Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, kenmerk 2772918, betreffende de tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen)Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingenDe Minister voor Rechtsbescherming,

Besluit:

Deze beleidsregels worden met de toelichting in de Staatscourant gepubliceerd.

De Minister voor Rechtsbescherming,S.Dekker

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Bij de afwegingen voorafgaand aan iedere beslissing die tijdens de tenuitvoerlegging van (een) strafrechtelijke beslissing(en) wordt genomen, worden in ieder geval betrokken:

Het CJIB/AICE verzoekt de officier van justitie een beslissing te nemen over verdere vervolging, indien de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking geheel of ten dele niet is geslaagd.

De directeur van de justitiële inrichting kan de veroordeelde van wie de laatste dag van de straftijd een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is, maximaal vier dagen eerder dan deze laatste dag in vrijheid stellen, voor zover dit noodzakelijk is om te borgen dat vervolghandelingen met betrekking tot:

direct daarop aansluitend kunnen volgen.

In het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, wordt via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie een (aanvullende) Pro Justitia-rapportage opgesteld voor een adequate inschatting van de zorgbehoefte van een levenslanggestrafte.

De uitvoerder van het toezicht kan een schriftelijke waarschuwing aan de onder toezicht gestelde geven wegens het niet naar behoren naleven van de voorwaarden. Een schriftelijke waarschuwing aan de onder toezicht gestelde wordt in ieder geval gegeven indien:

Het toezicht op voorwaarden die zijn gesteld bij schorsing van een bevel tot voorlopige hechtenis wordt uiterlijk beëindigd op het moment dat het vonnis of arrest met betrekking tot het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis was verleend, onherroepelijk is geworden.

Een schriftelijk waarschuwing als bedoeld in artikel 3:19 van het besluit wordt in ieder geval gegeven, indien:

De uitvoerder taakstraffen kan de officier van justitie in ieder geval om een vervolgbeslissing verzoeken indien:

Geldelijke sancties worden in volgorde van inning, incasso en dwang dan wel vervangende hechtenis tenuitvoergelegd, tenzij een persoonsgerichte tenuitvoerlegging aanleiding geeft hiervan af te wijken.

Het uitwinnen van conservatoir beslag op grond van artikel 94a van de wet vindt niet eerder plaats dan nadat de betalingsplichtige in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag te betalen. Het bepaalde is eveneens van toepassing indien het in beslag genomen voorwerp op grond van artikel 117 van de wet is vervreemd voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijk beslissing door het CJIB.

Met de tenuitvoerlegging van meerdere dwangbevelen als bedoeld in artikel 6:4:5 van de wet, ten behoeve van het verhaal van voorwerpen onder één persoon, wordt zo veel mogelijk één gerechtsdeurwaarder belast.

Het CJIB verzendt voorafgaand aan de toepassing van vervangende hechtenis of het gijzeling een waarschuwingsbrief.

Onder rechtspersoon als bedoeld in artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet wordt mede verstaan een vennootschap onder firma als bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van Koophandel.

Een eventuele uitkering aan het slachtoffer op basis van de voorschotregeling zoals bedoeld in artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet, wordt opgeschort indien tegen een strafbeschikking met een schadevergoedingsmaatregel verzet is ingesteld als bedoeld in artikel 257e van de wet.

Aan eventuele nabestaanden van een slachtoffer dat overlijdt voordat een uitkering uit het voorschotfonds ingevolge artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet ontstaat, wordt niet uitgekeerd.

Het CJIB beëindigt de inning en incasso van de schadevergoedingsmaatregel definitief indien het slachtoffer zelf afspraken maakt met betrekking tot de betaling van de toegewezen schadevergoeding met de betalingsplichtige. Het niet nakomen van dergelijke afspraken door de betalingsplichtige komt voor risico van het slachtoffer.

Betalingsregelingen kunnen slechts worden toegestaan voor zover zij betrekking hebben op administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en inkomende geldelijke sancties.

