U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-11-2018.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 oktober 2018, kenmerk 1427093-181524-CZ, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en ggz-instellingen (Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3)Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,P.Blokhuis

De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan ggz-instellingen voor het stimuleren van gestandaardiseerde elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder en een verbeterde inzet van e-health bij ggz-instellingen worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

In afwijking van artikel 7.5, tweede en derde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS legt de ontvanger van een subsidie voor modules, bedoeld in hoofdstuk 2 van de bijlage bij dit besluit, tevens verantwoording af door het overleggen van:

Indien de modules waarvoor subsidie is verleend geheel zijn verricht, maar niet wordt voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 2, onder b en c, kan in afwijking van artikel 7.5, vierde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS de subsidie lager worden vastgesteld.

Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 2018 en vervalt met ingang van 1 juli 2021.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3.

Deze beleidsregels zijn een vervolg op het Besluit vaststelling Beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (Stcrt. 21december 2016, nr. 68985), waarbij algemene ziekenhuizen in aanmerking kunnen komen voor een subsidie zodat zij uiterlijk met ingang van 1 juli 2021 gestandaardiseerd informatie kunnen uitwisselen met de patiënt (verder: VIPP fase 1), en op het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2 (Stcrt. 13 juli 2017, nr. 41685), dat geldt voor de overige instellingen voor medisch specialistische zorg, met uitzondering van de academische ziekenhuizen en de instellingen die uitsluitend geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verlenen. Deze beleidsregels bevatten een uitwerking van een vergelijkbare subsidieregeling voor de instellingen die op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gefinancierde geestelijke gezondheidszorg leveren (ggz-instellingen) (zie hoofdstuk 2 en 3) en organisaties die deze instellingen en patiënten in de geestelijke gezondheidszorg vertegenwoordigen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Net als bij de VIPP fase 1 en 2 wordt de achtergrond van deze beleidsregels gevormd door de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 2 juli 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013-14, 27 529, nr. 130), waarbij het beleid op het terrein van verbetering van de ICT-infrastructuur in de zorg is uiteengezet.

Doel van deze regeling is dat ook ggz-instellingen op korte termijn een digitaliseringslag maken om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit houdt in dat ggz-instellingen in 2021 op een gestandaardiseerde en veilige manier medische informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt. Dit draagt eraan bij dat mensen de regie krijgen over hun eigen medische gegevens en deze op termijn binnen de digitale Persoonlijke Gezondheidsomgevingen veilig kunnen beheren en gebruiken. Binnen het samenwerkingsverband MedMij werken partijen in de zorg samen om ervoor te zorgen dat websites en applicaties beschikbaar komen voor zorgprofessionals en patiënten die voldoen aan het MedMij-afsprakenstelsel. Het MedMij-afsprakenstelsel waarborgt dat informatie veilig uitgewisseld en gebruikt kan worden door deze zorgprofessional en de patiënt. De uitgangspunten van MedMij zijn daarmee relevant voor de wijze waarop ggz-instellingen de gegevensuitwisseling tussen de patiënt en de zorgverlener en de inzet hiervan binnen e-healthtoepassingen nader vormgeven. De digitale informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional moet, conform het VN gehandicaptenverdrag1 ook toegankelijk zijn voor mensen met een beperking.

Daarnaast is bij de bestuurlijke afspraken ‘aanpak wachttijden ggz’ van 13 juli 2017 vastgesteld dat er behoefte is aan opschaling van de implementatie van e-health en een betere digitale informatievoorziening in de ggz om onder meer de wachttijdproblematiek te beperken:

‘In de ggz kan meer gebruik gemaakt worden van e-health mogelijkheden. Met het beter toepassen van de beschikbare mogelijkheden kan de zorg meer op maat worden verleend, effectiever, efficiënter en meer toegankelijk aangeboden worden en wordt de regie van de patiënt waar mogelijk vergroot. Investeringen in e-health zorgen ervoor dat de ggz in de toekomst beter is uitgerust om het groeiend aantal patiënten te kunnen helpen. Oplossing: De inzet van e-health wordt stevig uitgebreid en e-health wordt beter toegankelijk gemaakt. (…) Door de inzet van e-health, kunnen patiënten die op de wachtlijst staan eerder worden geholpen en is er al een intensiever contact tussen behandelaar en de patiënt op de wachtlijst zodat verergering wordt voorkomen. Ook wordt geïnvesteerd in de informatievoorziening, zoals verbeterde uitwisseling tussen zorgverleners en hun patiënt en zorgverleners onderling. Tot slot wordt e-health ingezet om medicalisering te voorkomen, om mensen zelfredzamer te maken en zo de groei van de vraag naar ggz in goede banen te leiden.’

Op het vlak van e-health is er in de ggz-sector al veel ontwikkeling. Dit zijn echter losse initiatieven, waardoor het daadwerkelijke gebruik van deze toepassingen achterblijft. Daarnaast is de vraag op welke wijze ggz-patiënten en behandelaren e-health toepassingen kunnen vinden die vindbaar, betrouwbaar en van kwaliteit zijn. Het is gewenst dat binnen de ggz-sector onderling meer kennis wordt gedeeld en inzicht wordt ontwikkeld in de kwaliteit van de verschillende initiatieven. Opschaling is nodig en de betrouwbaarheid en vindbaarheid moet vergroot worden, zodat e-health in kan worden gezet als zelfhulp, ter preventie, op het moment dat men in de wacht staat voor behandeling, als onderdeel van de behandeling of als nazorg. Tevens zal de inzet van e-health bijdragen aan kortere wachttijden in de ggz-zorg doordat de patiënt sneller bij de juiste behandelaar terecht komt en de tijdsinzet van behandelaren per patiënt kan worden verkort.

De ICT in de ggz-sector is nu onvoldoende toekomstbestendig en niet voorbereid op de digitaliseringsslag die nodig is om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit betreft met name het ontsluiten van medische gegevens naar patiënten zelf en anderen die bij de zorg van deze patiënten betrokken zijn. De doelstellingen in de genoemde brief ‘e-health en zorgverbetering2’ van 2 juli 2014 benadrukken al het belang van de behoefte naar informatiestandaarden en e-health in de zorg: ‘Er zijn belemmeringen in de informatie-uitwisselingen. Er is behoefte aan (geaccepteerde) technische standaarden die zorgadministraties en apps onderling interoperabel maken.’

Sectorbreed heeft de ggz nog een grote stap te maken waar het gaat om het ontsluiten van informatie naar de patiënt. Verschillende ggz-instellingen zijn al wel aan de slag met een patiëntenportaal en/of e-health-initiatieven. Door GGZ Nederland is met de relevante partijen uit het veld een visie en een plan van aanpak opgesteld om via het verbeteren van digitale gegevensuitwisseling de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Daarbij is rekening gehouden met de verschillen tussen instellingen in de mate van ontsluiten van informatie naar de patiënt, zoals volgt uit de nulmeting, zodat de concurrentiepositie van instellingen die al voorop lopen niet wordt beïnvloed door subsidie van de overheid. Deze visie is gericht op een waardegedreven zorg, heet ‘@PATIENT connect3’ en is benut bij het opstellen bij deze beleidsregels.

Doel van het onderhavige besluit

Deze subsidieregeling kent twee doelen: verbeterde en gestandaardiseerde informatie-uitwisseling in de ggz (tussen patiënt en professional en professionals onderling) en beter gebruik van e-health, mede om de wachttijden terug te dringen.

Opbouw subsidieregeling

Deze beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3 bestaan uit vijf onderwerpen die beschreven staan in hoofdstuk 2 tot en met 6. Onderstaande toelichting is daarom als volgt opgebouwd.

Hoofdstuk 2 gaat in op de subsidies voor verschillende modules voor ggz-instellingen ten behoeve van de implementatie in de praktijk.

Hoofdstuk 3 betreft een subsidie voor koplopers die niet in aanmerking komen voor de modules C1 en C2 uit hoofdstuk 2. Ook deze koplopers moeten volgende stappen gaan zetten in de gestandaardiseerde elektronische gegevensuitwisseling of het gebruik van e-health.

Hoofdstuk 4 gaat in op de programmabegeleiding door GGZ Nederland. Deze subsidie bevat een combinatie van activiteiten die samenhangen met de rol van belangenbehartiger van ggz-instellingen en activiteiten die nodig zijn om dit programma te realiseren.

Hoofdstuk 5 gaat nader in op de vindbaarheid, betrouwbaarheid en de patiëntgerichtheid van de toepassingen van e-health door het realiseren van een wegwijzer. Bij het inrichten van deze wegwijzer moet het patiëntenbelang voorop staan. Deze subsidie ter bevordering van de positie van de patiënt in de zorg is bedoeld voor de vertegenwoordiger van patiëntenorganisaties op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, te weten: MIND.

Hoofdstuk 6 gaat in op het inbouwen van standaarden in de Elektronische Patiënten Dossiers die de ggz-instellingen gebruiken. De gebruikersverenigingen van de ggz-instellingen moeten dit laten realiseren door de leveranciers van de systemen die zij hiervoor gebruiken.

In Hoofdstuk 7 en 8 wordt ingegaan op de juridische kaders waarbinnen op basis van deze beleidsregels subsidie wordt verstrekt.

In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de gevolgen voor de administratieve lasten.

Hoofdstuk 10 regelt de inwerkingtreding.

Juridisch inbedding

Subsidiëring op het terrein van het Ministerie van VWS geschiedt op basis van de Kaderwet VWS-subsidies. De subsidies worden verstrekt met inachtneming van de voorschriften van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling). Daarin zijn de verplichtingen die over en weer gelden tussen subsidieontvanger en subsidiegever neergelegd. In artikel 1.2 van de Kaderregeling staat dat subsidies worden verstrekt die passen binnen het beleid van de Kaderwet VWS-subsidies. Overeenkomstig artikel 1.3 kunnen die activiteiten en de voorwaarden waaronder subsidieverstrekking plaatsvindt in beleidsregels nader worden bepaald. Onderhavige beleidsregels ‘subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3 (VIPP fase3)’ vormen het kader voor de subsidieverstrekking. Op de verstrekking van de subsidies zijn zowel de Kaderregeling als deze beleidsregels van toepassing.

Begrippenlijst

In deze subsidieregeling worden diverse begrippen regelmatig gebruikt. Voor de eenduidigheid van de toepassing van de regeling en tevens voor de leesbaarheid is onderhavige begrippenlijst opgenomen.

De subsidie is bedoeld voor instellingen voor medische specialistische zorg die op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gefinancierde geestelijke gezondheidszorg leveren8 (ggz-instellingen). Deze instellingen leveren verzekerde zorg aan eigen patiënten. Indien een instelling deel uitmaakt van een groep (concern)9 is op basis van deze beleidsregels slechts één subsidie per groep mogelijk.

Ziekenhuizen die op grond van het beleidskader VIPP fase 1 alsmede overige instellingen voor medisch specialistische zorg die op grond van de beleidsregels VIPP fase 2 in aanmerking (kunnen) komen voor subsidie, zijn uitgezonderd van deze regeling (VIPP fase 3). PUK10 of PAAZ11 zijn hiermee eveneens uitgezonderd van de subsidieregels in deze beleidsregels, omdat de ziekenhuizen reeds in aanmerking zijn gekomen voor een subsidie op grond van VIPP fase 1. Instellingen die een omzet verzekerde ggz-zorg hebben (basis-ggz en gespecialiseerde ggz)12 van € 500.000,– of lager in peiljaar 2016 of 2017 zijn ook uitgezonderd. Met de optie om ook voor peiljaar 2017 te kunnen kiezen, kunnen ook instellingen die een groeicurve doormaken in aanmerking komen voor een subsidie.

