U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-08-2022.

Wet · BWBR0044212

Wet voortgezet onderwijs 2020

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)Wet voortgezet onderwijs 2020Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 23 van de Grondwet, met het oog op de rechtszekerheid en de consistentie en toegankelijkheid van de wetgeving voor het voortgezet onderwijs in zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland, wenselijk is om de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES te vervangen door een nieuwe wet voor het voortgezet onderwijs met een heldere ordening en duidelijk geformuleerde regels;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage30 september 2020De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.Slobde veertiende oktober 2020De Minister van Justitie en Veiligheid,F.B.J.Grapperhaus

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt steeds gelezen voor:

De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag, zijn voor het bekostigd bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging.

Openbaar voortgezet onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden die leven in de Nederlandse samenleving. Daarbij wordt de betekenis van de verscheidenheid van deze waarden onderkend. Openbaar voortgezet onderwijs wordt zo gegeven dat ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd.

Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op het praktijkonderwijs, indien dat nadrukkelijk is bepaald.

Het voortgezet onderwijs in de eerste twee leerjaren is zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar:

Het bevoegd gezag richt de leerwegen in de periode van vmbo in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma.

Praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie vaststaat dat:

Het voortgezet onderwijs en het praktijkonderwijs worden zo ingericht dat het op structurele en herkenbare wijze aandacht besteedt aan het bestrijden van achterstanden, vooral in de beheersing van de Nederlandse taal.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op praktijkonderwijs indien dat uitdrukkelijk is bepaald.

Onze Minister kan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over eindexamens, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van die regels gelet op het belang dat deze regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Op een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen:

Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, intrekken indien:

Een ieder die aan het staatsexamen of deelstaatsexamen deelneemt, is verplicht op verzoek van degenen die de examens afnemen of daarop toezicht houden een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de documenten van het staatsexamen, de verstrekking van informatie en gegevens aan de inspectie, de gegevensverstrekking aan Onze Minister over de afgelegde staatsexamens en deelstaatsexamens en het bewaren van het examenwerk.

Het College voor toetsen en examens kan regels over staatsexamens en deelstaatsexamens die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op de bijzondere functie van het staatsexamen en het deelstaatsexamen ook voor kandidaten die in bijzondere omstandigheden verkeren, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Daaronder wordt in elk geval verstaan het naleven van de regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91.

De beschrijving van het personeelsbeleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel b, omvat in elk geval:

De beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, vermeldt in elk geval hoe wordt zorggedragen voor:

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, dan wel aan de leerlingen zelf als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het buitenschoolse praktijkgedeelte van leer-werktrajecten. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval regels over:

Het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, en artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, WEB, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, WEB omvat het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB deel uitmaakt:

Indien het bevoegd gezag leerlingen, in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, in staat wil stellen onderwijs te volgen aan een andere school voor voortgezet onderwijs van datzelfde bevoegd gezag, zijn de artikelen 2.99 en 2.100 van overeenkomstige toepassing en regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.100, tweede lid.

Het bevoegd gezag van een uit ’s Rijks kas bekostigde school stelt elk leerjaar aan de leerling lesmateriaal ter beschikking zonder dat daarvoor een tegemoetkoming is verschuldigd. Dat lesmateriaal is naar vorm en inhoud gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en het gebruik ervan binnen het onderwijsaanbod is door het bevoegd gezag specifiek voor dat leerjaar voorgeschreven.

De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of handelen in strijd met de wet bevoegd om zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en om zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.

De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en zo nodig de stichting te ontbinden.

De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.

[Vervallen]

In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.

In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.

Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in stand houdt, samenvoegen tot een school of scholengemeenschap.

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging zijn verbonden:

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor mavo of vbo indien:

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres:

Onze Minister wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.20 af indien een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking aantoont dat de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan 10 procent leerlingverlies op een vestiging van een school of scholengemeenschap van dat bevoegd gezag.

Op de voorbereiding van de besluiten bedoeld in artikel 4.20, eerste en tweede lid, is afdeling 3.4 Awb van toepassing, met uitzondering van artikel 3:18.

De artikelen 4.24 en 4.25 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor havo, van overeenkomstige toepassing op afdelingen als bedoeld in artikel 2.5.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van dit hoofdstuk, regels worden gesteld over de bekostiging, verantwoording en informatievoorziening van een scholengemeenschap, een verticale scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen, bedoeld in artikel 4.28.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de regels over bijzondere scholen van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 of door een stichting als bedoeld in artikel 3.10, tenzij anders is bepaald.

Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 179 WPO en 165 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Het college van burgemeester en wethouders kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat in relatie tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet voor een school die zij zelf in stand houdt, buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid.

Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging vast waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft.

Onze Minister is bevoegd om:

Het samenwerkingsverband besteedt de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten uitsluitend aan personeelskosten of exploitatiekosten.

Het bevoegd gezag besteedt de bedragen en bekostiging, bedoeld in artikel 5.39, niet aan contractactiviteiten.

Indien een leerling in de loop van het schooljaar de school verlaat zonder de opleiding te hebben voltooid, en aansluitend wordt ingeschreven als leerling aan een andere school of als mbo-student of vavo-student aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van die andere school of die instelling overeenkomen om een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

In afwijking van artikel 5.39 kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l, tweede lid, een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 6.5, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die huisvestingsvoorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de die voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid.

Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 6.5 en geen overzicht als bedoeld in artikel 6.6 vast, indien geen huisvestingsvoorziening nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 6.3.

De huisvestingsvoorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 6.5, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip, bedoeld in artikel 6.9:

Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op bekostiging van een huisvestingsvoorziening, met de gemeente overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het college van burgemeester en wethouders.

De gemeente brengt een huisvestingsvoorziening van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

De huisvestingsvoorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 6.18 of 6.20 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, komen niet ten laste van de gemeente.

In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad in overeenstemming met het bevoegd gezag besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school verschaft aan de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen die de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk noodzakelijk acht.

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welke gronden en volgens welke procedure voor leraren in vaste dienst aan een school kan worden afgeweken van artikel 7.9, eerste lid.

Bij algemene maatregel voor bestuur worden regels gesteld voor een scholengemeenschap of een verticale scholengemeenschap over de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Het bekwaamheidsonderzoek heeft tot doel vast te stellen of de zij-instromer voldoet aan de in artikel 7.10, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat betrokkene als leraar wil gaan geven.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.

Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 7.34 te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het verrichten van contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51 procent van de personeelskosten van de school uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

In afwijking van artikel 7.37 leggen gedeputeerde staten van de betrokken provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.

[Vervallen]

[Vervallen]

Wie zich bij het geven van onderwijs aan een openbare school schuldig maakt aan plichtsverzuim bij het eerbiedigen van ieders godsdienst of levensovertuiging, kan bij koninklijk besluit voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd worden geschorst in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt voor «ouders» gelezen «leerling» als het gaat om een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is.

Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar godsdienst of levensovertuiging.

Indien binnen redelijke afstand van de woning van een leerling niet de gelegenheid bestaat om onderwijs aan een openbare school te volgen, kan het bevoegd gezag van een gelijksoortige uit ‘s Rijks kas bekostigde bijzondere school de toelating van de leerling niet weigeren op grond van godsdienst of levensovertuiging, tenzij de school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het voorwaardelijk bevorderen van leerlingen.

Onverminderd de overige artikelen die bij en op grond van deze wet zijn vastgesteld over het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater, bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, alleen voor:

Indien een leerling op wie artikel 8.19, eerste lid, onderdelen a en b, van toepassing is het onderwijs aan de school ten minste vier aaneengesloten weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers. Onder geldige reden worden in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 8.30, vijfde lid, verstaan.

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:

Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor een tijdelijke onderwijsvoorziening regels worden gesteld over:

Een krachtens deze paragraaf vast te stellen ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 7.42, vijfde lid, 11.08, tweede lid, en 11.13, vierde lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

In afwijking van de artikelen 2.20, vierde lid, aanhef, en 2.25, tweede lid, aanhef, geeft een school het onderwijs in een of meer van de profielen.

In afwijking van de artikelen 2.29 en 2.30 zijn de artikelen 11.7 en 11.8 van toepassing.

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie naar het oordeel van het bevoegd gezag vaststaat dat:

Artikel 2.32 en artikel 2.33, tweede lid, zijn niet van toepassing.

In aanvulling op artikel 2.34 draagt het bevoegd gezag zorg voor een optimale aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de instructietaal die op de scholen wordt gehanteerd.

