Ministeriële regeling · BWBR0043922
Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19
Gelet op de artikelen 13.1, tweede lid, en 13.2 van de Wet Studiefinanciering 2000 en artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES:
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,I.K. vanEngelshovenIn deze regeling wordt verstaan onder Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
In deze regeling wordt in paragrafen 2, 3 en 4a verstaan onder:
- a.
bankrekening: het bij de Minister bekende bankrekeningnummer waarop de student studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontvangt;
- b.
opleiding:
- 1°.
een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste en tweede lid, van de WEB, verzorgd aan een bekostigde instelling in de zin van artikel 1.1.1, onder b, van de WEB; of
- 2°.
een opleiding hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b, en tweede lid, van de WHW met accreditatie in de zin van artikel 1.1 van de WHW aan een bekostigde instelling in de zin van artikel 1.8, eerste lid, van de WHW;
- 1°.
- c.
student: degene die een opleiding volgt, niet zijnde extraneus, en voor zover het een student aan een beroepsopleiding betreft, die op 1 augustus 2020 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
- d.
Wsf 2000:Wet studiefinanciering 2000.
In deze regeling wordt in paragraaf 4 verstaan onder:
- a.
bankrekening: het bij de Minister bekende bankrekeningnummer waarop de student studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering BES ontvangt;
- b.
opleiding:
- 1°.
een beroepsopleiding die vergelijkbaar is met een beroepsopleiding in de zin van artikel 1.1 van de Wsf BES waarvoor in artikel 2 van de Regeling studiefinanciering BES criteria zijn vastgesteld; of
- 2°.
een opleiding hoger onderwijs in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf BES;
- 1°.
- c.
student: degene die een opleiding volgt, niet zijnde extraneus;
- d.
Wsf BES:Wet studiefinanciering BES.
De tegemoetkoming voor extra kosten vanwege studievertraging in deze paragraaf wordt verstrekt aan een student die:
- a.
in zowel studiejaar 2019-2020 als 2020-2021 één of meer maanden is ingeschreven voor een opleiding; en
- b.
in de periode van 1 augustus 2020 respectievelijk 1 september 2020 tot uiterlijk 31 augustus 2021 het diploma voor de betreffende beroepsopleiding respectievelijk opleiding hoger onderwijs heeft behaald.
Een student die op grond van artikel 2 in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ontvangt eenmalig een bedrag van:
- a.
€ 300,– indien het een student betreft die met goed gevolg een opleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB heeft afgesloten;
- b.
€ 150,– indien het een student betreft die met goed gevolg een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB heeft afgesloten;
- c.
€ 535,– indien het een student betreft die met goed gevolg een opleiding in het hoger onderwijs heeft afgesloten.
Indien een student in de periode, genoemd in artikel 2, onder b, meerdere diploma’s als bedoeld in het eerste lid behaalt, wordt uitsluitend het hoogste bedrag toegekend.
Zo spoedig mogelijk nadat de Minister over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3, ambtshalve toegekend en uitbetaald.
De tegemoetkoming wordt uitbetaald door bijschrijving op de bij de Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, of indien geen studiefinanciering is toegekend de bankrekening die is gebruikt voor de betaling van het lesgeld.
Indien bij de Minister geen bankrekening van de student bekend is, wordt de student verzocht de bankrekening te verstrekken op een door de Minister te bepalen wijze en binnen een door de Minister te bepalen redelijke termijn.
Indien de Minister niet beschikt over een benodigde bankrekening en de student niet binnen de gestelde termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak.
Een student die geen tegemoetkoming heeft ontvangen als bedoeld in deze paragraaf maar wel voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 2, kan binnen een door de Minister te bepalen periode, maar niet eerder dan op 1 november 2021, een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen bij de Minister.
De aanvraag wordt ingediend op een door de Minister te bepalen wijze.
Bij de aanvraag voegt de student de door de Minister gevraagde bewijsstukken toe waaruit blijkt dat de student voldoet aan de criteria als bedoeld in de artikelen 2 en 3.
De Minister beslist uiterlijk binnen 4 weken op de aanvraag. De beslistermijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd.
De tegemoetkoming in deze paragraaf wordt eenmalig verstrekt aan studenten voor wie in de periode juni 2020 tot en met de laatste maand van studiejaar 2022–2023 de aanspraak op prestatiebeurs eindigt, omdat:
- a.
de duur van de aanspraak op basisbeurs op grond van artikel 4.7, eerste of tweede lid, van de Wsf 2000 is verstreken;
- b.
de duur van de aanspraak op basisbeurs en aanvullende beurs op grond van artikel 4.7, eerste of tweede lid, van de Wsf 2000 is verstreken;
- c.
de duur van de aanspraak op aanvullende beurs op grond van artikel 4.7, eerste of tweede lid, van de Wsf 2000 is verstreken; of
- d.
de duur van de aanspraak op aanvullende beurs op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is verstreken.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor studenten aan wie op grond van de Wsf 2000 een verlenging van de prestatiebeurs is toegekend welke in één van de genoemde maanden eindigt.
Een student die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ontvangt een bedrag van € 800,–.
Een student die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ontvangt een bedrag van € 2.000,–.
Een student die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ontvangt een bedrag van € 1.200,–.
Een student die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ontvangt een bedrag van € 1.500,–.
Zo spoedig mogelijk nadat de Minister over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6, ambtshalve toegekend en uitbetaald.