Voor de ggz-instellingen vergt het een behoorlijke inspanning om medische informatie en medicatiegegevens op een veilige manier en gestandaardiseerd vast te leggen en te ontsluiten en om meer e-health toepassingen tijdens en voorafgaand aan de behandelingen in te voeren en hiervan te leren. Om deze inspanning te kunnen realiseren moeten de ggz-instellingen diverse activiteiten uitvoeren. Afhankelijk van het vertrekpunt van de instelling verschillen de noodzakelijke activiteiten. Voor de ggz-instellingen die nu nog geen gestructureerde informatie vastleggen en ontsluiten ligt bijvoorbeeld een andere uitdaging dan voor instellingen die dat wel doen. Doordat er verschillende modules zijn binnen een onderdeel, kan de ggz-instelling de module aanvragen die past bij het vertrekpunt van de instelling. Op deze manier wordt ggz-breed een impuls gegeven en kan iedere instelling een stap maken. Het VIPP fase 3-programma bevat drie hoofdonderdelen:

Afhankelijk van de soort en de grootte van de ggz-instelling kan de omvang van de benodigde activiteiten en de daarbij redelijkerwijs te maken kosten verschillen. Om die reden is bij deze subsidie een onderverdeling gemaakt in verschillende categorieën ggz-instellingen. Doel van de onderverdeling is dat de instellingen een subsidie kunnen aanvragen die een goede stimulans is voor de eigen veranderopgave, waarbij er geen risico is dat deze financiële ondersteuning leidt tot overcompensatie. In onderdeel 2F is deze categorie-indeling en de hoogte van de subsidie per module nader toegelicht.

Het totaal aantal aanvragen per instelling is gelimiteerd tot drie modules uit de onderdelen A, B en C. Een instelling komt alleen in aanmerking voor subsidie indien voor tenminste module A1 of module A2 wordt gekozen en ook daadwerkelijk wordt behaald. Of een ggz-instelling een module heeft gerealiseerd, wordt beoordeeld op basis van de criteria van de module zoals beschreven in het Handboek VIPP toetsingsprocedure voor de onafhankelijke toetsing door een EDP/IT auditor (zie onderdeel H).

A patiënt en verbeterde informatie-uitwisseling (module A1 + A2)

Dit onderdeel heeft tot doel dat de medische gegevens van patiënten digitaal en gestandaardiseerd worden vastgelegd en beschikbaar worden gesteld voor patiënt en zorgprofessional. Het is van belang dat de patiënt op gestandaardiseerde wijze de beschikking heeft over zijn eigen dossiergegevens, zodat hij deze gegevens in zijn eigen PGO kan gebruiken. Hiertoe dienen de gegevens aan standaarden te voldoen om bijvoorbeeld uit het dossier van de ggz-instelling naar de bewuste patiënt ontsloten te kunnen worden en dient de zorgaanbieder gegevens uit haar ICT-systeem conform het MedMij afsprakenstelsel te kunnen ontsluiten naar PGO’s en het eventuele eigen patiëntenportaal.

De standaarden die in deze regeling gebruikt worden voor deze medische gegevens betreffen de ZIB’s die door MedMij, Nictiz en GGZ Nederland na afstemming met andere veldpartijen, zoals de LVVP, zijn vastgesteld. Deze ZIB’s komen zoveel mogelijk overeen met de ZIB’s die gebruikt worden voor MedMij en die reeds in VIPP fase 1 en 2 worden gebruikt. Voor bepaalde onderdelen zijn sectorspecifieke ZIB’s opgesteld. De ZIB’s voor de ggz zijn opgenomen in bijlage 1 (dit betreft een losse bijlage). Hierdoor past deze regeling binnen de landelijke ontwikkelingen zoals MedMij en Registratie aan de Bron. Het gestructureerd vastleggen van gegevens bevordert ook de herbruikbaarheid van gegevens door andere zorgverleners in de keten, indien de patiënt daar toestemming voor geeft.

Het onderdeel patiënt en verbeterde informatie-uitwisseling bestaat uit 2 modules: A1 en A2. Instellingen kunnen maximaal voor één module uit dit onderdeel subsidie aanvragen, module A1 óf module A2. Het onderscheid tussen module A1 en A2 is gelegen in het percentage patiënten dat gegevens heeft bekeken of ingelogd via een PGO of eventueel een patiëntenportaal of een ander platform waar je je gegevens kunt inzien (A1 tenminste 10% en A2 tenminste 15%).

Module A1: Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 een gegevensset over de behandeling aan PGO’s van patiënten kan aanbieden en eventueel ook via een patiëntenportaal

Resultaatsverplichtingen

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als uit de nulmeting die voorafgaand aan de subsidieaanvraag wordt uitgevoerd (zie D Aanvragen van een subsidie) blijkt dat al aan meer dan 50% van de resultaatsverplichtingen van de module wordt voldaan16. In die gevallen is de veranderopgave te beperkt voor de subsidie die de instelling voor deze module kan ontvangen en ontstaat een risico op overcompensatie.

Module A2: Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 een gegevensset over de behandeling aan PGO’s van patiënten kan aanbieden en eventueel ook via een patiëntenportaal

Resultaatsverplichtingen

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als uit de nulmeting die voorafgaand aan de subsidieaanvraag wordt uitgevoerd (zie D Aanvragen van een subsidie) blijkt dat al meer dan 40% van ZIB conform de MedMij-standaarden kan worden.

Aanvullende bepalingen inzake MedMij afsprakenstelsel

Binnen het Informatieberaad zorg zijn zorgbreed doelen vastgesteld op het gebied van veilig en gestandaardiseerd uitwisselen van patiënteninformatie20. Een belangrijk onderdeel hiervan is het afsprakenstelsel MedMij, dat de spelregels bevat voor ICT-leveranciers om veilig gegevens uit te kunnen wisselen met patiënten. Met het hebben van een overeenkomst voor ontsluiting van gegevens naar een PGO, met een ICT leverancier die voldoet aan het MedMij afsprakenstelsel, zorgt de instelling ervoor dat patiënten gebruikers daadwerkelijk in hun PGO kunnen gaan beschikken over de ggz-gegevens. Dit sluit aan bij outcomedoel 2 van het Informatieberaad: ‘Alle zorgaanbieders ondersteunen een gelijkwaardiger samenwerking tussen patiënt en zorgverleners en bieden daarom vanaf 1 januari 2020 aan burgers de mogelijkheid om hun medische gegevens digitaal en gestructureerd in te zien en die gegevens te ontsluiten naar hun PGO waaraan zij hun eigen gegevens kunnen toevoegen’.

Met inachtneming van de ontwikkelingen in het veld zijn er in Module A1 en A2 nadere regels opgenomen. Onder resultaatsverplichtingen in de onderdelen 2 voor de verplichtingen van ggz-instellingen is opgenomen dat zij gebruik maken van een dergelijke leverancier die MedMij gecertificeerd is. Gedurende de looptijd van deze subsidieregeling wordt gemonitord of de ambities die geformuleerd zijn ten aanzien van het afsprakenstelsel, gerealiseerd worden volgens de huidige verwachting. Deze nadere regels vervallen ingeval er sprake is van overmacht bij het behalen van deze resultaatverplichting. Onder overmacht wordt hier bijvoorbeeld een van de volgende situaties verstaan:

Daarbij is het wel van belang dat de ggz-instelling aantoont de passende activiteiten (bijvoorbeeld intensief overleg, onderhandelingen) te hebben ondernomen om bij de eigen ICT leverancier erop aan te dringen te voldoen aan het MedMij afsprakenstelsel. Mocht de leverancier desondanks de ontsluiting van gegevens naar PGO’s conform het MedMij afsprakenstelsel niet tijdig realiseren, dan dient de ggz-instelling hier tijdig melding van te maken (in ieder geval voor 1 juli 2020) bij het Ministerie van VWS. Ik wijs hierbij op de meldingsplicht van subsidieontvangers van artikel 5.7 van de Kaderregeling.

Een instelling kan daarnaast uitstel vragen, als hij van ICT-leverancier wil wisselen om aan de resultaatsverplichtingen te kunnen gaan voldoen. Het verzoek om uitstel moet zo snel mogelijk of in ieder geval vóór 1 februari 2021 worden gedaan.

B Medicatie informatie (B1 + B2)

De doelen van dit onderdeel zijn dat er bij het voorschrijven van medicatie eerst of gelijktijdig medicatieverificatie plaatsvindt, medicatiebewaking door de inzet van het EVS, het gestandaardiseerd digitaal versturen van een medicatievoorschrift naar de apotheek en het aanbieden van een actueel medicatieoverzicht aan de patiënt bij ontslag uit de ggz-instelling.

Meestal gaan recepten nog op papier of per fax naar de apotheek. Het risico hiervan is dat de recepten onjuist gebruikt worden, bijvoorbeeld door een voorschrift bij meerdere apotheken af te halen of te vervalsen. Daarnaast zijn de administratieve lasten in het huidige werkproces hoog, het recept moet gefaxt worden en de ontvangstbevestiging wordt handmatig verwerkt. Een vooraankondiging21 van het medicatievoorschrift dat elektronisch verstuurd wordt, komt alleen bij de voorkeursapotheek van de patiënt.

Daarnaast wordt het vaak nog aan de patiënt gevraagd zelf aan te geven welke medicatie hij gebruikt, of dat hij bij de apotheek een actueel medicatieoverzicht opvraagt en meeneemt naar de instelling. Vervolgens verifieert de instelling met de patiënt of het actuele overzicht van de medicatie (de verstrekte medicatie) overeenkomt met de medicatie afspraken tussen arts(en) en patiënt. Wanneer deze informatie digitaal beschikbaar is bij de instelling, hoeft de instelling de informatie van het papieren overzicht niet eerst op of over te nemen, hetgeen het risico op medicatiefouten verlaagt, de administratieve last vermindert en leidt tot meer tijd voor de patiënt. Medicatieverificatie met de patiënt blijft nodig. De patiënt heeft niet meer de last om een recent actueel medicatieoverzicht bij de eigen apotheek op te moeten halen. Als het geverifieerd actuele medicatieoverzicht bij opname of een ambulante afspraak completer is, dan kan de zorgverlener beter geïnformeerd medicatie voorschrijven.

Tot slot is er ook niet altijd een digitaal actueel medicatieoverzicht bij ontslag aanwezig, waardoor het mogelijk is dat de patiënt en/of de opvolgende zorgverleners niet weten welke medicatieafspraken de ggz-zorgverlener met de patiënt gemaakt heeft. De digitale informatie over wat afgesproken is tussen de ggz-zorgverlener en patiënt over het gebruik van de medicatie ontbreekt. Dit is nodig om actueel inzicht te hebben in de medicatieafspraken en om de risico’s op medicatiefouten te beperken.

De medicatieafspraak moet ook beschikbaar gesteld kunnen worden aan andere zorgverleners (bijvoorbeeld door aanmelding op het Landelijk Schakel Punt22 of een ander uitwisselingssysteem). Het kunnen raadplegen van de medicatieafspraak biedt andere zorgverleners in de keten de mogelijkheid om bij een ggz-instelling op te vragen wat de medicatie(afspraak) bij ontslag is geweest. Medicatieafspraken na ontslag of een ambulante afspraak zijn ook beschikbaar voor raadpleging door andere zorgverleners, mits de patiënt toestemming heeft gegeven.

Het onderdeel Medicatie en informatie bestaat uit 2 modules: B1 en B2. Ggz-instellingen kunnen subsidie voor beide modules aanvragen indien het een instelling betreft waar medicatie wordt voorgeschreven. Zoals hiervoor reeds aangegeven mag een instelling maximaal drie modules uit de onderdelen A, B en C aanvragen. Wanneer een instelling zowel subsidie voor module B1 en B2 aanvraagt, kan die instelling slechts voor één andere module uit onderdeel A subsidie aanvragen.

