Ministeriële regeling · BWBR0042461
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluiten:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,I.K. vanEngelshovenDe Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.SlobIn deze regeling wordt verstaan onder:
aspirant-opleidingsschool: opleidingsschool als bedoeld in artikel 4;
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1.1.1, onder w.1 en w.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of het instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder y, van de WHW;
bve: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder b en d van de WHW;
lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding tot leraar po, leraar vo, of leraar bve;
Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie als bedoeld in artikel 5.2 van de WHW;
opleidingsschool: partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;
peer-review: beoordeling als bedoeld in artikel 5;
po: primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;
school: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
student: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, en degene die scholing volgt in de zin van artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend;
studiepunt: studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid, van de WHW;
vo: voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
WHW:Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
De Minister kan per schooljaar subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag voor een tegemoetkoming in:
- a.
de kosten van een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool voor de begeleiding van studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen; en
- b.
de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur voor een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool.
Onder studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen, wordt verstaan:
- a.
studenten van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen;
- b.
studenten van een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 die minimaal 50%, van het curriculum in de praktijk volgen;
- c.
studenten van een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten die opleidt tot het beroep van leraar, die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen;
- d.
studenten van een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs, die minimaal 25%, van het curriculum in de praktijk volgen;
- e.
studenten van een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs, die minimaal 40%, van het curriculum in de praktijk volgen;
- f.
studenten van een universitaire bacheloropleiding die een educatieve minor volgen die gericht is op het behalen van een bevoegdheid voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren havo en vwo die bovendien minimaal 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgen;
- g.
studenten die op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar zijn benoemd; of
- h.
studenten die zijn benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgen met als doel om een andere bevoegdheid te behalen.
Een aspirant-opleidingsschool is een opleidingsschool:
- a.
waarvoor gedurende minder dan vier schooljaren subsidie is verstrekt in het kader van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
- b.
waarvoor subsidie is geweigerd op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen maar waarvoor nadien gedurende minder dan vier schooljaren subsidie is verstrekt in het kader van die regeling; of
- c.
waarvoor niet eerder een subsidie in het kader van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen is verstrekt.
Een aspirant-opleidingsschool is een aspirant-opleidingsschool in het po, vo of bve waarbij minimaal 75% van de opleidingsplaatsen binnen de opleidingsschool zich op scholen in de betreffende onderwijssector bevindt.
De opleidingsschool organiseert éénmaal in de drie jaar peer-review door een panel met deskundigen van buiten de eigen opleidingsschool aan de hand van een op de website van DUS-I te publiceren kwaliteitskader.
De eerste peer-review van een opleidingsschool als bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk drie jaar na afloop van het schooljaar waarin de eerstvolgende accreditatie van de deelnemende lerarenopleiding plaatsvindt.
In afwijking van het tweede lid, wordt een aspirant-opleidingsschool als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, in het vierde jaar van de aspirant-fase beoordeeld door een panel van deskundigen van buiten de eigen opleidingsschool.
Van de peer-review wordt een rapport opgemaakt.
In het laatste subsidiejaar brengt de NVAO advies uit over de kwaliteit van de aspirant-opleidingsscholen die zijn gestart in de schooljaren 2015–2016, 2016–2017 en 2017–2018 op basis van het toetsingskader in bijlage 1.
Subsidie wordt verstrekt aan een bevoegd gezag.
Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één partner op als penvoerder.
De penvoerder is de subsidieontvanger.
Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.
Wijzigingen in het penvoerderschap van de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool worden uiterlijk 1 mei gemeld worden aan DUO en treden in werking per 1 augustus volgend op de datum waarop de wijziging aan de Minister is doorgeven.
De hoogte van de subsidie per opleidingsschool en aspirant-opleidingsschool als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt bepaald aan de hand van het aantal studenten in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt gevraagd, zoals in bijlage 2 is aangegeven.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de hoogte van de subsidie per aspirant-opleidingsschool als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, voor de eerste periode van twee jaar € 250.000 per schooljaar.
De subsidie wordt per schooljaar verstrekt.
Subsidie voor opleidingsscholen wordt per schooljaar verstrekt tot en met het schooljaar waarin de peer-review plaatsvindt.
Subsidie voor aspirant-opleidingsscholen wordt verstrekt voor een periode van vier schooljaren.
In afwijking van het derde lid wordt de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen die met ingang van het schooljaar 2016–2017 subsidie hebben ontvangen op grond van artikel 3 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016, verstrekt voor een periode van drie schooljaren.