De tegemoetkoming wordt uitbetaald door bijschrijving op de bij de Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening. Indien bij de Minister geen bankrekening van de student bekend is, wordt de student verzocht de bankrekening te verstrekken op een door de Minister te bepalen wijze en binnen een door de Minister te bepalen redelijke termijn, waarna kan worden uitbetaald.
Indien de Minister niet beschikt over een benodigde bankrekening en de student niet binnen de gestelde termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak.
Een student die geen tegemoetkoming heeft ontvangen als bedoeld in deze paragraaf maar wel voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 6, kan binnen een door de Minister te bepalen periode, maar niet eerder dan op 1 november van het jaar waarin de aanspraak op prestatiebeurs eindigt, een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen bij de Minister.
De aanvraag wordt ingediend op een door de Minister te bepalen wijze.
Bij de aanvraag voegt de student de door de Minister gevraagde bewijsstukken toe waaruit blijkt dat de student voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 6.
De Minister beslist uiterlijk binnen 4 weken op de aanvraag. De beslistermijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd.
De tegemoetkoming in deze paragraaf wordt eenmalig verstrekt aan een student:
- a.
die zowel in het studiejaar 2019-2020 als 2020-2021 één of meer maanden is ingeschreven voor een opleiding en voor die opleiding uiterlijk 31 augustus 2021 een diploma heeft behaald; of
- b.
voor wie in de periode juni 2020 tot en met de laatste maand van het studiejaar 2022–2023 de aanspraak op prestatiebeurs BES eindigt.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een student die aanspraak maakt op een tegemoetkoming op grond van paragraaf 2 of 3.
Een student die op grond van artikel 10, onderdeel a, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, ontvangt:
- a.
USD 333 voor een beroepsopleiding; of
- b.
USD 594 voor een opleiding hoger onderwijs.
Een student die op grond van artikel 10, onderdeel b, in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, ontvangt een bedrag ter hoogte van drie maal het maandelijkse bedrag aan prestatiebeurs als genoemd in artikel 2.2, eerste lid, kolom III, van de Wsf BES voor de opleiding en plaats van de opleiding waar hij tot een van de in artikel 10, onder b, genoemde maanden prestatiebeurs voor ontving, afgerond op hele USD.
Een student die voldoet aan de criteria genoemd in artikel 10, onderdeel a, kan binnen een door de Minister te bepalen periode, maar niet eerder dan op 1 november 2021, een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen bij de Minister.
De aanvraag wordt ingediend op een door de Minister te bepalen wijze en uitbetaald door bijschrijving op een bij de aanvraag aangeleverde bankrekening.
Bij de aanvraag voegt de student de door de Minister gevraagde bewijsstukken toe waaruit blijkt dat de student voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 10, onderdeel a.
De Minister beslist uiterlijk binnen 4 weken op de aanvraag. De beslistermijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd.
Zo spoedig mogelijk nadat de Minister over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10, onderdeel b, ambtshalve toegekend en uitbetaald.
De tegemoetkoming wordt uitbetaald door bijschrijving op de bij de Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening.
Indien bij de Minister geen bankrekening van de student bekend is, wordt de student verzocht de bankrekening te verstrekken op een door de Minister te bepalen wijze en binnen een door de Minister te bepalen redelijke termijn, waarna kan worden uitbetaald.
Indien de Minister niet beschikt over een benodigde bankrekening en de student niet binnen de gestelde termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak.
Een student die geen tegemoetkoming heeft ontvangen als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, maar wel voldoet aan de criteria, bedoeld in dat artikel, kan binnen een door de Minister te bepalen periode, maar niet eerder dan op 1 november van het jaar waarin de aanspraak op prestatiebeurs eindigt, een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen bij de Minister.
Artikel 12, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een ho-student die in de periode maart tot en met december 2020 voor de duur van minimaal 1 kalendermaand aanspraak had op een reisvoorziening en voor wie in die periode voor een of meerdere maanden een vorm van reguliere studiefinanciering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wsf 2000 is toegekend, komt in aanmerking voor een extra reisvoorziening, bestaande uit een verlenging van de duur van de aanspraak op een reisvoorziening, als bedoeld in artikel 5.2 van de Wsf 2000, met de duur van 12 kalendermaanden.
De verlengde aanspraak op reisvoorziening wordt toegekend aansluitend aan de laatste maand van de reguliere aanspraak op reisvoorziening.
De extra reisvoorziening, bedoeld in artikel 14a, wordt ambtshalve toegekend.
In afwijking van het eerste lid, vindt toekenning van de extra reisvoorziening, bedoeld in artikel 14a, plaats op aanvraag in het geval waarin de reguliere reisvoorziening vóór 1 april 2021 was geëindigd.
De extra reisvoorziening wordt uitsluitend met terugwerkende kracht toegekend voor de maand of maanden waarover een student voor wie de aanspraak op de reguliere reisvoorziening reeds was geëindigd een bedrag als bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 aan de Minister is verschuldigd.
De extra reisvoorziening wordt toegekend in de vorm van een prestatiebeurs.
Geen tegemoetkoming wordt toegekend aan een student van wie de aanspraak op tegemoetkoming pas ontstaat na het studiejaar 2022–2023.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Met ingang van 1 januari 2024 vervallen de paragrafen 2, 3 en 4 van deze regeling.
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19.