Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 14 januari 2021, nr. 26398037 houdende vaststelling van een beleidskader en een subsidieplafond voor de subsidieverstrekking aan scholen met achterstandsleerlingen gericht op het vrijroosteren van leraren voor deelname aan coachingsactiviteiten en het intensief begeleiden van leerlingen in de schooljaren 2021–2023 (Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase III 2021–2023)Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase III 2021–2023De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.Slob

De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies ten behoeve van scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen gericht op het vrijroosteren van leraren voor deelname aan coachingsactiviteiten en het intensief begeleiden van leerlingen in de schooljaren 2021–2023 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is voor de kalenderjaren 2021, 2022 en 2023 in totaal maximaal € 5.859.000 beschikbaar.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase III 2021–2023.

Het Beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase III 2021–2023 (hierna: het beleidskader) regelt de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder de minister subsidie kan verstrekken voor de daarin beschreven activiteiten. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) is van toepassing op dit beleidskader.

Elk kind moet zijn talenten ten volle kunnen ontplooien, ongeacht de thuissituatie. De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2016 gewaarschuwd dat dit uitgangspunt van het onderwijsstelsel onder druk is komen te staan.1 Leerlingen met lager opgeleide ouders blijken minder ver te komen in het onderwijs dan hun leeftijdsgenoten met vergelijkbare talenten en hoger opgeleide ouders. De bewindslieden leggen zich hier niet bij neer. Ieder kind moet de kans krijgen om zijn talenten te ontwikkelen. Vandaar dat het Actieplan Gelijke Kansen is ontwikkeld met voorstellen voor het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs.2

Het bieden van gelijke kansen in het onderwijs is een opdracht waar scholen iedere dag voor staan. Het doet een groot beroep op de professionaliteit en de veerkracht van leraren. Zeker op scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen ervaren leraren een hoge druk door een cumulatie van problematiek. Eén van de maatregelen uit het voornoemde actieplan is gericht op de ondersteuning van leraren op deze scholen. Een aantal scholen krijgt de gelegenheid om te experimenteren met het vrijroosteren van leraren.3 In deze vrijgeroosterde uren gaan leraren aan de slag met een coach. Dit kan een meer ervaren leraar zijn, of een expert van buiten.4 Deze intensieve vorm van professionalisering versterkt het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren. Tevens worden leerlingen met veel achterstanden en gebrekkige studievaardigheden in de vrijgekomen tijd extra begeleid. Naast het werken aan werkhouding, zelfstandigheid of vakinhoud kunnen leerlingen ook gestimuleerd worden om aan de slag te gaan met hun creatieve talent. Deelname aan sport en cultuur versterkt onder meer creativiteit, samenwerkingsgerichtheid en zelfvertrouwen. Juist voor jongeren met achterstanden, die van huis uit minder ondersteuning en begeleiding krijgen, kan extra begeleiding door school net dat steuntje in de rug zijn om hun mogelijkheden beter te benutten. Het effect van deze tijdelijke impuls op deelnemende leraren en leerlingen wordt gemonitord.

Met het beleidskader biedt de minister opnieuw ruimte aan circa tien bevoegde gezagen van basisscholen en circa tien bevoegde gezagen voor voortgezet onderwijs (vo) in het bekostigd onderwijs om aan de slag te gaan met het coachen van leraren en begeleiden van leerlingen. Net als voor de schooljaren 2017–2019 en 2019–2021 is er voor de schooljaren 2021–2022 en 2022–2023 in totaal € 5.859.000 beschikbaar voor subsidieverstrekking.5

Het doel van het beleidskader is om gedurende twee schooljaren wederom een aantal scholen in de gelegenheid te stellen leraren deel te laten nemen aan coachingsactiviteiten en tevens leerlingen met achterstanden intensief te begeleiden. Het gaat om professionalisering van leraren en het gericht bieden van ondersteuning aan achterstandsleerlingen. De scholen werken tijdens de pilot tevens aan borging van deze tijdelijke kwaliteitsimpuls in bijvoorbeeld het personeelsbeleid of de inrichting van het onderwijs.

Leraren op scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen zijn de doelgroep van het beleidskader. Het bevoegd gezag kan een lerarenteam van één school of leraren van meerdere scholen laten participeren binnen het traject.

Onder ‘achterstandsleerlingen’ wordt hier verstaan leerlingen met een groter risico op een onderwijsachterstand op basis van hun capaciteiten en intelligentie.

