Ministeriële regeling · BWBR0046464

Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/51482, houdende vaststelling van regels ter bevordering van de aanschaf, ombouw en innovatie van schoon of emissieloos bouwmaterieel dat wordt gebruikt in de bouw (Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel)Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieelDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b en f, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M;

BESLUIT:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,V.L.W.A.Heijnen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling heeft als hoofddoel om de emissie van NOx in de bouwsector te verminderen en als nevendoel om de emissie van CO2 en fijnstof te verminderen, door:

Per aanvrager of groep wordt per kalenderjaar ten hoogste € 1.500.000 aan subsidie als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 verleend.

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Minister kan, overeenkomstig het bepaalde bij dit hoofdstuk en artikel 1.3, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor de aanschaf van één of meerdere emissieloze bouwmachines, of van één of meerdere bouwmachines met een mono-fuel waterstofverbrandingsmotor, die voor het eerst in gebruik worden genomen na productie dan wel die voor datum vaststelling subsidie voor het eerst zijn ingeschreven en tenaamgesteld.

De Minister beslist in elk geval afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk, indien:

De beschikking op een subsidieaanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.

De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, een voorschot van 70%.

Betalingen vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling verstrekt.

De Minister kan, overeenkomstig het bepaalde bij dit hoofdstuk en artikel 1.3, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor:

Met toepassing van de in artikel 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, wordt de subsidie in ieder geval afgewezen, indien:

De beschikking op een aanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.

De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, een voorschot van 70%.

Betalingen vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling betaald.

De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die in Nederland worden uitgevoerd en bijdragen aan het realiseren van de doelstelling van de regeling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel c, in de vorm van:

Een subsidieaanvraag wordt, met toepassing van het bepaalde in artikel 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:

De beschikking op een aanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.

Betalingen van de Minister vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager of, in het geval van een samenwerkingsverband, op naam staat van de penvoerder. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling verstrekt.

Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4.18 kan de Minister, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de vaststelling van de subsidie te wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terug te vorderen.

De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel.

Hier wordt in een lijst aangegeven welke machines in deze regeling onder de definitie van bouwmachine of zeegaand bouwvaartuig vallen, en daarmee in aanmerking komen voor aanschaf- of retrofitsubsidie, mits de aanvragen voldoen aan alle andere in de regeling vermelde eisen.

1 Subsidiabel zijn uitsluitend aanvullende verwisselbare batterijpakketten ingediend bij een aanvraag voor ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten volgens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel d.

In deze bijlage zijn de beoordelingscriteria en maximale puntentoedeling opgenomen. Er zijn daarbij twee typen projecten te onderscheiden, namelijk projecten gericht op technische ontwikkeling en projecten gericht op het opdoen van praktijkervaring. Voor deze projecten geldt een aparte puntentoedeling in de tabel hieronder. Bij beide projecttypen gaat het om een project experimentele ontwikkeling.

In deze bijlage wordt geschetst waaraan retrofit SCR en retrofit SCR + DPF1 systemen moeten voldoen in het kader van deze regeling. Het protocol omvat de typegoedkeuring en enkelstukskeuring.

Voor de toelating van het nabehandelingssysteem onder de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel moet gebruik gemaakt worden van een enkelstukskeuring volgens de ISO8178 part 1 of part 2 en part 4 testprocedure of van een typegoedkeuring volgens UNECE R132. De enkelstukskeuring komt overeen met de huidige praktijk, waarbij het nabehandelingssysteem getest wordt op de machine waarop het toegepast wordt. De UNECE R132 typegoedkeuring is alleen van toepassing voor mobiele werktuigen van 18 tot 560 kW en voor wegvoertuigen. Dit komt overeen met het gebied waarin meer seriematige installatie van retrofit systemen kan worden verwacht. Voor bouwwerktuigen boven 560 kW, en voor generatorsets kan een ‘enkelstukskeuring’ gedaan worden volgens de ISO8178 testprocedure.2 In de praktijk wordt nu over het algemeen de enkelstukskeuring voor retrofit nabehandeling toegepast.

Deze typegoedkeuring dient per vermogensklasse eenmalig uitgevoerd te worden. Het systeem kan daarna op verschillende merken en typen machines van die vermogensklasse gemonteerd worden.

Het doel van de typegoedkeuring is als volgt:

De vermogensklassen zijn als volgt gedefinieerd (op basis van Stage IIIA vermogensklassen):

De leverancier kan hierin subklassen specificeren als een systeem niet ontworpen is voor de gehele range. De worst case moet getest worden. Over het algemeen is dat het hoogste vermogen waarvoor het systeem geleverd wordt.