Na afloop van de periode, genoemd in het tweede lid kan de subsidieontvanger een nieuwe aanvraag indienen.
Voor het schooljaar 2019–2020 is een bedrag van € 30.127.000 beschikbaar voor:
- a.
subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en
- b.
subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a en b, gedurende het derde en vierde schooljaar van de subsidieperiode.
Voor het schooljaar 2019–2020 en voor het schooljaar 2020–2021 is een bedrag van € 4.500.000 beschikbaar voor subsidieverstrekking in de eerste twee schooljaren van de subsidieperiode aan achttien aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 4, eerste lid aanhef en onder c.
De subsidie bedoeld in het tweede lid wordt verstrekt ten behoeve van zes aspirant-opleidingsscholen in het po, zeven aspirant-opleidingsscholen in het vo en vijf aspirant-opleidingsscholen in het bve.
De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen op aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie.
Indien het beschikbare bedrag wordt overschreden, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger een gelijk percentage ontvangt van het bedrag dat op grond van de tabel in bijlage 2 zou worden verstrekt.
In afwijking van het eerste lid, geschiedt de subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, per sector op basis van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. De Minister hanteert hierbij de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen beoordelingscriteria.
In hoeverre een aspirant-opleidingsschool bijdraagt aan een evenwichtige regionale spreiding van opleidingsscholen over Nederland maakt deel uit van de geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie.
Indien in een sector in de kosten van minder dan het maximale aantal aspirant-opleidingsscholen subsidie wordt verstrekt, komt het resterende bedrag ten goede aan aspirant-opleidingsscholen in andere sectoren, op basis van een beoordeling als bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat voor subsidieverstrekking nooit meer dan de kosten van 15 aspirant-opleidingsscholen in aanmerking komen.
In afwijking van het tweede lid, verdeelt de Minister indien het verstrekken van de subsidie voor aspirant-opleidingsscholen aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond bedoeld in artikel 10, tweede lid, het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
In geval de opleidingsschool bij de aanvraag in het schooljaar waarin peer-review dient plaats te vinden geen rapport van de meest recente peer-review heeft aangeleverd, zal DUS-I de Minister adviseren over het voortzetten, opschorten of stopzetten van de subsidie.
De Minister beslist over de subsidieverstrekking na de aspirant-fase aan aspirant-opleidingsscholen die zijn gestart in 2015, 2016 en 2017 op basis van het advies van de NVAO.
De Minister beslist over de subsidieverstrekking na de aspirant-fase aan aspirant-opleidingsscholen die zijn gestart in 2019 op basis van het advies van DUS-I dat is gebaseerd op de rapportage van peer-review.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverstrekking worden geweigerd of beëindigd indien:
- a.
de aspirant-opleidingsschool, die is gestart in schooljaar 2015–2016, 2016–2017 of 2017–2018, niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet aan de hand van het oordeel van de NVAO in het vierde schooljaar van de aspirant-fase;
- b.
de aspirant-opleidingsschool, die is gestart in het schooljaar 2019–2020, niet of niet langer voldoet aan de hand van het oordeel van de peer-review in het vierde schooljaar van de aspirant-fase;
- c.
de Opleidingsschool niet of niet langer driejaarlijkse peer review organiseert;
- d.
het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt lager is dan 60 per schooljaar;
- e.
niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen;
- f.
niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO; of
- g.
het subsidieplafond wordt overschreden.
De subsidieverstrekking wordt geweigerd indien niet voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 14, tweede en derde lid.
De weigeringsgronden van het eerste lid, aanhef en onder c en d zijn niet van toepassing op een aspirant-opleidingsschool.
De Minister kan voor bepaalde gevallen van het eerste lid afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de Minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de Minister te voeren beleid.
De subsidieontvanger dient jaarlijks uiterlijk op 30 september de gegevens in over het verstreken schooljaar die nodig zijn voor het verstrekken van de subsidie voor het lopende schooljaar. Tot deze gegevens behoren in ieder geval een verantwoording van het aantal studenten bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Driejaarlijks verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk op 1 oktober een rapportage van de peer-review.
De subsidieontvanger geeft aan door of namens de Minister aangewezen ambtenaren op verzoek inzage in de in artikel 17 van de Wet overige OCW-subsidies bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de besteding van de subsidie.
De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS houdt de subsidieontvanger een administratie bij:
- a.
waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal opgeleide studenten in een schooljaar wordt geregistreerd;
- b.
die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en
- c.
die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.