Module B1: Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 medicatievoorschriften digitaal aan kan bieden als vooraankondiging en/of elektronisch recept

Resultaatsverplichtingen

Op 1 februari 2021 heeft de ggz-instelling een werkwijze geïmplementeerd waarmee zij recepten elektronisch kan versturen, conform de standaard voor vooraankondiging (van het officiële recept) en /of het elektronisch recept. Het bericht van de vooraankondiging dient verstuurd te worden conform de informatiestandaard voor het medicatieproces versie 9.06 of hoger23. Een ggz-instelling die gebruik maakt van een EVS dat reeds in staat is om de vooraankondiging conform versie 6.12 van de informatiestandaard voor het medicatieproces te versturen, mag de vooraankondiging ook met deze versie versturen.

Van de voorgeschreven recepten moet in de periode van 30 dagen minimaal 30% als vooraankondiging elektronisch verstuurd worden. In geval dat de doelstelling niet wordt behaald om reden dat apotheken niet in staat zijn de vooraankondiging conform versie 9.06 of hoger te ontvangen, dan dient de instelling aan te tonen dat zij in staat is de vooraankondiging conform deze versie te versturen.

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als uit de nulmeting die voorafgaand aan de subsidieaanvraag wordt uitgevoerd (zie onderdeel D) blijkt dat de gevraagde functionaliteit reeds geïmplementeerd is in bijvoorbeeld het EVS en/of wanneer van de voorgeschreven recepten reeds voor meer dan 15% vooraankondigingen verstuurd worden conform de betreffende standaard voor het medicatieproces.

Module B2: Activiteiten die er toe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 gestandaardiseerd digitaal een actueel overzicht van medicatie kan raadplegen als onderdeel van het medicatieproces en daar medicatieverificatie op uitvoert en ditzelfde overzicht aan de patiënt kan verstrekken bij ontslag

Resultaatsverplichtingen

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als uit de nulmeting die voorafgaand aan de subsidieaanvraag wordt uitgevoerd (zie D Aanvragen van een subsidie) blijkt dat voor meer dan 5% van de klinische patiënten de medicatiegegevens digitaal worden opgevraagd bij de apotheek.

C beter gebruik e-health (module C1+C2)

Het doel van dit onderdeel is om de inzet van e-health binnen de ggz te vergroten en de gegevensuitwisseling tussen e-health modules en het EPD van de instelling te realiseren.

De ggz kampt met wachtlijsten. Een manier om bij te dragen aan de oplossing voor dit probleem is het inzetten van e-health modules. Een e-health module kan tijdens de behandeling worden ingezet zodat het aantal face-to-face contacten met de hulpverlener omlaag kan, wat leidt tot meer efficiëntie in de behandeling en minder belasting bij behandelaren.

Een e-health module kan ook worden ingezet in de periode tussen de intake en start van de behandeling, en tussen het moment van aanmelden en de intake. Hierdoor kan er een zinvollere invulling gegeven worden aan de tijd dat de patiënt op de wachtlijst staat. Module C1 is gericht op het vergroten van de inzet van e-health bij de behandeling vanaf de intake.

Een e-health module is onderdeel van de behandeling, wanneer de inzichten die met de e-health toepassing verzameld worden, in het zorgproces worden gebruikt. Het kan bijvoorbeeld gaan om (een combinatie van) instructies, vragenlijsten, virtual reality en bewegend beeld in interactie met de patiënt. Het zal altijd wenselijk zijn enige gegevens over de e-health behandeling in het dossier op te nemen, bijvoorbeeld wat de conclusies waren en of de module succesvol doorlopen is. Een e-health toepassing waarmee alleen een enkel digitaal formulier wordt ingevuld door patiënten (zoals de ROM vragenlijst of een evaluatie vragenlijst), of een toepassing met als enige functionaliteit schriftelijke (mail, app) of mondelinge communicatie (beeldbellen) valt niet binnen de definitie van e-health module zoals gebruikt in deze regeling.

In de huidige situatie vindt er vaak nog geen gegevensuitwisseling plaats tussen het EPD en de e-health module(s). Hierdoor moeten patiënten voor de medische gegevens uit hun dossier op een andere plek inloggen (bijvoorbeeld in het patiëntenportaal), dan voor de e-health module. Daarnaast moet de behandelaar ook inloggen in een andere applicatie dan het EPD, om de gegevens uit de e-health module in te kunnen zien. Gegevens worden hierdoor handmatig overgenomen, wat het risico op onjuiste gegevens vergroot. Het elektronisch uitwisselen van gegevens kan bijvoorbeeld door middel van Koppeltaal24 (of een gelijksoortige oplossing). Module C2 is gericht op het verbeteren van deze gegevensuitwisseling. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat e-health modules vaak gericht zijn op een specifieke doelgroep, die samenhangt met de diagnose en de bijbehorende behandeling.

De ggz-patiënten en professionals die gebruik hebben gemaakt van e-health zullen na afloop feedback geven over de ervaring met de e-health module. Daarmee kunnen ervaringen met e-health modules gedeeld worden met een breder publiek. Bedoeling van de feedback (positief of negatief) is het creëren van een leereffect en zal enkel gebruikt worden voor kennisontwikkeling over de juiste inzet van e-health. Dat wordt bereikt door het schrijven van reviews door patiënten en professionals, onder meer via de wegwijzer voor vindbaarheid, betrouwbaarheid en patiëntgerichtheid van e-health uit hoofdstuk 5.

Het onderdeel beter gebruik e-health bestaat uit 2 modules: C1 en C2. Instellingen kunnen maximaal voor één module uit dit onderdeel subsidie aanvragen, module C1 of module C2.

Om mogelijke dubbele financiering of overcompensatie te voorkomen, komen instellingen niet in aanmerking voor module C1 of C2, wanneer zij in hun contractafspraken met zorgverzekeraars een extra vergoeding voor de opschaling van e-health hebben opgenomen. Dit wordt achteraf gecontroleerd bij de vaststelling in 2021. Wanneer achteraf blijkt dat de subsidieverkrijger reeds via de afspraken met de zorgverzekeraars gefinancierd wordt voor beter gebruik van e-health, dan wordt deze subsidie teruggevorderd.

Tevens vallen de toepassingen en de zorg die wordt gesubsidieerd via de subsidieregeling anonieme e-mentalhealth25 buiten deze regeling. Dit wordt gecontroleerd via de informatie van het zorginstituut hierover26. Indien nodig zal extra informatie bij de instelling worden opgevraagd zoals de verantwoordingsdoucmenten zoals de instelling ook in het kader van de subsidieregeling anonieme e-mentalhealth moet opleveren Ook hiervoor geldt, wanneer achteraf blijkt dat de subsidieverkrijger in aanmerking kwam voor de subsidie anonieme e-mental health wordt de onderhavige subsidie teruggevorderd.

Module C1: activiteiten die ertoe leiden dat ggz-instellingen op 1 februari 2021meer gebruik maken van e-health modules als onderdeel van de behandeling

Resultaatsverplichtingen

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

In de norm is een percentage van 10% van het aantal patiënten opgenomen. Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als het percentage van patiënten dat gebruik maakt van e-health modules reeds op 5% ligt. De verwachting is dan namelijk dat de instelling weinig inspanning hoeft te leveren om aan deze verplichting te voldoen.

Module C2: activiteiten die ertoe leiden dat ggz-instellingen op 1 februari 2021 meer gebruik maken van e-health modules als onderdeel van de behandeling en activiteiten die ertoe leiden dat op 1 februari 2021 gegevens die worden verzameld met e-health modules getoond kunnen worden in het EPD

Resultaatsverplichtingen

Wanneer komt een instelling niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie voor deze module als het percentage van patiënten dat de te koppelen e-health module gebruikt reeds op 10% ligt ten tijde van de nulmeting en/of er al een koppeling is tussen het EPD-systeem van de instelling en de behandelmodule of wanneer deze behandelmodule al onderdeel is van hetzelfde systeem. De verwachting is dan namelijk dat de instelling in dat geval weinig inspanning moet leveren danwel te weinig kosten moet maken om aan deze module te voldoen en dat er een risico is voor overcompensatie.

D Aanvragen van een subsidie en nulmeting

Of een instelling voldoet aan de subsidievoorwaarden voor de modules wordt beoordeeld op basis van de omzet verzekerde zorg (basis-ggz en gespecialiseerde ggz) en de nulmeting. Subsidie voor de onderdelen A tot en met C kan enkel worden aangevraagd indien de ggz-instelling heeft deelgenomen aan de nulmeting.

De nulmeting wordt vooraf uitgevoerd door GGZ Nederland. In deze nulmeting, die via GGZ Nederland aan ggz-instellingen ter beschikking wordt gesteld, wordt vastgesteld wat de huidige staat van gegevensontsluiting en inzet van e-health van een instelling is. Daarmee bepaalt de nulmeting of en voor welke module de ggz-instelling voor subsidie in aanmerking zou kunnen komen. Deze informatie wordt door GGZ Nederland steekproefsgewijs gecontroleerd via verificatiebezoeken. Waar nodig wordt deze informatie door een onafhankelijk bureau getoetst. Ook het Ministerie van VWS toetst via openbare informatie, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een patiëntenportaal, of de aangeleverde informatie en nulmeting klopt. Of er sprake is van een groot deel van de activiteiten dat al is uitgevoerd, wordt bepaald aan de hand van de kosteninschatting van de activiteiten die reeds zijn behaald en de activiteiten die nog moeten worden behaald. De ene activiteit vergt immers veel minder inspanning en kosten dan andere activiteiten. Dit is meegenomen in de criteria waarmee bepaald wordt dat een instelling niet in aanmerking komt voor de subsidie. Het Ministerie van VWS toetst bij twijfel ook of de instelling nog voldoende activiteiten moet verrichten om toekenning van de module te rechtvaardigen.

Instellingen kunnen maximaal drie van de zes modules aanvragen. Daarbij moet in geval van modules A en C gekozen worden voor A1 of A2 en C1 of C2. Dit komt omdat in deze modules verschillende ambitieniveaus zijn verwerkt. Dit om zowel middenmoters als voorlopers een impuls te geven. Van module B kan wel zowel B1 als B2 aangevraagd worden.

E Aanvullende subsidievoorwaarden

Deze regeling beoogt veilige en gestandaardiseerde gegevensuitwisseling. In deze beleidsregels wordt noodzakelijkerwijs uitgegaan van de huidige informatiestandaarden. Dat laat onverlet dat het gewenst is dat ggz-instellingen kunnen aansluiten bij de nieuwe versies van de genoemde standaarden, zoals die nu worden ontwikkeld in het kader van het MedMij programma in het Informatieberaad. GGZ Nederland wordt in staat gesteld om hierin te participeren en kennis over te delen naar instellingen via de subsidie in hoofdstuk 4.

Informatiestandaarden:

Doel van deze regeling rondom de informatie-uitwisseling is om (digitale) informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional te stimuleren. Dit is gewenst zodat patiënten regie over hun eigen gegevens krijgt. Hierbij is het van belang dat de patiënt zijn gegevens in gestandaardiseerde vorm aangeleverd krijgt, zodat de gegevens herbruikbaar zijn in PGO of bij andere zorgverleners. Wanneer de gegevens interoperabel zijn, hoeft de patiënt niet langer dezelfde gegevens en metingen bij verschillende zorgverleners te laten doen. De interoperabiliteit van de medische gegevens wordt in deze regeling geborgd door het gebruik van informatiestandaarden. Deze informatiestandaarden schrijven voor in welke vorm en met welke terminologie de instellingen de gegevens naar de patiënt dient te ontsluiten.

