Regeling · BWBR0041680
Besluit toezicht trustkantoren 2018
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2018, 2018-0000164042, directie Financiële Markten;
Gelet op de artikelen 1, eerste lid, 10, vijfde lid, 14, vierde lid, 15, derde lid, 16, derde en vierde lid, 18, tweede lid, 30a en 49, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 en artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 november 2018, nr. W06.18.0331/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 29 november 2018, 2018-0000201668, directie Financiële Markten;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar3 december 2018Willem-AlexanderDe Minister van Financiën,W.B.Hoekstrade veertiende december 2018De Minister van Justitie en Veiligheid,F.B.J.GrapperhausIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
integere bedrijfsvoering: een zodanige sturing van de organisatie van het trustkantoor en inrichting van de processen van en met betrekking tot het trustkantoor dat integriteitrisico’s worden beheerst;
In aanvulling op artikel 1, eerste lid, van de wet wordt als trustdienst aangewezen het zijn van gevolmachtigde of anderszins rechtsgeldig vertegenwoordiger die algemene bestuurshandelingen kan verrichten voor een rechtspersoon of vennootschap in opdracht van een natuurlijke persoon, rechtspersoon, of vennootschap die niet tot dezelfde groep behoort als de gevolmachtigde of vertegenwoordiger.
Artikel 27 van de wet is van overeenkomstige toepassing op het cliëntenonderzoek bij de trustdienst, bedoeld in artikel 2.
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 4, in ieder geval in aanmerking:
- a.
de in de onderdelen 1 en 2 van de bijlage genoemde strafrechtelijke antecedenten;
- b.
de in onderdeel 3 van de bijlage genoemde financiële antecedenten;
- c.
de in onderdeel 4 van de bijlage genoemde toezichtantecedenten;
- d.
de in onderdeel 5 van de bijlage genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
- e.
de in onderdeel 6 van de bijlage genoemde overige antecedenten.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 4 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
- a.
door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
- b.
door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
- c.
gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
- d.
gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
- e.
gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
- f.
ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
- g.
inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
- h.
gegevens uit openbare bronnen;
- i.
inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 4 bedoelde persoon betrokken is geweest;
- j.
inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
- k.
gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
- a.
de reden van het nadere onderzoek;
- b.
de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
- c.
de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
De betrouwbaarheid van de betrokkene staat niet buiten twijfel indien:
- a.
deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
- b.
deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
- c.
deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
- d.
deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van de bijlage, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 8, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling van de betrouwbaarheid in aanmerking:
- a.
het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
- b.
de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
- c.
de overige belangen van het trustkantoor en de betrokkene.
Het bestuur van een trustkantoor is belast met de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van het trustkantoor en draagt zorg voor:
- a.
een integere bedrijfsvoering;
- b.
de naleving van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald;
- c.
bekendheid van de organisatie met, en naleving van het procedurehandboek;
- d.
een deugdelijke administratie.
Een trustkantoor draagt zorg voor:
- a.
een systematische analyse van integriteitrisico’s en een periodieke bijwerking daarvan;
- b.
het neerslaan van het beleid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, in procedures en maatregelen;
- c.
voldoende kennis van het beleid en de procedures en maatregelen bij alle relevante bedrijfsonderdelen;
- d.
uitvoering, toetsing en aanpassing van het beleid en de procedures en maatregelen;
- e.
onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en het beschikken over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen belast met de compliancefunctie;
- f.
procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf tot een gepaste bijstelling leiden.
Een trustkantoor beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privébelangen van:
- a.
personen die het beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen;
- b.
bestuurders van het trustkantoor of een rechtspersoon of vennootschap van dezelfde groep;
- c.
personen die zijn belast met de compliancefunctie of auditfunctie of lid zijn van een orgaan belast met intern toezicht op het trustkantoor;
- d.
andere werknemers of personen die in opdracht van het trustkantoor werkzaamheden verrichten met een taak of functie waarin belangenverstrengeling zich redelijkerwijs zou kunnen voordoen.
Een trustkantoor maakt ten behoeve van een integere bedrijfsvoering onderscheid tussen integriteitgevoelige functies en niet-integriteitgevoelige functies. Hiertoe hanteert een trustkantoor objectieve, kenbare criteria.
Een trustkantoor maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die het wil benoemen in een integriteitgevoelige functie. Daartoe draagt het trustkantoor in elk geval zorg voor:
- a.
het controleren van de identiteit van de betrokkene;
- b.
het controleren van de door de betrokkene verstrekte gegevens en referenties op juistheid en volledigheid;
- c.
het maken van een onderbouwde inschatting van de betrouwbaarheid van betrokkene en een beoordeling daarvan in relatie tot het bekleden van de betrokken integriteitgevoelige functie.
Een trustkantoor draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.