De subsidieaanvraag wordt ingediend door de penvoerder, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
De aanvraag voor een subsidie voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 oktober 2019.
De aanvraag voor een subsidie voor een opleidingsschool, wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin het in artikel 9, eerste lid, genoemde tijdvak afloopt en gaat vergezeld van het rapport van de meest recente peer-review.
In afwijking van artikel 3.3. van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dient een opleidingsschool bij de aanvraag het rapport van het meest recente peer-review in en een aspirant-opleidingsschool een samenwerkingsovereenkomst en een ontwikkelplan.
De samenwerkingsovereenkomst bevat de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool en bevat in ieder geval:
- a.
een beschrijving van de gezamenlijke visie op het opleiden van studenten;
- b.
de inzet van middelen die beide partijen hierbij inbrengen; en
- c.
de partner die zal optreden als penvoerder, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
Het ontwikkelplan is opgesteld aan de hand van de criteria in bijlage 4 bij deze regeling.
De aanvraag voor subsidie voor een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend met het formulier Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen dat beschikbaar is gesteld op de website van Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen.
De aanvraag wordt ingediend met behulp van het formulier Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen dat door de Dienst Uitvoering Onderwijs op de website aan de opleidingsscholen ter beschikking is gesteld.
Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
Het jaarlijkse subsidiebedrag wordt per schooljaar in twee gedeelten aan subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte bedraagt 42,24% van het totaalbedrag en wordt betaald in november, het daarop volgende gedeelte bedraagt 57,76% van het totaalbedrag en wordt betaald in februari.
In afwijking van het eerste lid wordt het subsidiebedrag voor aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren jaarlijks in één keer betaald in december.
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.
De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.
De Minister kan subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur.
Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één bevoegd gezag op als penvoerder.
De penvoerder is de subsidieontvanger.
Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.
Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 mei gemeld bij DUO, indien het een opleidingsschool betreft of een aspirant-opleidingsschool die subsidie ontvangt voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid. De wijziging treedt in werking met ingang van 1 augustus volgend op de datum waarop de wijziging aan de Minister is doorgeven.
Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 oktober gemeld bij DUS-I, indien het een aspirant-opleidingsschool betreft die subsidie ontvangt voor de eerste twee schooljaren als bedoeld in artikel 14.
In het schooljaar 2019–2020 is een bedrag van € 30.127.000 beschikbaar voor:
- a.
subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en
- b.
subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
Het subsidieplafond voor het schooljaar 2020–2021 voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het eerste lid zal worden bekendgemaakt door wijziging van deze regeling.
In het schooljaar 2020–2021 is een bedrag van € 4 miljoen beschikbaar voor subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren, bedoeld in artikel 15, eerste lid.
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.
De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
De subsidie aan een opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt.
Een subsidieaanvraag voor een opleidingsschool wordt ingediend uiterlijk op 30 september van het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Aanvragen die later worden ingediend, worden afgewezen.
De aanvraag wordt ingediend met behulp van het formulier ‘Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen’ dat daarvoor op de website van DUO beschikbaar is gesteld.
In het jaar waarin de opleidingsschool de peer review, bedoeld in artikel 10, eerste lid, organiseert, gaat de aanvraag in aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vergezeld van het rapport van de peer review.
De hoogte van het subsidiebedrag per opleidingsschool wordt bepaald met gebruikmaking van bijlage 2, aan de hand van het aantal studenten in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, door subsidieverstrekking zou worden overschreden, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger een gelijk percentage ontvangt van het bedrag dat op grond van de tabel in bijlage 2 zou worden verstrekt.
Een opleidingsschool organiseert eenmaal in de drie jaar een peer review. De peer review wordt uitgevoerd door een panel met deskundigen van buiten de opleidingsschool met gebruikmaking van een kwaliteitskader dat daarvoor op de website van DUS-I is gepubliceerd.
De opleidingsschool maakt een rapport van de peer review.
De eerste peer review van een opleidingsschool vindt plaats binnen drie jaar na afloop van het schooljaar waarin de eerstvolgende accreditatie van een deelnemende lerarenopleiding heeft plaatsgevonden.
In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS houdt de subsidieontvanger een administratie bij:
- a.
waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal opgeleide studenten in een schooljaar wordt geregistreerd;
- b.
die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en
- c.
die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.