Veiligheidsstandaard:

Elektronische uitwisseling van medische gegevens is een privacygevoelige zaak. Het is van belang dat de gegevens enkel ontsloten worden aan hiertoe bevoegde personen. Het is om deze reden van belang betrouwbare patiëntauthenticatie te gebruiken. In de brief aan de Tweede Kamer van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 augustus 2016 over Impuls eID wordt gerapporteerd over de voortgang van het eID beleid. Eén van de benoemde actiepunten is het in het BSN domein op termijn toegroeien naar patiëntauthenticatie op het hoogste betrouwbaarheidsniveau zodra deze middelen breed beschikbaar komen. Ook wordt gewerkt aan een multimiddelenaanpak, waarmee authenticatiemiddelen niet enkel door de overheid (DigiD) aangeboden worden (Kamerstukken II 2015-16, 26 643, nr. 419). In de brief van 26 juni 2017 (Kamerstukken II 2017, nr. 476) wordt gemeld dat de komende periode de ontwikkeling van publieke eID middelen onder de naam DigiD op hogere betrouwbaarheidsniveaus in volle gang doorgaan. Met het oog op het waarborgen van de continuïteit van de dienstverlening is het daarnaast wenselijk dat ook zo spoedig mogelijk in ieder geval een alternatief voor het betrouwbaarheidsniveau ‘substantieel’ breed beschikbaar komt. In lijn met deze ontwikkeling dienen instellingen – vanaf het moment dat deze middelen op redelijke schaal beschikbaar komen – authenticatie van de patiënt voor het verkrijgen van toegang tot medische informatie als bedoeld in module B1, mogelijk te maken op het betrouwbaarheidsniveau van eIDAS Substantieel.

Standaarden voor digitale toegankelijkheid

Er zijn (nog) geen specifieke standaarden beschikbaar voor de digitale toegankelijkheid van de ZIB’s*. Om ervoor te zorgen dat de medische informatie ook toegankelijk is voor mensen met een visuele beperking dient de instelling een analyse te maken hoe de digitale toegankelijkheidsnormen zo volledig mogelijk worden toegepast bij het systeem waarmee patiënten hun informatie naar zich toe kunnen halen en bij de inzet van e-health. Deze toegankelijkheidsnormen zijn vastgelegd in de Web Content Accessibility Guidelines (WAGC 2.0 niveau AA). De instelling maakt via een toegankelijkheidsverklaring op haar website kenbaar in welke mate zij aan de eisen voldoen. De toegankelijkheidsnormen en de model toegankelijkheidsverklaring zijn te vinden op de website www.digitoegankelijk.nl.

F Hoogte van de subsidie

Er is een categorie-indeling gemaakt om ervoor te zorgen dat instellingen met een gelijksoortige veranderopgave met een bijpassende vergoeding samen in een categorie zitten. Deze categorie-indeling is gebaseerd op de complexiteit van de opgave voor de verschillende soorten instellingen en de DBC-omzet. Bij grote instellingen is de investeringsopgave afhankelijk van het soort instelling: of de instelling zich richt op een beperkte doelgroep of een brede doelgroep. Bij kleinere instellingen moet ermee rekening worden gehouden dat kosten lager zijn doordat er minder medewerkers bij de veranderopgave betrokken zijn.

De groep ggz-instellingen kent de volgende onderverdeling:

Ggz-instellingen die een omzet verzekerde zorg van minder dan € 500.000 hebben (peildatum 2016 of 2017), komen niet in aanmerking voor onderhavige subsidie.

Er geldt per categorie een vast subsidiebedrag per module. Per categorie is een subsidiebedrag vastgesteld dat nog voldoende stimulerend is om de veranderopgave te stimuleren, zonder dat er risico op overcompensatie ontstaat. Deze bedragen zijn opgenomen in tabel 2.1. Deze subsidiebedragen zijn op de volgende wijze tot stand gekomen. D&A Medical Group BV heeft bij een aantal ggz-instellingen een kostenraming opgevraagd voor de benodigde investeringen om de resultaten te bereiken en bij een aantal instellingen die reeds deelresultaten bereikt hebben de daadwerkelijk gemaakte kosten bij het maken van deze deelresultaten. Daarnaast heeft D&A Medical Group BV deze resultaten geverifieerd met de ervaringskennis die zij hebben opgebouwd doordat zij bij verschillende instellingen betrokken zijn bij de realisatie van de modules uit VIPP fase 1 en VIPP fase 2. De vaste subsidiebedragen in deze subsidiestroom zijn ten opzichte van de berekende bedragen in het onderzoek van D&A Medical Group BV op basis hun ervaringskennis en de kosteninformatie van instellingen dusdanig laag vastgesteld dat overcompensatie niet kan optreden.

De gezamenlijk aangevraagde subsidies moeten het bedrag van € 25.000,– overstijgen aangezien de kaderregeling niet de mogelijkheid biedt om subsidie lager dan 25.000 euro te verlenen.

G Hoe wordt subsidie aangevraagd?

Voor het aanvragen van subsidie door ggz-instellingen is een aanvraagformulier beschikbaar. Op het formulier wordt de volgende informatie gevraagd:

Indien de ggz-instelling in aanmerking wil komen voor de subsidie dient het aanvraagformulier tussen 1 november 2018 en 1 mei 2019 gestuurd te worden aan Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). De activiteiten van de subsidie mogen aanvangen op de dag van ontvangst van het aanvraagformulier, maar het komt voor risico van de aanvrager dat hij geen vergoeding krijgt als de aanvraag wordt afgewezen.

H Vaststelling en eindtoets

In afwijking van artikel 7.5, tweede en derde lid van de Kaderregeling, legt een ggz-instelling verantwoording af door het overleggen van de rapportage van de eindtoets door een onafhankelijke IT-auditor. Met de eindtoets wordt bepaald of de ggz-instelling het resultaat van een module heeft gehaald.

De IT-auditor dient ingeschreven te staan in het register van gekwalificeerde IT-auditors (het Register EDP-Auditor, dat beheerd wordt door NOREA29). Getoetst wordt of de uitgevoerde activiteiten inderdaad geleid hebben tot het behalen van het functionele doel; werkende gegevensontsluiting naar de patiënt, gebruik van de gegevensontsluiting door patiënten en interoperabiliteit tussen verschillende zorgaanbieders. Voor het uitvoeren van de toetsing is het Handboek VIPP toetsingsprocedure opgesteld (bijlage 2). In dit handboek wordt concreet, gedetailleerd en per module beschreven hoe de auditor moet toetsen of een resultaat voldoende is behaald. Dit handboek is afgestemd met NOREA, de beroepsorganisatie van IT-auditors. Indien de toetsing op basis van de criteria in dit handboek positief is, is voldaan aan de betreffende subsidievoorwaarde. De toetsing is daarmee doorslaggevend voor het oordeel of de instelling het resultaat van een module uit de onderdelen A (patiënt en verbeterde informatie-uitwisseling), B (medicatie informatie) of C (beter gebruik van e-health) heeft gehaald, dan wel dat de subsidie op nihil moet worden vastgesteld. Indien uit de rapportage blijkt dat de resultaten niet zijn gehaald, kan het recht op de subsidie vervallen en kan deze op nihil worden vastgesteld. Uitzonderingen hierop zijn de bepalingen zoals hierboven opgenomen over het MedMij afsprakenstelsel.

Om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze subsidieregeling kan de subsidie in overeenstemming zijn met de DAEB De-minimisverordening30.

Concreet houdt dat in dat de ggz-instelling niet meer dan € 500.000 in totaal aan DAEB de-minimis staatssteun mag ontvangen in een aaneengesloten periode van drie belastingjaren. Met het ondertekenen van een de-minimisverklaring verklaart het bestuur van de ggz-instelling over de eerder verleende staatssteun, zodat beoordeeld kan worden of de subsidie in overeenstemming is met de DAEB De-minimisverordening.

Financiële bijdragen van private fondsen tellen niet mee voor de DAEB de-minimisverklaring. Zo wordt steun vanuit een fonds dat de middelen van loterijen verdeelt, als privaat fonds beschouwd. Deze bijdragen worden niet aangemerkt als overheidssteun. Bijdragen van fondsen die door de overheid worden gefinancierd, zoals bijvoorbeeld het Nederlands Filmfonds, tellen wel mee voor de de-minimisverklaring.

De de-minimisverklaring maakt deel uit van het aanvraagformulier.

De verantwoording van de subsidies waarop de ‘DAEB de-minimisverordening’ van toepassing is, bestaat uit bovengenoemde rapportage van de eindtoets en de verklaring dat de instelling in drie belastingjaren niet meer dan € 500.000,– overheidssubsidie ontvangt. Deze rapportage van de eindtoets en de verklaring komen in plaats van het in artikel 7.5, tweede lid, van de Kaderregeling genoemde assurancerapport en rapport van feitelijke bevindingen.

Bij subsidieontvangers die over een periode van drie belastingsjaren € 500.000 of meer aan overheidssubsidies ontvangen, wordt op andere wijze gecontroleerd of de subsidie geen overcompensatie oplevert. In afwijking van artikel 7.5, tweede en derde lid, wordt naast bovengenoemde rapportage van de eindtoets van de IT auditor gevraagd om een controleverklaring door een accountant. Om te kunnen vaststellen of er geen sprake is van overcompensatie zijn de volgende voorwaarden eveneens van toepassing op de subsidieontvanger: De ggz-instelling moet aantonen dat:

Deze rapportage van de eindtoets van de IT-auditor en de controleverklaring van de accountant dat er geen sprake is van overcompensatie, komen in plaats van het in artikel 7.5, tweede lid, van de Kaderregeling genoemde assurancerapport en rapport van feitelijke bevindingen. Indien de verklaringen niet kan worden overgelegd of de accountant van oordeel is dat de kosten van de instelling het ontvangen subsidie bedrag niet overschrijden, dan kan de subsidie op een lager bedrag worden vastgesteld.

Onverkort blijft de meldingsplicht zoals deze is opgenomen in de Kaderregeling van kracht, en zal daar extra streng op worden getoetst en gehandhaafd. Hierbij zal er eveneens worden gelet op of er wel of geen samenwerking is met een zorgverzekeraar en/of een instelling zelf meldt wanneer er sprake is van overcompensatie.

Als laatste verricht VWS aan het einde van de looptijd van de regeling bij meerdere instellingen een steekproef om te controleren of er geen sprake is van overcompensatie.

Dit onderdeel is gericht op ggz-instellingen die Zvw gefinancierde ggz-zorg leveren31, maar die niet voor subsidie van modules C1 en C2 uit het vorige hoofdstuk in aanmerking komen omdat uit de nulmeting is gebleken dat zij de resultaatsverplichtingen van deze modules al (verregaande) gerealiseerd hebben. Dit zijn de koplopers op het gebied van e-health binnen de sector.

Ook voor deze koplopers is gewenst en noodzakelijk dat zij verdere stappen in de opschaling van e-health kunnen zetten. Door het benutten van hun kennis kan de hele ggz-sector profiteren van de verdere doorontwikkeling en opschaling van e-health toepassingen of informatie-uitwisseling in de keten. Deze koplopers kunnen daarom een ‘voucher voor koplopers’ aanvragen.

Doel van dit onderdeel van deze subsidieregeling is innovaties op het gebied van e-health door koplopers te ondersteunen. Deze extra innovaties richten zich op verdere implementatie of ontwikkeling van e-health ten behoeve van blended care ter overbrugging van de periode tussen aanmelding bij de ggz-instelling en intake. Ook kunnen deze innovaties zich richten op de doorontwikkeling van gegevensuitwisseling tussen patiënten en (ggz-) instellingen middels gebruik van een PGO in de keten. Bijvoorbeeld in regionaal verband met keten- of netwerkpartners die al op weg zijn met het aansluiten op PGO-oplossingen en gegevens willen uitwisselen tussen het PGO en hun EPD, e-health toepassingen en/of ROM-systemen. Hierdoor biedt het de patiënt vanuit één omgeving een samenhangend overzicht van de gezondheid, het ziekteverloop, onderzoek, diagnose en behandelingen. Het is gewenst dat deze koplopers in hun projecten het bereik van deze regeling verbreden naar doelgroepen voor geestelijke gezondheidszorg die niet uitsluitend vanuit de Zvw worden bekostigd, maar bijvoorbeeld vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (wmo) en/of Wet Jeugdzorg. Daarnaast kan een voucherproject zich richten op de ondersteuning van ketenzorg, waarbij ook niet-ggz partijen zoals huisartsen of ziekenhuizen betrokken kunnen worden.