Een trustkantoor voert een administratie waaruit blijkt dat met betrekking tot ieder personeelslid of derde die werkzaamheden verricht voor het trustkantoor is voldaan aan het eerste of het tweede lid.
Een trustkantoor beschikt ten behoeve van een integere bedrijfsvoering over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
Een trustkantoor beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en ter zake van de detectie van afwijkende transactiepatronen.
De bedrijfsvoering van een trustkantoor bestaat tenminste uit:
- a.
een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;
- b.
een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
- c.
een adequate vastlegging van rechten en verplichtingen;
- d.
eenduidige rapportagelijnen; en
- e.
een adequaat systeem voor communicatie en informatievoorziening.
De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, integriteitrisico’s en complexiteit van de werkzaamheden van het trustkantoor.
De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.
Een trustkantoor beschikt over een actueel organisatieschema en een overzicht van alle medewerkers en hun taken binnen het trustkantoor.
Een trustkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
Een trustkantoor beschikt over een actueel procedurehandboek dat voorziet in:
- a.
procedures omtrent de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels, waaronder in ieder geval:
- 1°.
het vervullen van de compliancefunctie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet;
- 2°.
de uitoefening van de auditfunctie, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet;
- 3°.
procedures met betrekking tot omgang met incidenten, waaronder de wijze van afhandeling en de administratieve vastlegging van incidenten zodanig dat wordt voldaan aan artikel 20 van de wet;
- 4°.
de functiescheiding, bedoeld in artikel 19;
- 5°.
integriteitgevoelige functies als bedoeld in artikel 12;
- 1°.
- b.
procedures omtrent de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme;
- c.
procedures omtrent de naleving van de Sanctiewet 1977.
Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om zijn taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitvoert draagt op permanente en systematische wijze zorg voor het identificeren, analyseren en beoordelen van, het adviseren over, het monitoren van en het rapporteren over het risico van ontoereikende naleving van de wet, het procedurehandboek, het beleid, de procedures en maatregelen door het trustkantoor.
De compliancefunctie stelt een jaarlijks, op risico-gebaseerd werkprogramma op dat tenminste voorziet in:
- 1°.
het monitoren van het beheer van de integriteitrisico’s door alle relevante bedrijfsonderdelen van het trustkantoor;
- 2°.
het toezicht op de naleving van het procedurehandboek;
- 3°.
het opstellen van of adviseren over aanbevelingen voor het wegnemen van gesignaleerde tekortkomingen of gebreken;
- 4°.
het adviseren over de wijze hoe het trustkantoor aan bestaande of in het vooruitzicht gestelde wetgeving, interne regels of relevante standaarden kan voldoen;
- 5°.
het beoordelen van de tijdigheid en effectiviteit van de maatregelen gericht op een gepaste bijstelling van gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot het beheersen van integriteitrisico’s en het risico op ontoereikende naleving door het trustkantoor;
- 6°.
het op permanente wijze zorg dragen voor de voorziening van informatie aan de overige organisatieonderdelen inzake de beheersing van integriteitrisico’s en de naleving van wetgeving, interne regels en relevante standaarden door het trustkantoor; en
- 7°.
het adviseren van en periodiek rapporteren aan het bestuur, en indien van toepassing het intern toezichthoudende orgaan, over de beheersing van integriteitrisico’s en het risico op ontoereikende naleving door het trustkantoor.
Het aantal uren per week dat een natuurlijke persoon of natuurlijke personen de compliancefunctie uitvoert of uitvoeren, is afgestemd op het aantal cliënten van het trustkantoor, de aard van zijn activiteiten en de daaraan verbonden integriteitrisico’s.
Een trustkantoor legt de omvang van de compliancefunctie schriftelijk vast en onderbouwt daarbij de omvang aan de hand van de elementen, bedoeld in her vierde lid.
De auditfunctie voert ten minste een maal per jaar een controle uit.
De auditfunctie beschikt over de nodige deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Onze Minister kan bij ministeriele regeling nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van de auditfunctie.
Een trustkantoor zorgt voor een adequate functiescheiding, waarmee het de onafhankelijke uitvoering van de compliancefunctie en de auditfunctie waarborgt.
Met de functiescheiding zorgt een trustkantoor er in elk geval voor dat:
- a.
natuurlijke personen belast met werkzaamheden ten aanzien van een cliënt niet tevens betrokken zijn bij de uitvoering van de compliancefunctie of de auditfunctie;
- b.
natuurlijke personen betrokken bij de uitvoering van de compliancefunctie niet tevens betrokken zijn bij de uitvoering van de auditfunctie;
- c.
een beleidsbepaler van het trustkantoor niet tevens betrokken is bij de uitvoering van de compliancefunctie of de auditfunctie.