De Minister stelt de subsidie direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
Het subsidiebedrag wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte bedraagt 42,24% van het totaalbedrag en wordt betaald in november van het schooljaar. Het tweede gedeelte bedraagt 57,76% van het totaalbedrag en wordt betaald in februari van het schooljaar.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverstrekking worden geweigerd, indien:
- a.
de opleidingsschool niet of niet langer driejaarlijkse peer review organiseert;
- b.
het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt lager is dan 60 per schooljaar;
- c.
niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen;
- d.
niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO; of
- e.
de opleidingsschool niet of niet langer voldoet aan de vereiste basiskwaliteit.
De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, advies aan DUS-I.
De Minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, advies:
- a.
aan DUS-I, voor opleidingsscholen die in het schooljaar 2019–2020 of in een daaropvolgend schooljaar als aspirant-opleidingsschool zijn gestart; of
- b.
aan de NVAO, voor opleidingsscholen die in het schooljaar 2016–2017 of 2017–2018 als aspirant opleidingsschool zijn gestart.
Een advies van DUS-I als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt gebaseerd op de rapportage van de peer review, bedoeld in artikel 19.
Een advies van de NVAO als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt gebaseerd op het beoordelingskader, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Een aspirant-opleidingsschool komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool:
- a.
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het po;
- b.
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het vo; of
- c.
ten minste 60% zich bevindt op scholen in het bve.
Aan een aspirant-opleidingsschool wordt voor de eerste twee schooljaren eenmaal een vast subsidiebedrag verstrekt van € 500.000.
Een subsidieaanvraag voor de eerste twee schooljaren van een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 september 2020.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a.
een samenwerkingsovereenkomst, die de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool bevat, en waarin in ieder geval:
- 1°.
een beschrijving is opgenomen van de gezamenlijke visie van de deelnemende partijen op het opleiden van aanstaande leraren en een daarbij passende leeromgeving;
- 2°.
de inzet van middelen is vastgesteld die de deelnemende partijen hierbij inbrengen; en
- 3°.
is vastgelegd welke partij als penvoerder optreedt.
- 1°.
- b.
een ontwikkelplan dat voldoet aan de criteria, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier ‘Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen’ dat daarvoor beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.
De Minister beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan de hand van de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen criteria.
Vervolgens rangschikt de Minister de aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. In het schooljaar 2020–2021 komen voor subsidie in aanmerking:
- a.
de vier hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a;
- b.
de twee hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b; en
- c.
de twee hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel c.
Indien op basis van de rangschikking twee of meerdere aanvragen van gelijke geschiktheid worden geacht, geeft de Minister voorrang aan de eerst-ontvangen aanvraag.
Indien binnen een categorie aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het tweede lid, minder aanvragen dan het maximum voor subsidie in aanmerking komen, wordt het resterende bedrag aangewend voor toewijzing van de eerstvolgende hoogst gerangschikte aanvraag uit de andere categorieën.
De Minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 14, direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 15, eerste lid.
Het subsidiebedrag voor de eerste twee schooljaren voor aspirant-opleidingsscholen wordt in twee gelijke delen betaald, uiterlijk in de maand december van de eerste twee schooljaren.
De subsidie voor het derde en vierde schooljaar van een aspirant-opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt. Daarbij zijn de artikelen 9, eerste en tweede lid, 10 en 12 van overeenkomstige toepassing.
Bij toepassing van artikel 9, tweede lid, worden de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie hebben aangevraagd, op gelijke voet in de evenredige verdeling betrokken.
Een aspirant-opleidingsschool die in schooljaar 2019–2020 of later gestart is, organiseert in het vierde jaar van de aspirantfase een peer review. De peer review wordt uitgevoerd door een panel met deskundigen van buiten de eigen opleidingsschool aan de hand van een op de website van DUS-I te publiceren kwaliteitskader.
De aspirant-opleidingsschool maakt een rapport van de peer review.
Artikel 10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor een derde of een vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.
De weigeringsgronden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing bij subsidieverstrekking aan een aspirant-opleidingsschool.
De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor het derde en vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.
De Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 juli 2019 en vervalt met ingang van 29 juli 2024.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019.
De beoordeling van de kwaliteit van de opleidingsschool wordt uitgevoerd aan de hand van de samenwerkingsovereenkomst en de explicitering daarin van de wijze waarop de partners in de opleidingsschool gestalte geven aan het programma, het personeelsbeleid, de voorzieningen en de kwaliteitszorg, alsook over ieders verantwoordelijkheid daarbij.
De beoogde eindkwalificaties van de opleiding zijn wat betreft inhoud, niveau en oriëntatie geconcretiseerd en voldoen aan internationale eisen.