Daarnaast wordt met deze subsidie beoogd extra stappen te zetten op het gebied van de ontwikkeling van opschaling van e-health. De voucher telt als één module: als een instelling een voucher aanvraagt, kan deze instelling nog voor maximaal twee andere modules in aanmerking komen op basis van het vorige hoofdstuk.

A Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Dit subsidieonderdeel is bestemd voor activiteiten die passen binnen de doelstellingen van de regeling, en die erop gericht zijn op het doel te bereiken zoals in de paragraaf hierboven is beschreven. Dit betreft met name de opschaling van e-health initiatieven in de ggz, die bijdragen aan betere gegevensuitwisseling voor-, tijdens- en na de behandeling en die bijdragen aan betere samenwerking in de keten, zodat de juiste zorg op de juiste plek kan worden geleverd en de patiënt intensiever bij de behandeling wordt betrokken.

Activiteiten die in de aanvraag kunnen worden opgenomen zijn en welke niet vallen onder de activiteiten zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 2:

B Benutten/ uitbesteden van voucher

De koploper kan de voucher zelf benutten, maar hij kan ook besluiten met zijn voucher een project van een andere ggz-instelling, die koploper is te steunen. Een subsidieaanvraag kan met één of met meerdere vouchers worden ingediend. Het maximale subsidiebedrag waar de instelling voor in aanmerking komt betreft de cumulatieve waarde van de meegestuurde vouchers.

Het overleggen van een voucher houdt in dat een vouchergever de projectsubsidieaanvraag van de subsidieaanvrager steunt. Een voucher is geen waardebon noch een zelfstandig recht op subsidieverstrekking. De subsidie wordt alleen verstrekt aan de subsidieaanvrager; de instelling die de aanvrager met een voucher ondersteunt, krijgt zelf geen subsidie.

Aanvragen van een voucher

Voor het aanvragen van subsidie door ggz-instellingen is een aanvraagformulier beschikbaar. Op het formulier wordt de volgende informatie gevraagd:

C Aanvragen van een subsidie

De aanvraag wordt ingediend door één subsidieaanvrager. Een subsidieaanvraag betreft minimaal € 125.000,–. Er kan een subsidieaanvraag worden ingediend met de eigen voucher en die van andere vouchergevers, die de aanvraag steunen. Het ter beschikking stellen van een voucher door een vouchergever aan een subsidieaanvrager geschiedt om niet, dus zonder financiële vergoeding.

Kosten die gemaakt worden door andere ondersteunende ggz-instellingen dan de subsidieaanvrager kunnen gefinancierd worden uit de subsidie. Deze onkosten moeten dan betrekking hebben op en ten behoeve zijn van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en deze onkosten moeten dan duidelijk worden toegelicht in onder andere het activiteitenplan bij de subsidieaanvraag.

De aanvraag van de koploper bevat de concrete activiteiten die worden verricht en de afspraken die alle ggz-instellingen daarover hebben gemaakt. Uit de subsidieaanvraag blijkt duidelijk welke concrete activiteiten de koploper verricht voor de subsidie.

De subsidie wordt aangevraagd zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Kaderregeling. Dit wil zeggen een aanvraag met onder andere een projectplan met begroting (hoofdstuk 2, onderdeel G). De beoordeling van de subsidievaststelling wordt gedaan op basis van de werkelijk gemaakte kosten, voorzien van een controleverklaring. Het subsidiebedrag waarvoor men in aanmerking kan komen betreft ten hoogste 50% van de gemaakte kosten (hoofdstuk 2, onderdeel H).

Wanneer komt men niet in aanmerking?

Een instelling komt niet in aanmerking voor deze voucher-subsidie als uit de nulmeting blijkt dat het percentage aan patiënten dat e-health modules gebruikt nog niet op 10% ligt ten tijde van de nulmeting. Ook komt de instelling niet in aanmerking voor deze voucher wanneer er al een koppeling is tussen het EPD-systeem van de instelling en de e-healthmodule of wanneer deze e-health module al onderdeel is van hetzelfde systeem. In dat geval komt de instelling in aanmerking voor module C1 of C2 uit het vorige hoofdstuk.

Een instelling komt eveneens niet in aanmerking als de instelling drie modules op basis van het vorige hoofdstuk aanvraagt.

D Aanvullende subsidievoorwaarden

Naast de voorwaarden van de genoemde activiteiten waarvoor men subsidie zou kunnen aanvragen, gelden nog aanvullende voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie op basis van een voucher:

E Hoogte van de subsidie

Een voucher correspondeert met een maximale vastgestelde waarde. Het betreft een subsidie voor instellingen die omdat zij koploper zijn niet in aanmerking komen voor de C-modules. Ten behoeve van een gelijk speelveld is ervoor gekozen deze waarde overeen te laten komen met het bedrag dat de instellingen ontvangen die een C-module aanvragen, zie tabel 2.1 van het vorige hoofdstuk. Per categorie van instelling is hieronder de waarde opgenomen van de voucher die zij kunnen ontvangen. De waarde van de voucher die een ggz-instelling aan kan vragen is daarom mede afhankelijk van de categorie waar de instelling in valt, zoals toegelicht in hoofdstuk 2 onderdeel F.

De subsidie aan de subsidieaanvrager wordt berekend aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten. Het subsidiebedrag waarvoor men in aanmerking kan komen bedraagt ten hoogste 50% van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Hierbij wordt rekening gehouden met de cumulatieve waarde van de vouchers die de aanvraag steunen.

Voor de verantwoording van de gemaakte kosten zal een accountantsverklaring overlegd moeten worden.

F Hoe wordt de subsidie aangevraagd en vastgesteld

De voucher wordt aangevraagd via het aanvraagformulier zoals beschreven in hoofdstuk 2, onderdeel G. Indien de ggz-instelling in aanmerking wil komen voor de voucher dient het aanvraagformulier tussen 1 november 2018 en 1 mei 2019. gestuurd te worden aan Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I).

Voor de projectsubsidie geldt voor de aanvraag en vaststelling het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling.

Deze subsidieregeling is tot stand gekomen, nadat de ggz-instellingen zelf via de organisatie die hen grotendeels vertegenwoordigd een plan hebben opgesteld om de ICT-infrastructuur op orde te brengen om zo tot waardegedreven zorg te kunnen komen, de visie ‘@patientconnect’ (zoals reeds vermeld in hoofdstuk 1).

Deze subsidieregeling helpt instellingen zelf om een stap in de gewenste richting te zetten. Om die gezamenlijkheid te bewaken en om gemeenschappelijke vragen die instellingen hierbij tegenkomen heeft GGZ Nederland een rol in programmabegeleiding, vanuit haar rol als belangenbehartiger en vertegenwoordiger van de sector.

A Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

De subsidie is bedoeld voor activiteiten die GGZ Nederland uitvoert in het kader van de implementatie van het VIPP fase 3-programma en het doorontwikkelen van de standaarden. De doelgroep voor deze activiteiten betreft alle ggz-instellingen die meer gestandaardiseerd gegevens uit gaan wisselen en/of de inzet van e-health toepassingen in de zorg willen opschalen. Het gaat daarbij concreet om de volgende activiteiten:

B Aanvragen van een subsidie

De subsidie is uitsluitend bedoeld voor GGZ Nederland. GGZ Nederland kan op grond van de procedure van hoofdstuk 3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, in het bijzonder het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van deze regeling een subsidieaanvraag indienen. Dit houdt onder andere in dat de subsidieaanvraag wordt ingediend met een activiteitenplan en een begroting.

C Hoogte van de subsidie

De hoogte van het subsidiebedrag wordt gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten en kunnen niet hoger zijn dan de kosten zoals deze zijn opgenomen in de begroting (zie hiervoor de kaderregeling subsidies). Voor het programmamanagement betekent dit in totaal maximaal € 1.750.000 in de periode 1 november 2018 tot 1 juli 2021. Daarnaast wordt in totaal maximaal € 200.000 toegekend voor de werkzaamheden rondom de ZIB’s voor de ggz.

De begroting behelst per activiteit een overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. Tevens geldt dat de begroting die bij de aanvraag wordt ingediend, sluitend is.

Wanneer GGZ Nederland opdrachten of activiteiten in verband met bovenstaande doelstellingen wil uitbesteden aan een (commerciële) marktpartij, dan zal het inschakelen van deze marktpartij conform de regels van het aanbestedingsrecht en marktconforme condities moeten plaatsvinden.

D Vaststellen van de subsidie

Voor de projectsubsidie geldt voor de aanvraag en vaststelling het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling. Dit houdt onder meer in dat de verantwoording van de gemaakte kosten een controleverklaring moet worden overlegd.

Dit onderdeel is erop gericht dat er een overzicht komt van e-health toepassingen die in Nederland gebruikt worden34, voor welke aandoeningen zij ingezet kunnen worden en hoe professionals en andere patiënten deze toepassingen beoordelen.

Er bestaat een groot aanbod van apps op mobiele telefoons en andere e-health toepassingen met patiënten en/of behandelaren als doelgroep. Dit grote aanbod wordt op ongestructureerde wijze aangeboden, onder meer via de Apple App-store, Microsoft Store, Google Play, websites van verzekeraars en websites van ggz-instellingen. Er bestaat weinig overzicht van welke e-health toepassingen er zijn voor welke aandoening, wat bijvoorbeeld goede apps zijn, hoe betrouwbaar ze zijn en welke app voor welk doel kan worden ingezet. Daarnaast hebben de e-health toepassingverschillende doelen. Ze zijn op te delen in verschillende categorieën, bijvoorbeeld:

Voor andere e-health initiatieven, zoals zelfhulp-websites, blended care toepassingen die alleen onder begeleiding van een professional doorlopen kunnen worden en virtual reality toepassingen is gebleken dat deze niet goed vindbaar zijn en wanneer deze worden aangeboden hoe betrouwbaar ze zijn.

Voor deze kwetsbare patiënten betekent die onduidelijkheid, dat zij niet weten wat geschikte e-health toepassingen zijn, waaronder de laagdrempelige apps op hun mobiele telefoon of wat het e-health aanbod is. Hierdoor missen zij informatie in de fase voordat zij contact zoeken met een behandelaar, missen zij mogelijkheden om voor zichzelf te zorgen of om hun behoeften goed in kaart te brengen, hun eigen rol in de behandeling niet goed in te kunnen vullen en lopen zij mogelijk kansen mis op gezondheidswinst. Ook is er een te grote variatie in kwaliteit en gebruiksvriendelijkheid van de toepassingen. Door wegwijs te worden in het aanbod van e-health toepassingen en de beoordeling van professionals en patiënten van de verschillende toepassingen kan er beter geleerd worden van best practises en kunnen de beste initiatieven ingezet worden voor opschaling.