R132 is ontwikkeld voor roetfilters (DPF), SCR-katalysatoren en gecombineerde systemen voor wegvoertuigen en voor mobiele werktuigen inclusief landbouwmachines. Voor mobiele werktuigen is het van toepassing voor machines met een dieselmotor met variabel-toerental-aandrijving met een vermogensrange van 18 – 560 kW.

R132 kent verschillende klassen voor PM en NOx-reductie. Voor deze subsidieregeling zijn alleen de klassen III en IV van belang:

Een typegoedkeuring moet afgegeven zijn door een typegoedkeuringsautoriteit en de volgende onderdelen bevatten:

Belangrijke technische eisen omvatten:

In verband met het toepassingsgebied moet de leverancier de volgende eigenschappen definiëren en inzichtelijk maken:

De enkelstukskeuring is vooral bedoeld voor mobiele werktuigen boven 560 kW of voor generatorsets, maar kan daarnaast ook toegepast worden voor mobiele werktuigen van 19 tot 560 kW (en voor bouwvoertuigen).

Om in aanmerking te komen voor subsidie op basis van enkelstukskeuring moet een aanvrager aantonen dat het nabehandelingssysteem een emissietest heeft doorlopen door een gecertificeerd meetbedrijf volgens de ISO8178 testprocedure en testcycli, waarbij wordt voldaan aan de limietwaarden die in hoofdstuk 3 van deze bijlage worden beschreven. Te meten parameters omvatten minimaal NOx en NH3, en indien een roetfilter is toegevoegd, tevens PM- en PN-emissies. De meetprincipes dienen in lijn te zijn met ISO8178 Part 1 of 2 en de Stage V-normen.

Naar keuze kan een proefstandtest worden uitgevoerd volgens ISO8178 Part 1, of een meting op de machine in de praktijk volgens ISO8178 Part 2. De van toepassing zijnde testcyclus dient gebaseerd te zijn op ISO 8178-4. Afhankelijk van het belastingpatroon van de motor wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende testcycli (zie ook Bijlage B):

Het meetbedrijf dient de best passende testcyclus te kiezen in overleg met de machine eigenaar of de leverancier van het nabehandelingssysteem. Hierbij wordt rekening gehouden met de technische mogelijkheid om de meetpunten te realiseren op het betreffende mobiele werktuig.

In plaats van de stationaire test volgens de ISO 8178 part 4 testcyclus mogen de NOx- en NH3-emissies ook in de praktijk gemeten worden met een onafhankelijk meetsysteem (niet de sensoren op het systeem zelf) gedurende minimaal 4 uur in normaal bedrijf. Dit mag met sensor based equipment worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 3).

Er moet voor de typegoedkeuring en voor de enkelstukskeuring voldaan worden aan de hieronder omschreven limietwaarden voor NOx, NH3 en indien een roetfilter wordt gemonteerd, PM en PN, om in aanmerking te komen voor subsidie. De limietwaarde geldt zowel voor de enkelstuksmeting als voor de R132 typegoedkeuringstest. Voor de typegoedkeuring is dat een aanvullende eis bovenop de reguliere R132-eis van minimaal 60% NOx reductie en minimaal 90% PM reductie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een proefstandtest (stationair en dynamisch), een stationaire test in de praktijk en een dynamische test in de praktijk. Voor de laatste geldt een 25% hogere limietwaarde. Zie onderstaande tabel 1.

Voor de enkelstuksmeting kan een NOx-meting in de praktijk gedaan worden tijdens normaal (dynamisch) gebruik (als alternatief voor de stationaire test volgens een ISO part 4 testcyclus). De NOx-eis voor de machine of wegvoertuig is dan 150% van de limietwaarde van de motorproefstandtest. De meetprocedure is in lijn met de In Service Monitoring meetprocedure voor NRMM vastgelegd in reglement EU 2017/655. Volgens dit protocol worden periodes van stationair draaien en lage motorbelasting (<10%) niet meegeteld in het emissiegemiddelde. Dit is gedaan omdat de NOx-emissielimiet voor lage motorbelasting niet toepasbaar is (de motor produceert dan wel NOx-emissie maar weinig of geen arbeid). Deze systematiek wordt overgenomen voor de subsidieregeling SSEB. Volgens het reglement wordt de meetprocedure uitgevoerd met een PEMS-meetsysteem. Voor deze regeling mag ook gebruik gemaakt worden van een eenvoudiger sensor-based systeem aangeduid met SEMS of CEMS (Smart Emissions Monitoring System of Continuous Emissions Monitoring System). De praktijktest duurt minimaal 4 uur. In tabel 1 is een overzicht gegeven voor de limietwaarden per vermogensklasse inclusief de limietwaarde in de praktijk in g/kg CO2. Deze equivalente NOx-eis in g/kg CO2 is bepaald op basis van een nominale motorefficiency en koolstofgehalte van de brandstof (zie hoofdstuk 7).