Onder ‘scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen’ wordt hier het navolgende verstaan:

Er is subsidie beschikbaar voor circa 20 bevoegde gezagen om te experimenteren met coaching van leraren en intensieve begeleiding van achterstandsleerlingen. Het opdoen van ervaring met het vrijroosteren van leraren voor deelname aan coachingsactiviteiten is van belang voor de doorontwikkeling van het beleid op het gebied van professionalisering van leraren en gelijke kansen in het onderwijs.

Zoals aangegeven is subsidieverstrekking op grond van dit beleidskader gericht op tien bevoegde gezagen po en tien bevoegde gezagen vo. Om diversiteit en regionale spreiding te garanderen, worden de aanvragen ingedeeld naar sector, regio en grootte. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de categorieën: G4, G40 en Overig.7

1 gemeenten niet behorende tot G4 of G40

Uit een analyse van de scholen die in aanmerking komen voor aanvullende bekostiging voor achterstandsleerlingen blijkt dat het merendeel van deze scholen zich bevindt in de G4, gevolgd door de G40. Aangezien de aanwezigheid van dergelijke scholen zich niet beperkt tot deze twee categorieën is ook voor overige gemeenten een aantal plaatsen binnen de pilot gereserveerd.

Voor de G4 geldt dat voor iedere stad één bevoegd gezag po en één bevoegd gezag vo kan deelnemen. Voor de G40 geldt dat drie bevoegde gezagen po en drie bevoegde gezagen vo kunnen deelnemen aan de pilot. Ook voor de categorie Overig geldt dat drie bevoegde gezagen po en drie bevoegde gezagen vo kunnen deelnemen.

Indien het aantal plaatsen in voornoemde categorieën wordt overschreden, wordt door middel van loting per categorie per sector, vastgesteld welke aanvraag gehonoreerd zal worden. De subsidie wordt, indien de aanvraag volledig is en voldoet aan de in dit beleidskader gestelde criteria, binnen 13 weken na de sluitingsdatum verstrekt.

Tevens zal in het geval van overschrijding van het aantal plaatsen in de categorieën G40 en Overig het criterium regionale spreiding worden gehanteerd. Dat betekent dat wanneer tot loting wordt overgegaan, binnen de categorieën G40 en Overig niet meer dan één aanvraag per sector per provincie zal worden gehonoreerd. Daarmee wordt recht gedaan aan de verschillen in problematiek op regionaal niveau, waar leraren op scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen mee te maken hebben. Bovendien leidt regionale spreiding tot een beter landelijk inzicht in de effectiviteit van de ontwikkelingen op basis van dit beleidskader.

Indien na loting in totaal minder dan tien aanvragen in één of beide sectoren worden gehonoreerd, wordt een vervolgloting gedaan. Bij deze vervolgloting wordt geloot tussen de aanvragen die bij de eerste loting niet gehonoreerd zijn. Daarbij wordt de indeling naar sector gehandhaafd, maar wordt er niet onderverdeeld in regio’s. Er wordt per sector geloot, opdat het aantal te honoreren aanvragen aangevuld wordt tot tien aanvragen in beide sectoren, twintig in totaal.

Indien na de loting blijkt dat de aanvragen van de twintig ingelote bevoegde gezagen het subsidieplafond niet uitputten, loot de minister alle niet-ingelote aanvragen opnieuw, zonder onderverdeling naar sector of regio, totdat het subsidieplafond is bereikt.

Bevoegde gezagen die op grond van het Besluit vaststelling beleidsregels vrijroosteren leraren 2017–2019 of het Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021 subsidie hebben ontvangen, komen niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit beleidskader voor de jaren 2021–2023.

De subsidie wordt in ieder geval besteed aan de kosten voor het vrijroosteren van leraren voor elk van de navolgende activiteiten:

Scholen zijn vrij in de selectie van de leerlingen die ze intensieve begeleiding op grond van dit beleidskader aanbieden, zolang het doel van de regeling, namelijk het beter begeleiden van achterstandsleerlingen wordt behaald.

Daarnaast kan er binnen de pilot aandacht worden besteed aan:

De activiteiten dienen te worden beschreven in een activiteitenplan met daaraan gekoppeld een begroting.

Het bevoegd gezag kan maximaal € 292.950 aanvragen voor twee schooljaren. De aanvraag dient een activiteitenplan te bevatten gekoppeld aan een begroting (p x q). Minimaal tachtig procent van de middelen dient te worden besteed aan de activiteiten onder 1 en 2.