Het is van belang dat deze wegwijzer vanuit het perspectief van de patiënt wordt opgesteld. Het is nadrukkelijk de wens dat de behoefte van patiënten centraal staan in de zorg en dat zij zich geholpen voelen op het moment dat zij steun nodig hebben, ook als zij nog geen professionele hulp gezocht hebben of als zij op een wachtlijst staan. Deze groep patiënten is over het algemeen minder weerbaar. Daarnaast kunnen er problemen zijn op het gebied van angst en het vertrouwen in anderen. Het belang van deze patiënten moet daarom voorop staan bij het inrichten van bovengenoemd overzicht. De aanbieders van e-health toepassingen hebben vaak een eigen belang: instellingen hebben bijvoorbeeld een belang om patiënten naar zich toe te geleiden en soms worden er zelfs voor de patiënt schadelijke toepassingen ontwikkeld, zoals websites die anorexiapatiënten stimuleren om verder af te vallen. Juist bij de ontwikkeling van het e-healthoverzicht voor deze kwetsbare groep patiënten is het van belang dat dit wordt gerealiseerd door een stevige vertegenwoordiger van de patiënt. Om die reden wordt deze functie bij de landelijke koepel van ggz-patiëntenorganisaties neergelegd: Stichting MIND zie ook het ‘besluit vaststelling beleidskaders inzake subsidiering van patiënten- en gehandicaptenorganisaties35’. Stichting MIND is tevens de vertegenwoordiger van de patiënt in het overleg waar deze subsidieregeling uit voort is gekomen uit de afspraken gemaakt zijn op 13 juli 2017 met betrokken partijen over het terugdringen van de wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg (Kamerstuk 25 424, nr. 369).

Samengevat is de subsidie bedoeld voor activiteiten die stichting MIND uitvoert om een digitale wegwijzer te vormen ten aanzien van e-health rond en in de ggz-zorgverlening. Dit met als doel, personen die op de wachtlijst staan om geholpen te worden, de weg te wijzen naar apps en e-health interventies die zij reeds kunnen gebruiken tijdens hun periode van wachten en/of de weg te wijzen naar de juiste zorg. Deze wegwijzer moet ook bruikbaar zijn voor personen die reeds in behandeling zijn.

A Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

Ter realisatie van bovengenoemd overzicht voor alle mensen in Nederland die zich geestelijk minder weerbaar of gezond voelen, kan de subsidie worden ingezet voor de volgende activiteiten:

B Aanvragen van een subsidie

De subsidie is uitsluitend bedoeld voor stichting MIND. Stichting MIND kan subsidie aanvragen op grond van de procedure van hoofdstuk 3 van de Kaderregeling, in het bijzonder het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van deze regeling. Dit houdt onder andere in dat de subsidie aanvraag wordt ingediend met een activiteitenplan en een begroting.

C Aanvullende subsidievoorwaarden

Voor een passende productdefinitie is het noodzakelijk een indicatie te hebben van mogelijkheden voor duurzame financiering na 1 februari 2021. Immers, wanneer in de beoordelingssystematiek professionele inzet noodzakelijk is, heeft het de voorkeur die duurzaam te kunnen alloceren. Gezien het grote huidige aanbod aan e-health en de marktdynamiek zal ook na 2020 de behoefte blijven bestaan om de bedoelde transparantie te verschaffen. Omgedraaid: wanneer duurzame financiering niet tot de mogelijkheden behoort worden bij inrichting van de digitale wegwijzer, moeten er andere keuzes gemaakt worden.

D Hoogte van de subsidie

E Vaststellen van de subsidie

Voor deze subsidie geldt voor de aanvraag en vaststelling het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Dit houdt onder meer in dat de verantwoording van de gemaakte kosten een controleverklaring moet worden overlegd.

De subsidie uit dit onderdeel is bedoeld voor gebruikersverenigingen van EPD- en EVS-systemen voor ggz-instellingen. Voor het bereiken van de doelstellingen uit deze regeling zijn niet alleen activiteiten binnen ggz-instellingen zelf nodig: er zijn ook aanpassingen (in de software van) het EPD en EVS nodig om de gewenste resultaten te behalen. Een belangrijke les uit VIPP fase 1 is dat het efficiënter en effectiever is om de benodigde wijzigingen aan de software te bundelen en integraal in de systemen door te laten doorvoeren, in plaats van iedere instelling apart hierover met de ICT-leverancier in contact te laten gaan. Voor elk van de instellingen gelden dezelfde specificaties die in het EPD geïmplementeerd moeten worden. Naast de software aanpassingen die nodig zijn om de doelstellingen te halen, moeten er ook rapportages uit het EPD gehaald kunnen worden om te toetsen of aan de doelstellingen voldaan is.

Voor (een aantal van de) EPD en EVS-leveranciers hebben de ggz-instellingen zich als gebruikers verenigd in een gebruikersvereniging. Deze verenigingen bundelen de vragen van ggz-instellingen zodat gewenste aanpassingen geprioriteerd kunnen worden en integraal kunnen worden doorgevoerd in het centrale systeem, zonder dat er een wildgroei van maatwerkoplossingen ontstaat en de ICT zo goed mogelijk aansluit bij de werkprocessen en behoeften van de professionals, de gebruikers van deze ICT-toepassingen.

Om de ggz-instellingen samen te laten optrekken richting de softwareleveranciers, stel ik de subsidie niet per instelling ter beschikking, maar per gebruikersvereniging binnen de ggz-sector Deze gebruikersverenigingen spelen een centrale rol bij bovengenoemde vraagarticulatie en prioritering van de aanpassingen die nodig zijn in (de software van) EPD en EVS voor alle gebruikers om de doelstellingen van deze beleidsregels te kunnen realiseren. Deze gebruikersvereniging formuleert gezamenlijk met alle aangesloten instellingen een behoeftestelling en geeft de ICT-leverancier opdracht deze door te voeren. Dit betekent ook dat niet iedere instelling zelf de kennis in huis hoeft te hebben om deze dialoog met de ICT-leverancier te voeren, maar dat dit via de gebruikersvereniging loopt.

De definitie van gebruikersvereniging, is een vereniging met als doel het product van de EVS of EPD leverancier af te stemmen op de behoefte van de ggz-instelling en haar professionals. Er dienen minimaal drie instellingen die zijn toegelaten voor het leveren van medisch specialistische zorg lid te zijn van de vereniging, waarvan minimaal één instelling een middelgrote, grote of integrale ggz-instelling is, zoals gedefinieerd in deze regeling VIPP fase 336.

Gebruikersverenigingen kunnen subsidie aanvragen om daarmee de softwareleverancier de aanpassingen aan het EPD en EVS te laten bouwen en beschikbaar te stellen. Wanneer een ggz-instelling niet is aangesloten bij een gebruikersvereniging en zelf de onderhandeling doet met de software leverancier kan deze geen gebruik maken van dit onderdeel van deze beleidsregels. De aanpassingen in de systemen moeten ter beschikking komen voor alle ggz-instellingen welke gebruik maken van deze systemen.

A Activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie

De gebruikersverenigingen kunnen voor subsidie in aanmerking komen, zodat zij de benodigde aanpassingen in de EPD’s kunnen financieren, de activiteiten die daar voor nodig zijn,zijn:

De subsidievaststelling is niet gekoppeld aan een resultaatsverplichting, maar aan een inspanningsverplichting. Wanneer de gebruikersvereniging niet de juiste afspraken kan maken met de softwareleveranciers heeft dit tot gevolg dat de aangesloten ggz- instellingen een achterstand hebben voor het kunnen implementeren van de onderdelen A, B en C van deze subsidieregeling. Indirect wordt op die manier het bereiken van resultaat geborgd.

B aanvragen van een subsidie

Een gebruikersvereniging kan op grond van de procedure van hoofdstuk 3 van de kaderregeling subsidies OC&W, SZW en VWS subsidie aanvragen. Dit houdt onder andere in dat de subsidieaanvraag wordt ingediend met een activiteitenplan en een begroting.

Indien de gebruikersvereniging in aanmerking wil komen voor de subsidie dient het aanvraagformulier tussen 1 november 2018 en 1 mei 2019 gestuurd te worden aan Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). De activiteiten van de subsidie mogen aanvangen op de dag van ontvangst van het aanvraagformulier, maar de aanvrager zal geen vergoeding krijgen voor de activiteiten als de aanvraag wordt afgewezen.

C aanvullende subsidievoorwaarden

De gebruikersvereniging dient aan te tonen dat zij voldoet aan de definitie van een gebruikersvereniging van deze regeling. Dit houdt in dat zij een ledenlijst voegt bij de aanvraag, inclusief bewijs van lidmaatschap van het minimaal aantal leden en contactgegevens van deze leden, zodat ter controle van de rechtmatigheid van de aanvraag contact opgenomen kan worden met deze leden.

Er kan maximaal één gebruikersvereniging subsidie aanvragen per softwareleverancier. Indien er meerdere gebruikersverenigingen van één softwareleverancier, is op basis van deze beleidsregels slechts één subsidie per softwareleverancier mogelijk. Het is niet mogelijk dat twee gebruikersverenigingen van softwarepakketten van dezelfde software leverancier beide subsidie kunnen aanvragen. De gebruikersvereniging dient de belangen van alle gebruikers van het betreffende softwarepakket van die softwareleverancier en dient in de subsidieaanvraag aan te geven dat zij dit doet.

De oprichtingsdatum van de gebruikersvereniging moet voor 31 december 2018 liggen. Dit is gedaan om eventuele misbruik van de regeling te voorkomen. Sommige gebruikersverenigingen hebben (nog) geen rechtspersoonlijkheid. Rechtspersoonlijkheid is een vereiste om subsidie aan te kunnen vragen als vereniging. Het omzetten naar een juridische rechtspersoonlijkheid, mag van een latere datum zijn dan 1 november 2018, doch voor de aanvraag van de subsidie. De einddatum van deze subsidie ligt op 1 februari 2021.

Voor deze subsidie geldt een subsidieplafond. Het subsidieplafond bedraagt € 3.500.000,– euro. Het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

D Hoogte van het subsidiebedrag

Een gebruikersvereniging kan maximaal 250.000,– euro aanvragen. De subsidie aan de subsidieaanvrager wordt berekend aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten. Het is bekend dat de hoogte van 250.000,– onvoldoende is voor de gevraagde inspanningen. Er zal dus ook een eigen bijdrage nodig zijn van de leden die aangesloten zijn bij de gebruikersvereniging.

E Vaststellen van de subsidie

Voor deze subsidie geldt voor de aanvraag en vaststelling het arrangement zoals vastgelegd in artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling. Dit houdt onder meer in dat de verantwoording van de gemaakte kosten een controleverklaring moet worden overlegd.

De subsidies die op basis van deze beleidsregels verstrekt worden zijn alle aan te merken als een projectsubsidie. Per ggz-instelling zijn meerdere modules mogelijk die gezamenlijk als een projectsubsidie aan te merken zijn. Op de subsidieverstrekking op basis van deze beleidsregels zijn de bepalingen van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing. Meer concreet zijn dat de bepalingen die betrekking hebben op projectsubsidies.

Sommige bepalingen uit de Kaderregeling refereren specifiek aan bepaalde subsidiearrangementen.

De subsidies aan de ggz-instellingen (hoofdstuk 2) voor het VIPP-programma fase 3 zijn zogeheten p x q subsidies. Voor de verantwoording van de subsidie geldt dan het subsidiearrangement bedoeld in artikel 1.5, onder b, van de Kaderregeling. In aanvulling hierop vindt de toetsing, bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel H, plaats.

Voor de koploperssubsidie (hoofdstuk 3) is het arrangement van artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling van toepassing.

Voor de subsidie aan GGZ Nederland (Hoofdstuk 4) is het arrangement van artikel 1.5, onder d, van toepassing.

Voor de subsidie voor MIND voor vindbaarheid en patiëntgerichtheidvan e-healthapplicaties (hoofdstuk 5) is het arrangement van artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling van toepassing

Voor de subsidie voor gebruikersverenigingen voor het inbouwen van standaarden in de systemen (hoofdstuk 6) is het arrangement van artikel 1.5, onder d, van de Kaderregeling van toepassing.

Voorts zij verwezen naar de algemene procedure voor het aanvragen, verlenen en vaststellen van de subsidie en naar de standaardverplichtingen. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is te raadplegen via www.wetten.nl.

Van belang is dat een subsidiemaatregel geen ongeoorloofde staatssteun oplevert. Eén van de criteria waaraan dit beleidskader getoetst is, betreft de vraag of sprake is van een onderneming die een economische activiteit verricht.