De compliancefunctie en de auditfunctie rapporteren hun bevindingen, waaronder de gesignaleerde tekortkomingen of gebreken in de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde, interne regels of de effectiviteit van de compliancefunctie, aan het bestuur.
De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de compliancefunctie en de auditfunctie is bij twee verschillende beleidsbepalers belegd.
Een trustkantoor houdt de rapportages, bedoeld in het derde lid, gedurende vijf jaar beschikbaar voor De Nederlandsche Bank.
Indien een trustkantoor werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, legt het trustkantoor de overeenkomst met de derde schriftelijk vast.
Het trustkantoor draagt er zorg voor dat de derde het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek naleeft. Daartoe beschikt een trustkantoor over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Een trustkantoor controleert onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkenen aan wie het werk wordt uitbesteed.
De rapportage, bedoeld in artikel 18 van de wet, geschiedt op een door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze en kan betrekking hebben op kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het trustkantoor, zijn dienstverlening of zijn cliënten.
De Nederlandsche Bank stelt de termijnen vast voor indiening van de rapportage, bedoeld in artikel 18 van de wet, evenals de wijze waarop de indiening geschiedt.
Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.
Wijzigt het Besluit politiegegevens.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezicht trustkantoren 2018
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
- –
het in of vanuit Nederland, beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);
- –
het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van die wet juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);
- –
handel met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);
- –
het iemand aanraden of ertoe aanzetten om te handelen met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);
- –
het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap (artikelen 10 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);
- –
overtreding van een andere bepaling uit de financiële toezichtswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde categorie;
- –
deelneming aan een criminele en of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr));
- –
valsheid in geschrifte (artikel 225 van het WvSr);
- –
opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a van het WvSr);
- –
opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b van het WvSr);
- –
diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311 en 312 van het WvSr);
- –
verduistering (artikelen 321 tot en met 323 van het WvSr);
- –
benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 van het WvSr);
- –
opzetheling (artikel 416 van het WvSr);
- –
witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);
- –
financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr); of
- –
overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
- –
openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met 151a);
- –
gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);
- –
openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a);
- –
muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215);
- –
andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235);
- –
opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a);
- –
opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b);
- –
seksuele misdrijven (artikelen 241, 243, 245 tot en met 253 en 254ba);
- –
bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285);
- –
geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met 294);
- –
mishandeling (artikelen 300 tot en met 306);
- –
dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en met 309);
- –
eenvoudige diefstal (artikel 310);
- –
diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311);
- –
diefstal met geweld (artikel 312);
- –
afpersing (artikel 317);
- –
verduistering (artikelen 321 tot en met 323);
- –
bedrog (artikelen 326 tot en met 337);
- –
benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348);
- –
vernieling (artikelen 350 tot en met 354);
- –
ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380);
- –
heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417bis);
- –
witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);
- –
financieren van terrorisme (artikel 421);
- –
opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435);
- –
onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a);
- –
indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden (artikel 435b);
- –
eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442);
- –
verstrekken van onware gegevens (artikel 447c); of
- –
schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 447d).
Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):
- –
overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
- –
met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2, eerste lid);
- –
met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen van softdrugs (artikel 3, eerste lid); of
- –
voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkelen van harddrugs (artikel 10a, eerste lid).
Wet op de economische delicten (WED):
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
- –
zonder erkenning wapen of munitie vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid), vervaardigen, voorhanden hebben etc. bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);
- –
zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);
- –
zonder vergunning of verlof vervoeren bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);
- –
verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of
- –
verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).
- –
dood of letsel door schuld (artikel 6);
- –
doorrijden na ongeval (artikel 7);
- –
rijden onder invloed (artikel 8);
- –
motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);
- –
joyriding (artikel 11); of
- –
medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).
- –
overtreding douanewetgeving (artikelen 10:5 en 10:6).
- –
overtreding fiscale wetgeving (artikelen 64 en 65).
Buitenlandse strafbepalingen
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
- –
betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;
- –
ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;
- –
betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of
- –
de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.
- –
de huidige of één van de voormalige werkgever(s) van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;
- –
met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken; of
- –
betrokkene is veroordeeld tot voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
- –
het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens aan een toezichthouder of toezichthoudende instantie;
- –
betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een toezichthouder of toezichthoudende instantie;
- –
een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een toezichthouder of toezichthoudende instantie;
- –
betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-) verantwoordelijk is of was voor het beleid, is in conflict geweest met een toezichthouder of toezichthoudende instantie en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;
- –
aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door Onze Minister van Justitie en Veiligheid ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op gronden genoemd in de artikelen 68, tweede lid, 179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
- –
opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of
- –
het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
- –
opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
- –
de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;
- –
betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of andere vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid; of
- –
betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals bijvoorbeeld in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).