Voor zover de aanvrager ook subsidie of een andere financiële bijdrage voortvloeiend uit het Actieplan Gelijke Kansen heeft aangevraagd of ontvangt, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag tot verstrekken van deze subsidie. Het Actieplan Gelijke Kansen omvat ook de subsidieregeling doorstroomprogramma’s po- vo en de subsidieregeling doorstroomprogramma’s vmbo-mbo en vmbo-havo. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteiten uit het actieplan in aanmerking te komen voor meerdere van deze subsidies.

Een subsidieaanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag. De aanvraag bevat een plan, voorzien van een begroting die weergeeft welke activiteiten zullen worden uitgevoerd en tegen welke kosten. De aanvraag bevat een verklaring waarin staat dat de deelnemende leraren worden vrijgeroosterd en dat het bevoegd gezag zorgdraagt voor vervanging. De aanvraag wordt ondertekend door het bevoegd gezag en de schoolleiders van de deelnemende scholen. Zie voorts onder ‘beoordelingscriteria plan’. De aanvraagtermijn staat open vanaf 15 februari 2021 tot 1 april 2021. De aanvraag kan worden ingediend bij de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) via het daarvoor bedoelde aanvraagformulier op www.dus-i.nl. DUS-I stelt de subsidie direct vast binnen dertien weken na het sluiten van de aanvraagtermijn. Aanvragen die worden ingediend na de aanvraagtermijn worden afgewezen.

Het activiteitenplan bevat ten minste:

Indien de subsidie wordt toegekend, moet aan de volgende verplichtingen worden voldaan:

Administratieve lasten als zodanig betreffen de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Deze lasten doen zich voor bij de subsidieaanvraag en bij de verantwoording hiervan. Bij het opstellen van de regeling is in het oog gehouden dat de regeling geen onnodige regeldruk veroorzaakt. Dit betekent dat is nagedacht over de regeldrukkosten, werkbaarheid en gepercipieerd nut van de regeling.

Vanuit DUS-I wordt een formulier beschikbaar gesteld, waarmee de aanvraag wordt ingediend. Aanvragers wordt gevraagd om een beknopt, maar duidelijk activiteitenplan met begroting in te dienen.

De lasten voor de maatschappij bij het aanvragen van de regeling zijn als volgt ingeschat. Bij een vraag van maximaal € 1.1292.950 per school kunnen circa 20 aanvragen worden toegekend. Er wordt vanuit gegaan dat er meer aanvragen worden ingediend, namelijk ongeveer 35. Voor deze aanvragen worden de kosten voor de maatschappij geschat op gemiddeld 8 uur per aanvraag, inclusief de kennisnamekosten van de regeling en de interne afstemming over de plannen. In dit formulier wordt alleen de benodigde informatie opgevraagd, om de administratieve lasten tot het minimum te beperken. Daarbij is ervan uitgegaan dat gemiddeld 20% van de aanvragers (onderdelen van) de aanvraag moet aanvullen, hetgeen gemiddeld 1 uur kost. Voor de verantwoording tenslotte, wordt uitgegaan van 4 uur per aanvraag.

De lasten voor de maatschappij die met de aanvragen zijn gemoeid, bedragen dan in totaal (35*8)+(0,2*35*1)= 287 uur. Uitgaande van een uurtarief van € 50,– kost dit € 14,350. Dit is 0,24% van het totaal beschikbare bedrag. De beperkte administratieve last komt door de combinatie van een hoog subsidiebudget, relatief weinig aanvragen en een lage verantwoordingslast.

Het beleidskader is niet van toepassing op Caribisch Nederland.

De subsidie wordt verstrekt voor de schooljaren 2021–2022 en 2022–2023. De activiteiten worden in beginsel binnen deze twee schooljaren afgerond, maar de minister kan een subsidieontvanger toestemming geven de activiteiten later af te ronden indien de vertraging is toe te rekenen aan de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan. De termijnen waarin de betaling plaatsvindt wordt in de beschikking bepaald. DUS-I stelt de subsidie direct vast binnen dertien weken na het sluiten van de aanvraagtermijn.

Het bevoegd gezag kan maximaal € 292.950 aanvragen. De verantwoording geschiedt overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs in de jaarverslaggeving met model G1. Dit is in afwijking van de Kaderregeling. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen volledig is voldaan dan kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Het bevoegd gezag maakt er bij de minister in ieder geval melding van, indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet of niet geheel worden uitgevoerd. De subsidie wordt in dat geval en met inachtneming van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht lager vastgesteld. Het teveel ontvangen bedrag wordt in dat geval teruggevorderd.

Het bevoegd gezag is conform artikel 8, onderdeel f, nog wel verplicht om een activiteitenverslag aan te leveren, dit activiteitenverslag maakt geen onderdeel uit van de verantwoording.