De VIPP fase 3 regeling betreft vier verschillende subsidieonderdelen voor de ggz-sector.

De vier onderdelen:

De subsidie onder A vormt staatssteun. Dit geldt voor zowel de subsidie op grond van aangevraagde modules als de subsidie op grond van vouchers aan de koplopers.

De staatssteun kan gerechtvaardigd worden door de GGZ-instellingen te belasten met een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Net als ook gebeurd is bij VIPP fase 1 en fase 2. Instellingen die belast zijn met een DAEB mogen met een subsidie gecompenseerd worden voor de kosten van het uitvoeren van de DAEB. Er mag echter niet meer gecompenseerd worden dan nodig is voor de uitvoering van DAEB. Om hieraan uitvoering te geven wordt met elk van de subsidieontvangers een DAEB-uitvoeringsovereenkomst gesloten.

De subsidies aan instelling B en C voor de uitvoering van de activiteiten uit het beleidskader vallen buiten het toepassingsgebied van het staatssteunrecht. Weliswaar zijn de activiteiten waar subsidie voor wordt verstrekt, (deels) economisch van aard, maar deze activiteiten zijn ten opzichte van de overwegend niet economische activiteiten die de betreffende instellingen verrichten in omvang zo beperkt (minder dan 10%) en hangen daar zo nauw mee samen dat ze daarmee buiten het toepassingsbereik van de staatssteunregels vallen.

Bij de subsidie voor instelling D is evenmin sprake van staatssteun, omdat het hier niet om economische activiteiten gaat.

Het aanvragen van een subsidie door de ggz-instellingen (hoofdstuk 2) heeft gevolgen voor de administratieve lasten en nalevingskosten voor deze ggz-instellingen. Om in aanmerking te komen voor deze subsidie kunnen ggz-instellingen een aanvraag indienen. Op die aanvraag kunnen zij aangeven welke modules zij gaan uitvoeren. Ggz-instellingen aan wie een subsidie is toegekend, moeten voor de vaststelling van deze subsidie verantwoorden dat het resultaat is gehaald via een onafhankelijke toetsing die door een IT-auditor is uitgevoerd. Kosten voor het invullen van het aanvraagformulier en vaststellingsformulier per ggz-instelling is (8 uur * € 54= € 432). De nalevingskosten voor de IT-toetsing van drie afzonderlijke modules bedragen naar verwachting € 10.000,–. Kosten van een accountantsverklaring (€ 10.000). Kosten voor het invullen van de nulmeting (25 uur * € 54= € 1350). Kosten voor het aantonen dat er geen sprake is van overcompensatie (1 (uur per week) * 116 (weken looptijd regeling) *€ 54 = € 6264).

Bij de subsidie voor de koplopers kan een koploper-ggz-instelling een subsidieaanvraag indienen. De kosten voor het invullen van de subsidieaanvraag inclusief de eventuele afstemming met de andere ggz-instellingen die de aanvraag ondersteunen over de uit te voerenactiviteiten bedragen (4 uur * € 54= € 216). Voor de subsidievaststelling dient het koploper ggz-instelling de activiteiten te verantwoorden inclusief een accountantsverklaring. De kosten bedragen (8 uur * € 54= € 432).

Deze beleidsregels treedt in werking met ingang 1 november 2018 en vervalt met ingang van 1 juli 2021.

Binnen de VIPP ggz regeling zijn zorginformatiebouwstenen (zibs) van toepassing op de modulen A1, A2, B2 en C2. In de VIPP ggz regeling is het feitelijk gebruik van dossiergegevens en e-health door patiënten het uitgangspunt. Deze bijlage verwijst naar de technische inbouw en ontsluiting van de zibs in het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) en het ontvangen en beheren van de gegevens in patiëntenportalen en/of persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO). Concreet gaat het om het kunnen leveren van gestructureerde gegevens conform de zibs (de content) vanuit EPD’s en aanpalende systemen zoals lab of medicatie en om het kunnen ontvangen en van de op deze zibs gebaseerde gegevens in patiëntenportalen en / of PGO’s conform het MedMij afsprakenstelsel. De samenstelling van deze lijst is met MedMij en Nictiz afgestemd.

Alle zibs waarnaar hieronder wordt verwezen zijn gepubliceerd op https://zibs.nl/wiki/ZIB_Publicatie_2017(NL).

De HL7 FHIR profielen waar naar verwezen wordt zijn gepubliceerd op

Afhankelijk van de zorg die een instelling biedt zijn verschillende zibs relevant. Dit onderscheid in zorg is als volgt: ambulante zorg zonder voorschrijven medicatie (I), ambulante zorg met voorschrijven medicatie (II) en zorg met verlijf (III). Binnen elke categorie geldt dat het verplicht is om 90% van de daar opgesomde verplichte zibs te implementeren in het EPD en in het portaal of PGO, zie het handboek voor de eindtoets.

Om het gebruik van het MedMij stelsel te stimuleren in de ggz zal de verplichte inbouw plaatsvinden van een van de MedMij profielen die zijn gepubliceerd in het MedMij afsprakenstelsel. Bij beschikbaarheid van een HL7 FHIR profiel, wordt getoetst op basis van dat profiel. Echter, nog niet elke zib heeft al een FHIR profiel. In het geval een zib FHIR profiel ontbreekt wordt getoetst op basis van de zib specificatie. Zie:

In onderstaande tabel is aangegeven welke zibs verplicht zijn bij welke module en welke zorg.

1 Deze zib wordt een afsplitsing van de bestaande zib vrijheid beperkende maatregelen en is onderhanden bij Nictiz.

Legenda Onder module:

D= volledig conform de datavereisten

I=de inhoud van de gegevenselementen

Onder zorg:

(I)= ambulante zorg zonder voorschrijven medicatie,

(II)= ambulante zorg met voorschrijven medicatie

(III)=zorg met verlijf

Nadere informatie per zib:

1 Deze zib wordt een afsplitsing van de bestaande zib vrijheid beperkende maatregelen en is onderhanden bij Nictiz.

12 oktober 201

INHOUDSOPGAVE

In het ‘Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3’ is opgenomen dat ggz instellingen in aanmerking kunnen komen voor subsidie als zij bepaalde doelstellingen gerealiseerd hebben en dit kunnen aantonen door middel van een extern uitgevoerde toets.

Dit handboek beschrijft de wijze waarop de toetsing van de VIPP GGZ-resultaatsdoelstellingen wordt uitgevoerd.

Hieronder is kort opgenomen wat het doel en de resultaatsverplichtingen uit het ‘Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3’ zijn. In het besluit zelf is een meer uitgebreide beschrijving van de VIPP GGZ resultaatsdoelstellingen terug te vinden.

De generieke beoordelingsprocedure voor de eindtoets is terug te vinden in hoofdstuk 2. Hierin wordt de algemene aanpak beschreven en zijn verslaglegging en planning uitgewerkt. In hoofdstuk 3 is het normenkader en de aanpak van de toets beschreven.

Doel van het Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional (VIPP) GGZ is dat ggz instellingen op korte termijn een digitaliseringslag maken om de zorg veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit houdt in dat ggz instellingen in 2021 op een gestandaardiseerde en veilige manier informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt. Op dit moment zet een aantal ggz instellingen de eerste stappen om informatie digitaal meer te ontsluiten. Duidelijk is ook dat instellingen dit niet allemaal op dezelfde manier doen en geen of niet dezelfde standaarden gebruiken. Om de zorg echt toekomstbestendig, veiliger en patiëntgerichter te maken, is het van belang dat ggz instellingen dezelfde informatie ontsluiten en daarbij dezelfde standaarden gebruiken, zodat de informatie onderling, met de patiënt en met andere zorgverleners gedeeld kan worden.

Hierbij zijn drie programma’s geformuleerd met de volgende (hoofd) doelstellingen:

Patiënt & informatie

Module A1 Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 een gegevensset over de behandeling aan PGO’s van patiënten kan aanbieden en eventueel ook via een patiëntenportaal.

Module A2 Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 een gegevensset over de behandeling aan PGO’s van patiënten kan aanbieden en eventueel ook via een patiëntenportaal.

A2 differentieert van A1 door een groter bereik onder de patiëntenpopulatie en een grotere gestandaardiseerde gegevensset (zib’s).

Patiënt & medicatie

Module B1 Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 medicatievoorschriften digitaal aan kan bieden als vooraankondiging en/of elektronisch recept.

Module B2 Activiteiten die ertoe leiden dat de ggz-instelling uiterlijk per 1 februari 2021 gestandaardiseerd digitaal een actueel overzicht van medicatie kan raadplegen als onderdeel van het medicatieproces en daar medicatieverificatie op uitvoert en ditzelfde overzicht aan de patiënt kan verstrekken bij ontslag.

Patiënt & eHealth

Module C1 Activiteiten die ertoe leiden dat ggz-instellingen op 1 februari 2021 meer gebruik maken van eHealth modules als onderdeel van de behandeling.

Module C2 Activiteiten die ertoe leiden dat ggz-instellingen op 1 februari 2021 meer gebruik maken van eHealth modules als onderdeel van de behandeling en activiteiten die ertoe leiden dat op 1 februari 2021 gegevens die worden verzameld met eHealth modules getoond kunnen worden in het EPD.

Uitgangspunt voor de toetsing is de door VWS verleende subsidie aan de betreffende ggz instelling.

Om in aanmerking te komen voor een VIPP GGZ-subsidie moet onafhankelijk worden vastgesteld dat de betreffende doelstellingen per module behaald zijn. De resultaten van het VIPP GGZ dienen te worden aangetoond door de resultaten van een onderzoek van een IT-auditor, geregistreerd als RE bij de NOREA. Een ggz instelling kan tussen 1 november 2018 en 1 augustus 2021 een eindtoets (VIPP-assessment) inplannen. De toets voor een module wordt uiterlijk aangevraagd op de dag waarop de betreffende module gerealiseerd moet zijn (1 februari 2021). De toetsing vindt plaats over data van een periode voor 1 februari 2021. Met de toets wordt aan het einde van de toetsingsperiode vastgesteld of aan de voorwaarden van de subsidieregeling is voldaan.

Daarbij geldt:

Indien tijdens het onderzoek niet of niet geheel aan normen wordt voldaan kan de ggz instelling gedurende de onderzoeksperiode herstelwerkzaamheden uitvoeren zodat alsnog aan de normen wordt voldaan. Indien de IT-auditor tijdens het VIPP-assessment vaststelt dat normen niet zijn behaald door het betreffende ggz instelling dan biedt de IT-auditor de mogelijkheid aan de ggz instelling om binnen de gestelde onderzoeksperiode herstelwerkzaamheden uit te voeren zodat alsnog aan de normen wordt voldaan. De IT-auditor dient vervolgens een her-audit uit te voeren. Dit handboek vormt de basis van de toets. Op basis van dit handboek is een VIPP GGZ beoordelingsmatrix opgesteld waarin per norm de bevindingen kunnen worden aangegeven. Deze matrix kan na publicatie van de regeling worden opgevraagd via www.vippggz.nl.

Op basis van het ‘Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3’ zijn in dit handboek (zie 3.1) de normen en meetmethodes gedefinieerd. In 3.2 wordt de onderzoekswijze nader toegelicht. De IT-auditor, geregistreerd als RE bij de NOREA, gebruikt bij zijn onderzoek de handreiking voor de IT-auditor en de beoordelingsmatrix. In deze matrix staan de criteria en meetmethodes specifiek beschreven per VIPP GGZ norm. Deze matrix is na publicatie (1 november 2018) van de regeling op te vragen op www.vippggz.nl.

