Beleidsregel · BWBR0045752

Besluit Fiscaal Bestuursrecht

Wijzigingen Officiële bron
Besluit Fiscaal BestuursrechtBesluit Fiscaal Bestuursrecht

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit actualiseert het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) van 9 mei 2017, nr. 2017-1209 (Stcrt. 2017, 28270), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2020, nr. 2020-27173 (Stcrt. 2020, 66541). Naast enkele redactionele verbeteringen is het besluit op diverse punten verduidelijkt en geactualiseerd.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag15 oktober 2021.De Staatssecretaris van Financiën,namens deze,H.G.RoodbeenHoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is een verzamelbesluit met beleidsregels op het terrein van het fiscale bestuursrecht. Het besluit heeft vooral betrekking op het formele belastingrecht, maar gaat ook in op enkele civielrechtelijke aspecten.

Dit besluit vervangt het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 9 mei 2017, nr. 2017-1209 (Stcrt. 2017, 28270), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2020, nr. 2020-27173 (Stcrt. 2020, 66541). Hierbij zijn, afgezien van actualiseringen en redactionele verbeteringen, de volgende wijzigingen aangebracht.

Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 18 januari 2023, nr. 2022-26730, (Stcrt. 2023, 1519). De wijziging betrof § 1.1 en § 23, vijfde lid, en zag op situaties waarin de inspecteur een zogenoemde voorheffingenbeschikking ambtshalve kan verhogen.

De overige organisatieonderdelen en (algemeen) directeuren van de Belastingdienst genoemd in dit besluit zijn de organisatieonderdelen en de (algemeen) directeuren genoemd in de artikelen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.

Afhankelijk van de context moet voor 'inspecteur' in dit besluit 'ontvanger' worden gelezen, met inbegrip van de door hen gemandateerde medewerkers (zie ook hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003). Ook kan, waar toepasselijk, de term 'opsporingsambtenaar' worden gelezen. De term 'Belastingdienst' omvat al deze medewerkers. Ook afhankelijk van de context moet voor 'belastingplichtige' of 'inhoudingsplichtige', 'belastingschuldige' worden gelezen.

De inspecteur kan afzien van het horen voorafgaand aan het vaststellen van een belastingaanslag (zie artikel 4:12 Awb). De inspecteur neemt evenwel bij correcties van aangiften zo veel mogelijk vooraf contact op met de belanghebbende.

Voor de vraag bij welke rechtbank een belanghebbende een eventueel beroep moet indienen, is van belang waar een bestuursorgaan zijn zetel heeft (zie artikel 8:7 Awb). Hiervoor geldt het volgende:

De (algemeen) directeuren van de Belastingdienst behandelen klachten over gedragingen van hun medewerkers. De algemeen directeur Belastingdienst/Particulieren behandelt ook de klachten over gedragingen van medewerkers van de organisatieonderdelen Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf en Belastingdienst/Grote Ondernemingen. Klachten die betrekking hebben op meerdere organisatieonderdelen kunnen in overleg tussen de verantwoordelijke (algemeen) directeuren door één van hen worden behandeld.

De inspecteur nodigt voor het doen van aangifte in ieder geval uit eenieder:

Een voorlopige aanslag Vpb wordt alleen opgelegd als het te betalen of te ontvangen bedrag € 100 of meer is. Dit geldt in het geval de voorlopige aanslag lopende het jaar wordt opgelegd. Deze doelmatigheidsgrens geldt echter niet als de belastingplichtige zelf verzoekt om een voorlopige aanslag.

Als een belastingaanslag erfbelasting is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte wordt geen belastingrente in rekening gebracht dan wel wordt de in rekening te brengen rente beperkt (zie artikel 30g, derde en vierde lid, AWR). Bij nalatenschappen waarin zich een onroerende zaak bevindt, kan het voorkomen dat de WOZ-waarde wordt verlaagd nadat de aangifte erfbelasting is ingediend, maar voordat de definitieve aanslag is opgelegd. De inspecteur wijkt dan af van de aangifte. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel met zich dat deze aanpassing voor het berekenen van belastingrente niet als afwijking van de aangifte wordt gezien. Dit betekent dat ook in een dergelijk geval de hiervoor bedoelde beperking van de belastingrente toepassing vindt.

Op basis van artikel 30ha, eerste lid, AWR vergoedt de Belastingdienst belastingrente ingeval een teruggaafbeschikking niet binnen de in dat artikel genoemde termijn wordt vastgesteld. Onder een teruggaafbeschikking valt ook een beschikking (inhoudende een teruggaaf) als gevolg van een verzoek om ambtshalve vermindering of uitspraak op bezwaar.

De instemming om een belastingaanslag te formaliseren met toepassing van artikel 64 AWR laat onverlet de mogelijkheid om:

Verschoningsrecht

Ontheffing geheimhoudingsplicht

Ontheffing geheimhoudingsplicht voor inzage standaardformulier

Bij de uitwisseling van informatie over een grensoverschrijdende ruling maakt de Belastingdienst gebruik van een standaardformulier. Indien en voor zover dit formulier door de inspecteur is ingevuld of aangevuld, keur ik waar nodig met toepassing van artikel 67, derde lid, AWR goed dat de inspecteur de aanvrager van de ruling op diens verzoek inzage geeft in het standaardformulier.

Bij bezwaarschriften of procedures komt het voor dat de belastingplichtige aangeeft bepaalde centraal verzonden documenten niet te hebben ontvangen. De behandelend ambtenaar kan in zo’n geval via een door Belastingdienst/Centrale administratieve processen beschikbaar gesteld formulier verzoeken om een rapport van waarnemingen en bevindingen in systemen van het tot stand komen van de datum van aanbieden aan de postleverancier. Dit rapport kan worden gebruikt bij de bewijsvoering dat het betreffende document door de Belastingdienst is verzonden.

Er is een Landelijk coördinator civiele heffingsprocedures (hierna: de coördinator). Als een inspecteur overweegt een belastingplichtige of een derde in een civiele heffingsprocedure te doen dagvaarden, raadpleegt hij de coördinator. Ook als een inspecteur zelf in een civiele heffingsprocedure wordt gedagvaard, neemt hij onverwijld contact op met de coördinator. In beide gevallen draagt de coördinator zorg voor de verdere procedure, zo nodig na raadpleging van Fiscale en Juridische Zaken en zoveel als mogelijk in overleg met de inspecteur.

Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 9 mei 2017, nr. 2017-1209 (Stcrt. 2017, 28270) is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.