1150% van de limietwaarde van de stationaire test.

Tevens moet worden voldaan aan een emissie-eis voor NH3-emissies die als volgt wordt bepaald:

Eenvoudig rekenkundig gemiddelde concentratie (zonder weging met belasting of flow): maximaal 10 ppm NH3 op basis van een 20 min voortschrijdend gemiddelde, alsmede pieken kleiner dan 25 ppm op basis van 60 s gemiddelde. Bij de stationaire test wordt de NH3-emissie continue gemeten, ook tijdens de belastingwisselingen tussen de verschillende stationaire punten. Indien gekozen wordt voor een praktijktest, dan wordt NH3 eveneens continue gemeten.

Indien een roetfilter onderdeel uitmaakt van het nabehandelingssysteem, dan gelden de volgende PM- en PN-eisen:

Als een dynamische praktijktest uitgevoerd wordt, de zogenaamde PEMS-PN-test die onderdeel is van Stage V-normering, dan mag een toeslag van 25% gehanteerd worden op de NOx en PN-limietwaarde. PM-emissie behoeft in dat geval niet gemeten te worden. Er moet dan minimaal 4 uur in normaal bedrijf gemeten worden.

In onderstaand tabel is een overzicht gegeven van de verantwoordelijkheden en rollen van de verschillende stakeholders.

Retrofit SCR-systemen worden al regelmatig toegepast in de zeescheepvaart. Het betreft dan bijvoorbeeld baggerschepen of patrouilleschepen. De lage NOx-emissies zijn dan belangrijk in verband met het gunnen van de aanbesteding of voor de directe luchtkwaliteit in havengebieden. Daarnaast wordt SCR ook toegepast op schepen welke varen op Noorwegen, omdat daar middels het NOx-fund een compensatie gekregen kan worden op de havengelden.

Zeeschepen, in dit geval zeegaande bouwvaartuigen, hebben over algemeen een aantal motoren aan boord: voor de schroefaandrijving, voor de belangrijkste hulpfunctie (bijvoorbeeld pompen, baggeren) en voor boordelektriciteit en boegschroeven. Ook bij een schip met dieselelektrische aandrijving is sprake van een aantal motoren (generatorsets). De hulpfuncties worden in dat geval elektrisch aangedreven. Afhankelijk van de inzet van de motoren kan SCR op een deel van de motoren of eventueel op alle motoren worden toegepast.

Roetfilters (DPF) worden zelden toegepast bij zeeschepen omdat de IMO MARPOL emissieregelgeving dit niet vraagt, en ook omdat het technisch lastig is omdat er significante hoeveelheden zwavel in de brandstof zit (ook bij laagzwavelige brandstof voor zeevaart). Indirect wordt de fijnstofuitstoot wel gelimiteerd door de zwaveleisen aan de brandstof.

Om in aanmerking te komen voor SSEB-subsidie moet een aanvrager aantonen dat de NOx-limietwaarde gerealiseerd wordt in een emissietest.

Emissietest

De emissietest moet uitgevoerd worden door een gecertificeerd meetbedrijf (zoals conform ISO 9001, 9003, 17020, 17025, VCA, NEN 14001 of vergelijkbaar) volgens de MARPOL 73/78 Annex VI onboard testprocedure. Deze is omschreven in (MEPC, 2008). De MARPOL-procedure is globaal equivalent met de ISO8178 procedure, maar is specifieker omschreven voor scheepvaart.

Afhankelijk van het type aandrijving dient gebruik gemaakt te worden van verschillende ISO8178 Part 4 testcycli (zie ook hoofdstuk 7):

De best passende testcyclus bij het belastingpatroon in de praktijk dient gebruikt te worden. Het meetbedrijf dient de best passende testcyclus te kiezen in overleg met de machine eigenaar of de leverancier van het nabehandelingsysteem, rekening houdend met de technische mogelijkheid om de meetpunten te realiseren op het vaartuig.

Systeembeschrijving

De aanvrager dient te beschikken over een nauwkeurige systeembeschrijving van de motor(en) en het nabehandelingssysteem, die op verzoek van de Minister kan worden opgevraagd (artikel 3.11, lid 1c):

Er wordt een berekening van de NOx-reductie verstrekt waarin de NOx emissie per jaar voor alle motoren wordt berekend en vervolgens de NOx reductie voor de motoren welke voorzien worden van SCR-systeem.

De limietwaarde voor NOx komt overeen met de IMO MARPOL Tier III eis.

De NOx-waarde van deze eis is afhankelijk van het maximale motortoerental. Het maximale motortoerental wordt vooral bepaald door de cilinderinhoud per cilinder: naarmate deze groter is, is het maximaal toerental lager. De limietwaarde is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een motor met een maximaal toerental van 720 RPM is deze bijvoorbeeld 2,4 g/kWh.