Het bevoegd gezag kan de uren, bedoeld in artikel 2.38, derde of vierde lid, invullen met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, of 2.107l, tweede lid, voor zover het leerlingen betreft die een doorlopende leerroute vmbo-mbo of een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding volgen.

In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 zijn de artikelen 11.13 tot en met 11.23 van toepassing.

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.52, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

De artikelen 2.60, vierde lid, 2.60b, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, met dien verstande dat het bevoegd gezag de schriftelijke motivering bedoeld in artikel 2.60b, tweede lid, wel zo spoedig mogelijk aan de examencommissie zendt.

Artikel 2.68, vierde lid, is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 2.89, tweede lid, bevat het schoolplan een beschrijving van de wijze waarop het bevoegd gezag de uitwerking van het eilandelijk zorgplan vorm geeft.

De artikelen 2.94 tot en met 2.96 zijn niet van toepassing.

In artikel 2.107, tweede lid, wordt voor «het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven» gelezen «de Raad onderwijs arbeidsmarkt».

De artikelen 3.30 tot en met 3.33 zijn niet van toepassing.

Artikel 3.34 is niet van toepassing.

Artikel 3.41 is niet van toepassing.

Artikel 3.42 is niet van toepassing.

In plaats van de artikelen 4.2, 4.2a, 4.3 en 4.5 tot en met 4.7 zijn de artikelen 11.44 tot en met 11.45c van toepassing.

Artikel 4.8 is niet van toepassing.

Artikel 4.11 is niet van toepassing.

In plaats van de artikelen 4.12 tot en met 4.17 zijn de artikelen 11.50 en 11.51 van toepassing.

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap binnen de grenzen van het openbaar lichaam verplaatst.

De artikelen 4.18 tot en met 4.23 en 4.26 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.28 is niet van toepassing.

Artikel 5.1, eerste lid, en hoofdstuk 5, paragraaf 3, zijn niet van toepassing.

Voor de toepassing van artikel 5.46, eerste lid, zijn de in dat lid genoemde voorschriften van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

In afwijking van hoofdstuk 6 zijn de artikelen 11.61 tot en met 11.80 over huisvesting van toepassing.

De artikelen 11.62 tot en met 11.80 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.

Voorzieningen komen voor bekostiging in aanmerking op voorwaarde dat op het tijdstip, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid,:

Als het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, is de instemming van het bestuurscollege vereist voor de bouwplannen en begrotingen, tenzij het bevoegd gezag met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

Het openbaar lichaam brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school alleen tot stand als tussen het bestuurscollege en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur op grond van de artikelen 11.76 of 11.78 door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school komen niet ten laste van het openbaar lichaam.

In afwijking van deze paragraaf kan de eilandsraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voor zover die op het grondgebied van dat openbaar lichaam in stand wordt gehouden. De eilandsraad neemt dat besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school verschaft aan de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege alle inlichtingen die de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze paragraaf noodzakelijk achten.

Artikel 7.4 is niet van toepassing.

Artikel 7.8 is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, heeft de verplichting die daarin is geregeld voor het bevoegd gezag om geordende bekwaamheidsgegevens bij te houden, ook betrekking op de leraren.

Artikel 7.35 is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 7.37 legt de Rijksvertegenwoordiger de disciplinaire straf of de schorsing op of verleent hij het ontslag, als het gaat om een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam dat de school in stand houdt.

Artikel 7.37a is niet van toepassing.

Artikel 8.9 is niet van toepassing.

In plaats van artikel 8.10 is artikel 11.93 van toepassing.

Artikel 8.13 is niet van toepassing.

In afwijking van de artikelen 8.19 tot en met 8.27 is artikel 11.97 van toepassing.

Artikel 8.31 is niet van toepassing.

Aanvragen voor de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.30, tweede lid.

Aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op grond van artikel 10e, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.43, eerste lid.

Aanvragen om te worden aangewezen als school met examenbevoegdheid op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 112, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.67.

Aanvragen om te worden aangewezen als vso-school met examenbevoegdheid op grond van artikel 59a, eerste lid, in samenhang met artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.71, eerste lid, in samenhang met artikel 2.67.

Een aanwijzing wegens wanbeheer, gegeven op grond van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarover bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, wordt aangemerkt als te zijn gegeven op grond van artikel 3.38, eerste lid.

De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.

Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van bekwaamheidseisen, vastgesteld op grond van artikel 7.23, vierde lid, of 7.24, tweede lid, aan een school werkzaamheden van onderwijskundig-leidinggevende aard verricht, respectievelijk onderwijsondersteunende werkzaamheden, wordt aangemerkt als op dat tijdstip aan die bekwaamheidseisen te voldoen.

Aanvragen tot het uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek, op grond van artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 198 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.27.

Op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van artikel 118k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 197, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, gelden vanaf die inwerkingtreding als te zijn afgegeven op grond van artikel 7.28, eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.

Instellingen voor hoger onderwijs die bij inwerkingtreding van dit artikel bevoegd zijn tot het verrichten van het geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.29, worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in artikel 7.29.

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, op grond van artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.29.

Een gedane melding onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 202, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, geldt als te zijn gedaan op grond van artikel 7.32, eerste lid.

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van scholing, begeleiding en het bekwaamheidsonderzoek bij zij-instroom, op grond van artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.32.

Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op grond van artikel 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES, met betrekking tot experimenten waarvan de duur op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.1 nog niet is verstreken, berusten met ingang van dat tijdstip op artikel 9.1 of, indien van toepassing, op artikel 9.2.

Besluiten van Onze Minister, genomen op grond van artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, berusten met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.1 op dat artikel.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Deze paragraaf is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Onverminderd artikel 7.3, kunnen in afwijking van artikel 7.9, eerste lid, en artikel 7.11, eerste lid, aan scholen in een openbaar lichaam leraren worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, die op 31 juli 2011 bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Onverminderd de artikelen 7.3 en 7.23 kan in afwijking van artikel 7.11, eerste lid, aan een school in een openbaar lichaam tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die op 31 juli 2011, bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Artikel 6.22 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de WEB als verticale scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6.1 en 12.2.3 van die wet is aangemerkt.

Degene die op 1 augustus 2006 in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs ingevolge de wettelijke voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006, wordt aangemerkt als aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen voor leraren te voldoen.

Degene die op 1 augustus 2006 op grond van artikel 9b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O., zoals luidend op 31 juli 2006, bevoegd was voor een van de in dat artikel genoemde combinaties van vakken, blijft bevoegd voor de desbetreffende combinatie.

Artikel 2.90, onderdeel a, vindt, wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.

Een bevoegd gezag dat op grond van de Regeling aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak VO voor 1 augustus 2008 aanspraak had op aanvullende personele bekostiging op grond van artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 juli 2008, behoudt deze aanspraak zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden die op 31 juli 2008 waren opgenomen in die regeling.

Tot het tijdstip waarop voor het eerst kerndoelen Friese taal en cultuur in werking treden die zijn vastgesteld door provinciale staten van Fryslân volgens de procedure daarvoor in de artikelen 2.16 en 2.17, zijn in afwijking van artikel 2.16 de kerndoelen Friese taal en cultuur van toepassing zoals opgenomen in onderdeel II van de bijlage behorende bij artikel 1 bij het Besluit kerndoelen onderbouw VO, zoals dat luidde op 31 juli 2014.

Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van de artikelen 67, vijfde en zevende lid, en 74b, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op die datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Justitie en Veiligheid, gerekend vanaf 1 januari 2016 telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 8.19 en 8.21 tot en met 8.26 in de praktijk. Uit dit verslag blijkt tevens of het voor die doeltreffendheid wenselijk moet worden geacht, de door de gemeentebesturen behaalde resultaten te betrekken bij de berekening van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 8.24, eerste lid.

Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2016 telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het door de scholen om niet ter beschikking stellen van lesmateriaal aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs (Stb. 2008, 206). Hierin wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2015, steeds na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.94 en 2.95 in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen zes jaar na 1 augustus 2017 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 7.8 en 7.45 tot en met 7.64 in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen drie jaar na 1 januari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 3.22 tot en met 3.26 in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 februari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikelen 8.17, negende tot en met twaalfde lid, in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 8.9a in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Leerplichtwet 1969 in verband met de versterking van het beroepsonderwijs, door het wettelijk mogelijk maken van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs) (Stb. 2020, 157) in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de effecten van die wet op de voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na 1 november 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.

Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zendt binnen drie jaar na 1 augustus 2021 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, eerste lid, onderdeel f, en 8.32 in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 oktober 2021, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 5.4 tot en met 5.10, 5.25, 5.27, 5.28 en 11.56 in de praktijk.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet voortgezet onderwijs, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.