Uitstel van betaling kan uitsluitend worden verleend als de betalingsplichtige aannemelijk maakt dat volledige betaling of een significante deelbetaling binnen een redelijke termijn zal volgen. Uitstel van betaling voor onbepaalde duur wordt niet verleend.

Het CJIB kan van de betalingsplichtige die verzoekt om een betalingsregeling, verlangen dat hij gegevens met betrekking tot zijn inkomen en/of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit.

In bijzondere gevallen kunnen op verzoek vorderingen die zijn ontstaan nadat een betalingsregeling is toegestaan, worden gevoegd in die betalingsregeling. Dit wordt slechts één keer per twaalf maanden toegestaan.

Bij het toestaan van een betalingsregeling kunnen in ieder geval als voorwaarden worden gesteld dat:

De volgende vorderingen worden niet toegestaan als onderdeel van een betalingsregeling:

Bij het toestaan van een betalingsregeling wordt de betalingsplichtige geïnformeerd over:

Indien de betalingsplichtige het termijnbedrag van een betalingsregeling niet binnen de gestelde termijn betaalt, stuurt het CJIB eenmalig een betalingsherinnering met het verzoek het termijnbedrag alsnog te voldoen. In de betalingsherinnering wordt aangegeven dat het CJIB binnen de eerstvolgende termijn zowel het alsdan te betalen termijnbedrag, als het bedrag dat eerder niet is betaald, moet hebben ontvangen.

De betalingsregeling eindigt indien alle openstaande vorderingen zijn voldaan binnen de gestelde termijn of deeltermijnen.

De artikelen 1:3, 2:1, 2:2, 2:3, 2:5, 4:1, 4:2, 4:5, 4:6, 4:7, 4:8 en titel 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Als de betalingsplichtige beroep instelt tegen een administratieve sanctie bij de rechtbank dient het bedrag ter zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, aan het CJIB te worden betaald.

De opbrengst van de verkoop van het buiten gebruik gestelde voertuig strekt tot voldoening van de vordering. Een eventuele meeropbrengst strekt tot voldoening van andere nog bij het CJIB openstaande vorderingen. Een eventueel restant wordt gestort in de Rijkskas.

Het CJIB beoordeelt of indien administratieve sancties resteren na afloop van een regeling op grond van de Minnelijke Schuldregeling Natuurlijke Personen, de inning hiervan wordt beëindigd.

Het CJIB stelt de administratieve sanctie buiten invordering, indien hiertoe op basis van redelijkheid of doelmatigheid wordt besloten.

Onverminderd artikel 6:7:2 van de wet kan de Minister ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht opschorten, indien het naar zijn oordeel hoogstwaarschijnlijk is dat het verzoek om gratie wordt ingewilligd. De Minister kan in ieder geval opschorten, indien:

Deze beleidsregels treden in werking op het moment dat het Besluit en de Regeling in werking treden.

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen

In de wet, het besluit en de regeling zijn zowel verantwoordelijkheden, als daarmee samenhangende bevoegdheden bij de Minister belegd. De wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de bevoegdheden wordt geregeld in deze beleidsregels en het samenwerkingsreglement. In de matrix is getracht om de hoogst geldende wet dan wel regelgeving te benoemen. Mogelijk is het genoemde wetsartikel in de lagere wet- of regelgeving verder uitgewerkt.

¹ Bij de afweging om (tijdelijk) af te zien om een veroordeelde/gesignaleerde aan te houden, kan de discretionaire bevoegdheid van de Politie aan ten grondslag liggen. Deze komt voor uit artikel 3 van de Politiewet (taak van de politie). Het komt echter niet vaak voor, maar stel dat een veroordeelde/gesignaleerde bijv. als gevolg van een medische aandoening niet vervoerd kan/mag worden, dan zou daardoor mogelijk de aanhouding uitgesteld kunnen worden.