De beoogde eindkwalificaties passen wat betreft niveau en oriëntatie (bachelor of master; hbo of wo) binnen het Nederlandse kwalificatieraamwerk. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding.
Criteria voor de opleidingsschool
De opleidingsschool heeft een geëxpliciteerde visie op opleiden in de school geconcretiseerd in een opleidingsplan.
De opleidingsschool waarborgt dat studenten de gelegenheid hebben de verbinding tussen theorie en praktijk te leggen. Het opleidingstraject in de school kent voldoende diepgang door verbindingen met de theorie. Het opleidingstraject in de lerarenopleiding sluit aan bij de praktijkervaringen in de school en is geconcretiseerd in een opleidingsplan.
De opleidingsschool waarborgt dat studenten de gelegenheid hebben ervaring op te doen in gevarieerde onderwijssituaties.
Het programma, het personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde eindkwalificaties te realiseren.
De inhoud en vormgeving van het programma stellen de toegelaten studenten in staat de beoogde eindkwalificaties te bereiken. De kwaliteit van het personeel en van de opleidingsspecifieke voorzieningen is daarbij essentieel. Programma, personeel en voorzieningen vormen een voor studenten samenhangende onderwijsleeromgeving.
Criteria voor de opleidingsschool
Programma
Het programma dat door de opleidingsschool is uitgewerkt stelt de studenten in staat om de eindkwalificaties te bereiken.
De opleidingsschool heeft een samenhangend programma waarbinnen het gedeelte van het curriculum dat in de school wordt verworven en het gedeelte van het curriculum dat in de lerarenopleiding wordt verworven een geïntegreerd geheel vormen. De individuele trajecten zijn verankerd in dit programma.
De scholen en de lerarenopleidingen hanteren in functie van het traject in de opleidingsschool een didactisch concept waarmee alle partners instemmen.
Personeel
De opleidingsschool zet voldoende personeel in om de studenten op te leiden, te begeleiden en te beoordelen. Bij de algemene gegevens van de opleidingsschool wordt aangegeven het percentage master- en hbo-geschoolde docenten.
Het personeel dat wordt ingezet voor de opleidingsschool is deskundig in het opleiden, begeleiden en beoordelen van de studenten.
De opleidingsschool heeft een visie op professionalisering uitgeschreven en borgt op systematische wijze de kwaliteit van alle personeel dat betrokken is bij de opleidingsschool.
Studiebegeleiding
De opleidingsschool zorgt ervoor dat de begeleiding vanuit de school en vanuit de lerarenopleiding op elkaar is afgestemd, transparant is voor studenten en andere betrokkenen en aansluit bij de specifieke behoeften van de studenten binnen dit traject.
De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.
De toetsen en de beoordeling zijn valide, betrouwbaar en voor studenten inzichtelijk.
Criteria voor de opleidingsschool
De opleidingsschool hanteert duidelijke afspraken over de rol, de taken en de verantwoordelijkheden van elk van de partners bij beoordeling en toetsing. Iedere student heeft volstrekte helderheid over wat die afspraken in de praktijk van de opleiding betekenen.
De examencommissie van de betreffende instituten heeft expliciet een rol bij de beoordeling en toetsing.
De opleidingsschool wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan de realisatie van de streefdoelen. Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemende beroepenveld van de opleiding actief betrokken.
De opleidingsschool hanteert een kwaliteitszorgplan dat waarborgt dat de streefdoelen van de opleiding gerealiseerd worden en op regelmatige tijdstippen geëvalueerd worden.
De opleidingsschool geeft aantoonbaar opvolging aan de resultaten van de regelmatige evaluaties.
De medewerkers en studenten van de opleidingsschool alsook het beroepenveld zijn actief betrokken bij de interne kwaliteitszorg van de opleidingsschool.
Aantal studenten | Tegemoetkoming per jaar |
60–139 | € 200.000 |
140–179 | € 280.000 |
180–219 | € 320.000 |
220–259 | € 340.000 |
260–299 | € 380.000 |
300–339 | € 420.000 |
340–379 | € 460.000 |
380 en meer | € 500.000 |
Beoordelingscriteria aspirant-opleidingsscholen
Deze tabel bevat een samenvatting van de criteria.
Elk van de criteria wordt uitgewerkt op drie onderdelen:
- a.
de ambitie en de visie;
- b.
de huidige stand van zaken;
- c.
het ontwikkelpad.