Het uitgangspunt hierbij is dat het systeem voor gegevensverwerking- en uitwisseling (scope van het onderzoek) een onderdeel vormt van goed beheerde IT-systemen voor wat betreft algemene computer controles zoals toegangsbeveiliging, wijzigingsbeheer, operationeel beheer en continuïteitsmanagement. Het is de verantwoordelijkheid van de ggz instellingen om deze algemene IT-beheersmaatregelen te treffen. De beoordeling ervan valt buiten de scope van de beoordeling in het kader van deze subsidieregeling.

De modules bestaan uit normen die verder opgesplitst zijn in toetsingscriteria. Voor alle modules wordt een tolerantie van 90% gehanteerd: als tenminste 90% van de normen met betrekking tot de module in scope is gehaald door de instelling, dan voldoet de instelling aan de gestelde eisen. In hoeverre er aan de norm voldaan wordt, wordt bepaald op basis van de toetsingscriteria. Zo wordt voorkomen dat de auditor een negatief oordeel moet uitbrengen als er kleine afwijkingen geconstateerd zijn in de resultaten die gehaald moeten worden. Op de volgende wijze wordt bepaald of het resultaat van de module is gehaald. De module kent een aantal normen en per norm gelden een aantal toetsingscriteria. Als de doelstelling voor minimaal 90% is gerealiseerd (als bij 10 criteria aan 9 of meer is voldaan) dan wordt er voldaan aan de norm. De toetsingscriteria zijn daarbij ja/nee vragen die cumulatief uitmonden in een percentage per norm en zodoende ook in een percentage per doelstelling. Net zoals bij het VIPP-traject van de ziekenhuizen en de overige instellingen voor medisch specialistische zorg zal er met het handboek een pilot worden uitgevoerd in ggz-instellingen, waarna een handleiding en een beoordelingsmatrix worden opgesteld waarin gedetailleerd is opgenomen hoe de auditor deze criteria moet laten meewegen.

1 Dit is een bepaalde informatie-uitwisselingsstandaard. Een uitwisselingsstandaard is een set van afspraken om uitwisseling van gezondheidsgegevens tussen informatiesystemen van zorgverlenersop elektronische wijze mogelijk te maken. Zodra een uitwisselingsstandaard in zorginformatiesystemen is ingebouwd, kunnen deze systemen op uniforme wijze met elkaar communiceren. FHIR (spreek op z’n Engels uit fire) is bij uitstek geschikt voor het koppelen van verschillende applicaties en apparaten in een persoonlijke gezondheidsomgeving.

https://www.medmij.nl/wp-content/uploads/2017/06/Factsheet-MedMij-FHIR.pdf

2 Als de laboratoria de informatie niet gestructureerd conform zib’s aanbiedt aan de instelling dan hoeft de instelling deze informatie ook niet conform zib’s (handmatig) vast te leggen in haar ict-systemen en in zib-formaat door te zetten naar de patiënt.

3 De instelling moet kunnen aantonen dat het mogelijk is alle gegevens uit de zibs aan patiënten beschikbaar te stellen. Dit geldt alleen voor een testpatiënt, de instelling hoeft alleen de gegevens beschikbaar te stellen die vastgelegd worden. Conversie van historische data is geen onderdeel van de VIPP regeling.

4 https://www.digitaleoverheid.nl/dossiers/eidas/. Europese burgers en bedrijven moeten vanaf 29 september 2018 bij alle Nederlandse organisaties in de publieke sector kunnen inloggen met een door Europa erkend nationaal inlogmiddel. Dat hebben de EU-lidstaten met elkaar afgesproken in de eIDAS-verordening. De Europese Unie wil hiermee regelen dat het makkelijker en veiliger wordt om binnen Europa online zaken te regelen.

1 Dit is een bepaalde informatie-uitwisselingsstandaard. Een uitwisselingsstandaard is een set van afspraken om uitwisseling van gezondheidsgegevens tussen informatiesystemen van zorgverleners op elektronische wijze mogelijk te maken. Zodra een uitwisselingsstandaard in zorginformatiesystemen is ingebouwd, kunnen deze systemen op uniforme wijze met elkaar communiceren. FHIR (spreek op z’n Engels uit fire) is bij uitstek geschikt voor het koppelen van verschillende applicaties en apparaten in een persoonlijke gezondheidsomgeving.

https://www.medmij.nl/wp-content/uploads/2017/06/Factsheet-MedMij-FHIR.pdf

2 Als de laboratoria de informatie niet gestructureerd conform zib’s aanbiedt aan de instelling dan hoeft de instelling deze informatie ook niet conform zib’s (handmatig) vast te leggen in haar ICT-systemen en in zib-formaat door te zetten naar de patiënt.

3 De instelling moet kunnen aantonen dat het mogelijk is alle gegevens uit de zibs aan patiënten beschikbaar te stellen. Er geldt een tolerantie van 90%. Dit geldt alleen voor een testpatiënt, de instelling hoeft alleen de gegevens beschikbaar te stellen die vastgelegd worden. Conversie van historische data is geen onderdeel van de VIPP regeling.

4 Zie de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst artikel 7: 448 lid 3 Burgerlijk Wetboek.

5 zie voetnoot 13.

1 Een eHealth toepassing is onderdeel van de behandeling, de data die met de eHealth toepassing verzameld wordt, wordt gebruikt in het zorgproces. Het kan bijvoorbeeld gaan om (een combinatie van) instructies, vragenlijsten, virtual reality en bewegend beeld in interactie met de patiënt.

2 Er is sprake van aantoonbaar gebruik als de patiënt minimaal 3 keer heeft ingelogd op de eHealth module of minstens 80% van de eHealth module doorlopen heeft.

Het in dit handboek gebruikte authenticatieniveau substantieel is overgenomen van Europese eIDAS-Verordening (EU) 2014/910. Uiteindelijk moet het authenticatieniveau naar hoog, maar dit is bij publicatie van de regeling nog niet beschikbaar, daarom volstaat substantieel. Een omschrijving van de specificaties waar de authenticatie aan moet voldoen om substantieel te zijn, zijn omschreven in de uitvoeringsverordening 2015/1502 van de Europese Commissie. U kunt tevens meer informatie vinden op: https://www.eherkenning.nl/inloggen-met-eherkenning/leveranciers.

Op dit moment zijn in Nederland nog geen middelen op substantieel of hoog niveau breed beschikbaar. Wanneer deze middelen niet op tijd beschikbaar zijn, dient authenticatie plaats te vinden met tenminste tweefactorauthenticatie (zoals DigiD in combinatie met sms). Een lagere betrouwbaarheid is in ieder geval niet aanvaardbaar. Een voorbeeld hiervan is DigiD versterkt.

Om ervoor te zorgen dat de medische informatie ook toegankelijk is voor mensen met een (visuele) beperking dient de instelling een analyse te maken hoe de digitale toegankelijkheidsnormen zo volledig mogelijk worden toegepast bij het systeem waarmee patiënten hun informatie naar zich toe kunnen halen en bij de inzet van e-health. Deze toegankelijkheidsnormen zijn vastgelegd in de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG 2.0 niveau AA). De instelling maakt via een toegankelijkheidsverklaring op haar website kenbaar in welke mate zij aan de eisen voldoen. De toegankelijkheidsnormen en de model toegankelijkheidsverklaring zijn te vinden op de website www.digitoegankelijk.nl.

De IT-auditor voert zijn werkzaamheden in principe uit in lijn met geldende vaktechnische voorschriften. De IT-auditor is vanuit de privacywetgeving niet bevoegd om in het dossier van de patiënt te kijken of daadwerkelijk de relevante medische gegevens (gestandaardiseerd) zijn uitgewisseld met de patiënt of de zorgverlener. Daarom zal de methodiek bestaan uit twee onderdelen, testpatiënten en rapportages. De testpatiënt methodiek (fictieve patiënten met representatieve gegevens) wordt toegepast indien toetsing nodig is op individueel patiëntniveau. Bijvoorbeeld om de inhoud van de medische gegevensset die aan patiënten beschikbaar wordt gesteld te toetsen. De rapportage methodiek wordt toegepast indien toetsing nodig is op groepen patiënten. Bijvoorbeeld om de gebruikspercentages van een patiëntenportaal te meten of het aantal verzonden recepten.

Algemene toets vereisten, zoals vermeld in dit handboek, en de matrix ondersteunen het consistent toetsen en rapporteren over de behaalde subsidiedoelstellingen.

De testpatiënt casussen worden ingevoerd in een omgeving die de productieomgeving zo goed als mogelijk benadert. In de toets worden een testpatiënt gebruikt waarmee de te toetsen onderdelen van de subsidiedoelstellingen kunnen worden vastgesteld.

Op basis van de normen moeten voor de testpatiënten de volgende gegevens minimaal te toetsen zijn:

De onderdelen die niet getoetst kunnen worden op basis van individuele testpatiënt casussen zullen worden getoetst aan de hand van rapportages uit het EPD/EVS en eventueel het patiëntenportaal. Dit is van toepassing voor het aantonen van de actuele patiënten en medicatie(regel) aantallen en het gebruik van het patiëntenportaal dan wel download. Het is de verantwoordelijkheid van het management van de ggz instelling dat deugdelijke rapporten beschikbaar zijn, die gebaseerd zijn op betrouwbare gegevens, documentatie, observaties of andere werkzaamheden ter onderbouwing van de rapportages.

Bij het beoordelen van de rapportages dient de IT-auditor de relevantie en betrouwbaarheid van de informatie die gebruikt zal worden als assurance-informatie in overweging te nemen. Het is mogelijk dat informatie die verkregen is uit één bron inconsistent is met de informatie verkregen uit een andere bron. Verder is het mogelijk dat de IT-auditor twijfels heeft over de betrouwbaarheid van informatie die voor de beoordeling wordt gebruikt. In die gevallen dient hij te bepalen welke aanpassingen of toevoegingen aan de werkzaamheden nodig zijn om de aangelegenheid op te lossen en dient hij het eventuele effect van de aangelegenheid op andere aspecten van de opdracht in aanmerking te nemen.

Module A: patiënt en informatie

Module B: patiënt en medicatie

Module C: patiënt en eHealth

De instelling moet bij aanvang van de toets de volgende zaken faciliteren:

Om de toetsen onderling zoveel mogelijk vergelijkbaar te laten zijn, zijn kernactiviteiten opgesteld voor het uitvoeren van de toets.

Ggz instelling

De ggz instelling kan de VIPP GGZ toets aan de hand van dit handboek door een Register EDP-Auditor [RE] laten uitvoeren. Aan de hand van de normen moet de instelling de techniek, functionaliteit en output van de desbetreffende systemen laten toetsen.

IT-Auditor

Om de VIPP GGZ resultaten en procedures te beoordelen voert de auditor in lijn met vaktechnische voorschriften van de NOREA de volgende stappen uit:

Aandachtspunten:

De specifieke bevindingen en conclusies over de huidige situatie ten aanzien van de VIPP GGZ doelstellingen van een ggz instelling zullen door de IT-auditor worden teruggekoppeld in de beoordelingsmatrix aan de ggz instelling.

Als eindverslag van de VIPP GGZ dient door de ggz instelling de rapportage van het VIPP-assessment te worden overlegd, inclusief het oordeel van de IT-auditor. De ggz instelling dient dit vervolgens in bij VWS in te dienen ter verantwoording op de verkregen subsidiegelden.

bijlage 1: verplichte zibs

Zie bijlage 1 van BIJLAGE BIJ HET BESLUIT VASTSTELLING BELEIDSREGELS SUBSIDIËRING VERSNELLINGSPROGRAMMA INFORMATIE-UITWISSELING PATIËNT EN PROFESSIONAL FASE 3

Bijlage 2: definities

Zie Hoofdstuk 1 van BIJLAGE BIJ HET BESLUIT VASTSTELLING BELEIDSREGELS SUBSIDIËRING VERSNELLINGSPROGRAMMA INFORMATIE-UITWISSELING PATIËNT EN PROFESSIONAL FASE 3