In de praktijk kan een schipeigenaar kiezen voor een (veel) lagere NOx-waarde, omdat dat technisch haalbaar is en ook een gunningsvoordeel voor opdrachten kan opleveren.

Tevens moet worden voldaan aan een emissie-eis voor NH3-emissies die als volgt wordt bepaald:

De eis voor emissiemonitoring bestaat uit het verstrekken van de bunkernotes van dieselbrandstof en ureumoplossing inclusief globale inzet gegevens:

Limietwaarde NOx voor praktijktest

De limiet waarde in g/kWh wordt omgerekend in g/kg CO2 op basis van een nominale motorefficiency en de specifieke CO2-emissie:

Waarin:

De limietwaarde voor de praktijkemissie is 125% van de limietwaarde van Stage V. Dus 125% van 0,4 g/kWh is 0,5 g/kWh.

Substitutie van deze getallen in de formule geeft:

Berekening NOx/CO2-ratio

De NOx/CO2-ratio in gram NOx per kg CO2 wordt als volgt uitgerekend aan de hand van de NOx en CO2-concentraties:

Waarin de molecuulmassa wordt gehanteerd:

De CO2 concentratie kan berekend worden aan de hand van de O2-concentratie van de NOx-sensor.

Waarin voor CO2 conc max 14,1% gesubstitueerd kan worden (op basis van een koolstofinhoud van de brandstof van 86%), en waarbij 20.8% de typische zuurstofconcentratie in de lucht is, in de nabijheid van uitlaatgassen.

Berekening gemiddelde NOx per dag

De berekening van de gemiddelde NOx-emissie in gram per kg CO2 gedurende een bepaalde periode) wordt gemaakt op basis van een simpele berekening van de totale NOx-emissie en de totale CO2-emissie en die op elkaar te delen. Er wordt hierbij aangenomen dat de uitlaatgas-massastroom lineair proportioneel is met het motortoerental, N. De periode kan 1 dag zijn of het voortschrijdend gemiddelde van 100.000 s, waarbij ook onderscheid gemaakt wordt tussen belast en onbelast. De formule ziet er als volgt uit:

Na invulinning van de moleculaire massa’s, wordt deze verder vereenvoudigd naar:

Brandstofverbruik als maat voor motorbelasting

Het brandstofverbruik kan als maat gebruikt worden voor de motorbelasting (% load = % max vermogen). Bij variabel-toerental-aandrijvingen, kan het load% gelijk aan 0% gesteld worden bij ca 3% van het max brandstofverbruik. De 3% is nodig om de interne wrijving van de motor te overwinnen bij een laag toerental. Dat leidt tot de volgende benadering voor het load-%:

Bij constant-toerental-aandrijving, is de interne wrijving, en verliezen, hoger, omdat het toerental hoger is. In dat geval kan uitgegaan worden van een verlies% van 5% tot 10%.

In (Ligterink, 2018) is bepaald dat de CO2-emissie en dus ook het brandstofverbruik een min of meer lineaire functie is van het motortoerental bij gebruikelijke mobiele werktuigen zoals graafmachines, zijladers en tractoren. Zie onderstaande grafiek, hetgeen het gemiddelde is van de vier onderzochte machines in (Ligterink, 2018). Deze relatie is afhankelijk van de motorconfiguratie, de regelstrategie en de inzet.

Testcycli met weegfactoren per meetpunt

Bron: https://dieselnet.com/standards/cycles/iso8178.php

ECE, 2015

Addendum 131 – Regulation No. 132: Uniform provisions concerning the approval of Retrofit Emission Control devices (REC) for heavy duty vehicles, agricultural and forestry tractors and non-road mobile machinery equipped with compression ignition engines

E/ECE/324/Rev.2/Add.131/Rev.1−E/ECE/TRANS/505/Rev.2/Add.131/Rev.1. United Nations, 3 February 2015.

Ligterink, 2018

Ligterink, N., R. Louman, E. Buskermolen & R. Verbeek (2018), De inzet van bouwmachines en de bijbehorende NOx en CO2-emissies, TNO 2018 R10 465, Den Haag: TNO.

Ligterink, 2021

N.E. Ligtering, E. v. Eijk, Geoff C. Holmes: MaVe actie EMPK mobiele werktuigen. TNO memo nr. 2021-STL-MEM-100340343. Datum 24 juni 2021

MEPC, 2008

IMO Resolution MEPC 177(58), Amendments to the Technical Code on control of emission of Nitrogen oxides from marine diesel engines, NOx Technical Code 2008, 10 October 2008.

Vermeulen, 2021

R.J. Vermeulen, N.E. Ligterink, P.J. van der Mark: ‘Real-world emissions of non-road mobile machinery. TNO report: TNO 2021 R 10221. February 2021.