I. Visie op samen opleiden | a. Beschrijving van de visie op en ambitie voor van het samen opleiden binnen het partnerschap. |
b. Stand van zaken van het samen opleiden binnen het partnerschap. | |
c. Beschrijving hoe het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie ten aanzien van samen opleiden wil realiseren. | |
II. Samenwerking en organisatiestructuur | a. Beschrijving van de ambitie voor de samenwerking en de daarmee samenhangende organisatiestructuur binnen het partnerschap. |
b. Stand van zaken van de huidige samenwerking en organisatiestructuur van de partners binnen het partnerschap. | |
c. Beschrijving hoe het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie voor de samenwerking en organisatiestructuur wil realiseren. | |
III. Professionalisering | a. Beschrijving van de ambitie van het partnerschap voor de professionalisering van de betrokken medewerkers van de scholen (waaronder schoolopleiders, werkplekbegeleiders, management) en betrokkenen vanuit het opleidingsinstituut (bijvoorbeeld de instituutsopleiders). |
b. Stand van zaken bij de professionalisering van alle bij het partnerschap betrokken medewerkers. | |
c. Beschrijving hoe het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie met betrekking tot de professionalisering van de betrokken medewerkers van de scholen (waaronder schoolopleiders, werkplekbegeleiders, management) en betrokkenen vanuit het opleidingsinstituut (bijvoorbeeld de instituutsopleiders) wil realiseren. | |
IV. Kwaliteitszorg | a. Beschrijving van de ambitie voor integrale kwaliteitszorg (borging, ontwikkeling, cultuur) van het partnerschap. |
b. Stand van zaken van de integrale kwaliteitszorg binnen het partnerschap. | |
c. Beschrijving van hoe het partnerschap tijdens de subsidieperiode de ambitie met betrekking tot integrale kwaliteitszorg wil realiseren. | |
V. Regionale spreiding | Werkgebied van het partnerschap. Dit criterium wordt alleen toegepast als er meer aanvragen zijn die aan bovenstaande kwalitatieve criteria voldoen, dan vanwege het subsidieplafond kunnen worden toegekend en er zodoende een selectie gemaakt moet worden. |
Weging:
De Minister toetst aan vijf criteria:
- –
visie op samen opleiden
- –
samenwerking en organisatiestructuur
- –
professionalisering
- –
kwaliteitszorg
- –
regionale spreiding
De eerste vier criteria zijn de inhoudelijke criteria. Hier toetst de Minister alle aanvragen aan. De criteria ‘visie op samen opleiden’ en ‘samenwerking en organisatiestructuur’ dienen in ieder geval voldoende te zijn, omdat dit de basis van de aspirant-opleidingsschool is. Een onvoldoende score voor ‘professionalisering’ en ‘kwaliteitszorg’ kan gecompenseerd worden door de overige scores, mits de totaalscore voldoende is. Uitgangspunt is dat ‘professionalisering’ en ‘kwaliteitszorg’ gedurende de komende jaren verder opgezet en ontwikkeld kunnen worden, met de ‘visie op samen opleiden’ en ‘samenwerking en organisatiestructuur’ als duidelijk fundament.
Het criterium ‘regionale spreiding’ wordt alleen toegepast als er meer aanvragen zijn die aan bovenstaande kwalitatieve criteria voldoen, dan vanwege het subsidieplafond kunnen worden toegekend en er zodoende een selectie gemaakt moet worden. Dit criterium geldt niet voor de aanvragers die subsidie hebben ontvangen op grond van artikel 3 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016.
De wijze waarop wordt beoordeeld en de nadere uitwerking van bovenstaande criteria is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen/inhoud/aspirant.
Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:
- 1.
een lijst van deelnemende opleidingen, besturen en scholen (inclusief status accreditatie, laatste inspectieoordeel);
- 2.
een opgave van de beoogde studentenaantallen (per onderwijssector) aan het einde van de ontwikkelperiode;
- 3.
een (concept)beschrijving van de beoogde structuur van de opleidingsschool (inclusief rollen schoolopleider en werkplekbegeleider*);
- 4.
een beschrijving waarin wordt aangegeven op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool al denkt te voldoen aan de kaders genoemd in bijlage 1 bij deze regeling en op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool zich nog gaat ontwikkelen in de ontwikkelperiode (inclusief hiervoor benodigde activiteiten en planning).
Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:
- •
opleidingsplan (standaard 1)
- •
gezamenlijke visie op professionalisering (standaard 2)
- •
gezamenlijke visie op HR-beleid
- •
kwaliteitszorgplan (standaard 4)
Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.
Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot
* De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.
De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.