiebedrag van € 10.000.

Om in aanmerking te komen voor het aanvullend bedrag dient aanvragende organisatie te voldoen aan de volgende vereisten:

Onder de backoffice van de pg-organisatie worden de navolgende taken verstaan die aan het samenwerkingsverband dan wel ondersteunende organisatie zijn overgedragen.

Bij variant 1 dienen alle taken te worden onderbracht in een onderling samenwerkingsverband. Bij variant 2 zijn de taken die onder bestuursondersteuning (zie sub a) facultatief (ter eigen afweging van het bestuur).

Algemeen

De subsidie bedraagt voor alle pg- organisaties met een instellingssubsidie uit dit beleidskader met ingang van 2020 maximaal € 60.000. Dit subsidiebedrag bestaat uit een basisbedrag van maximaal € 45.000 en een eventueel aanvullend subsidiebedrag van € 10.000 of € 15.000 in geval van een gedeelde backoffice.

In geval van fusie

Indien twee of meer pg-organisaties met een instellingssubsidie uit dit beleidskader gaan fuseren tot één nieuwe rechtspersoon, wordt de maximale instellingssubsidie waar de rechtspersoon voor in aanmerking komt bepaald door de maxima voor de fusiepartners bij elkaar op te tellen.

De verhoging van de maximaal aan te vragen instellingssubsidie is ook van toepassing op de pg-organisaties die reeds gefuseerd zijn. Duidelijkheidshalve, in geval van fusie en een gedeelde backoffice wordt het aanvullend subsidiebedrag van € 10.000 of € 15.000 niet bij elkaar opgeteld.

Subsidieplafond en wijze van verdeling

Het subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten uit subsidiestroom 1 bedraagt jaarlijks € 11 miljoen. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld.

Aanvragen kunnen vanaf 1 september tot uiterlijk 1 oktober om 12:00 uur worden ingediend. Alle tijdig ontvangen aanvragen worden getoetst aan de bovengenoemde drempel- en organisatiecriteria. De aanvragen van nieuwe pg-organisaties worden in aanvulling hierop ook getoetst aan de criteria voor nieuwe organisaties. Indien met het toewijzen van de aanvragen die aan de criteria voldoen het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt voorrang gegeven aan de aanvragen van pg-organisaties die in voorgaande jaren al subsidie hebben verkregen op grond van het beleidskader. Met het resterende beschikbare bedrag worden vervolgens aanvragen toegewezen van nieuwe pg-organisaties die aan de criteria voldoen (drempel- en organisatiecriteria en de criteria voor nieuwe subsidie aanvragende organisaties), op volgorde van binnenkomst, totdat het plafond is bereikt.

Subsidiestroom 2 is uitsluitend bedoeld voor de drie landelijke pg-koepels, te weten de Patiëntenfederatie Nederland, Ieder(in) en MIND Landelijk Platform Psychische Gezondheid.

Deze drie koepels vertegenwoordigen de stem van de cliënt. Zij maken zich namens hun aangesloten leden (pg-organisaties en samenwerkingsorganisaties) en hun achterban sterk voor mensen met een (chronische) ziekte of beperking en hun naasten. Zij behartigen hun belangen als gebruiker van zorg en als mensen die willen meedoen in de maatschappij. De inbreng van ervaringsdeskundigheid is daarbij een leidend principe.

De drie pg-koepels bestrijken en vertegenwoordigen de totale breedte van het pg-veld. Zij hebben een belangrijke regierol; een coördinerende en verbindende functie, met name waar het gaat om aandoeningsoverstijgende of gemeenschappelijke onderwerpen. Als vertegenwoordiger van de cliëntenbeweging nemen zij bijvoorbeeld deel aan bestuurlijk overleg met de koepelorganisaties van zorgaanbieders, zorgverzekeraars, of vertegenwoordigers van de overheid of maatschappelijke organisaties.

De landelijke pg-koepel beschikt over:

De landelijke pg-koepel moet voldoen aan de volgende organisatiecriteria:

De koepels geven vorm aan hun regierol door in het activiteitenplan ten behoeve van de besteding van de instellingssubsidie in ieder geval doelen en activiteiten betreffende de volgende structurele taken op te nemen:

De drie pg-koepels zijn vrij om andere activiteiten uit te voeren. De koepels kunnen voor die activiteiten echter geen subsidie op grond van dit beleidskader aanvragen of aanwenden.

Van deze subsidietitel zijn uitgesloten (niet uitputtend):

De minister bepaalt jaarlijks het subsidiebudget. Voor de jaren 2019 t/m 2022 een totaalbedrag beschikbaar is van maximaal € 6 miljoen per jaar voor instellingssubsidies. Voor 2023 is er een totaalbedrag beschikbaar van maximaal € 7.309.154.

De verdeling van het subsidiebudget voor 2019 t/m 2022 geschiedt als volgt:

De verdeling van het subsidiebudget voor 2023 geschiedt als volgt:

Indien de drie pg-koepels fuseren, heeft dat geen gevolgen voor het subsidiebudget.