ZBO-regeling · BWBR0047245

Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van het College voor toetsen en examens van 26 september 2022, nummer CvTE-22.00945, houdende vaststelling van de toetswijzer voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs (Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO)Regeling toetswijzer doorstroomtoets POHet College voor toetsen en examens,

Gelet op artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Het College voor toetsen en examens,de voorzitter,P.J.J.Hendrikse

De toetswijzer, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens wordt vastgesteld als bijlage bij deze regeling.

De Regeling toetswijzer eindtoets PO wordt ingetrokken.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO.

Toetswijzer doorstroomtoets PO

Deze toetswijzer voor doorstroomtoetsen primair onderwijs (po) is een update van de algemene toetswijzer voor eindtoetsen po die eerder door het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is vastgesteld met de Regeling toetswijzer eindtoets PO. De inhoud van deze toetswijzer is door een onafhankelijke toetswijzercommissie Nederlandse taal en rekenen, onder regie van het CvTE, in 2014 ontwikkeld. De commissie was samengesteld uit inhoudsexperts, toetsontwikkelaars van de Centrale Eindtoets en vertegenwoordigers van toetsontwikkelaars van andere eindtoetsen.

In 2023 hebben nieuwe toetswijzercommissies onderdelen in de toetswijzer voor doorstroomtoetsen po herschreven, naar aanleiding van in 2022 verkregen input van toetsaanbieders.

Op 1 januari 2023 trad de Wet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (hierna: Wet doorstroomtoetsen po)1 in werking. Met deze wet wordt voorgeschreven dat leerlingen in het laatste schooljaar van het po een onafhankelijke, objectieve doorstroomtoets maken. Het bevoegd gezag kan kiezen uit een van de door het CvTE erkende doorstroomtoetsen.

Het Toetsbesluit PO beoogt een zorgvuldige en betrouwbare afname te verzekeren van de doorstroomtoets en beoogt het goede gebruik van leerling- en onderwijsvolgsystemen te regelen. Er worden voorschriften gesteld om de kwaliteit van de doorstroomtoetsen en de leerling- en onderwijsvolgsystemen te waarborgen. Deze toetswijzer is een uitwerking van het Toetsbesluit PO en geeft weer aan welke eisen elke doorstroomtoets moet voldoen voor wat betreft inhoud en vorm. Deze toetswijzer expliciteert de inhoudelijke kwaliteitseisen voor de wettelijk verplichte domeinen uit het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (hierna: het Referentiekader)2 voor taal3 en rekenen4 die voor alle doorstroomtoetsen gelden. Daarnaast worden de kwaliteitseisen beschreven voor de domeinen die optioneel in doorstroomtoetsen kunnen worden opgenomen. Deze toetswijzer biedt daarmee het kader op basis waarvan ontwikkelaars van doorstroomtoetsen hun toets kunnen ontwikkelen willen zij de toets laten erkennen.

De beoordeling en het besluit over de erkenning van doorstroomtoetsen wordt genomen door het CvTE. Stichting Cito adviseert over de erkenning van de doorstroomtoetsen aan de hand van het Beoordelingskader voor doorstroomtoetsen po. De toetswijzer geeft weer aan welke eisen elke doorstroomtoets moet voldoen voor wat betreft inhoud en vorm.

Het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO (hierna: het Besluit) en het Referentiekader voor taal en rekenen vormen het wettelijk kader waarbinnen de toetsinhouden voor doorstroomtoetsen rekenen en taal worden beschreven. In het Besluit staan de taal- en rekeninhouden beschreven die leerkrachten de leerlingen aanbieden, opdat zij deze doelen in voldoende mate kunnen bereiken voor of aan het einde van groep 8. Daarbij gaat het om aanbodsdoelen. De referentieniveaus beschrijven wat leerlingen moeten kennen, kunnen en begrijpen aan het einde van de basisschool. Hierbij gaat het om beheersingsdoelen. De referentieniveaus dekken de kerndoelen, ze bevatten geen nieuwe leerstof. Voor het einde van de basisschool zijn twee referentieniveaus van belang. Voor taal zijn dat niveau 1F en 2F. Voor rekenen zijn dat niveau 1F en 1S.

Het doel van een doorstroomtoets po op leerlingniveau is tweeledig: voorspellend en niveaubepalend. Een doorstroomtoets is voorspellend in die zin dat het resultaat van de leerling op de toets aangeeft hoe een leerling het naar verwachting zal doen in het voortgezet onderwijs. Een doorstroomtoets is niveaubepalend in die zin dat het resultaat van de leerling op de doorstroomtoets aangeeft welk beheersingsniveau een leerling heeft aan het einde van groep 8 ten aanzien van de referentieniveaus taal (domein Lezen en subdomein Taalverzorging) en rekenen. Deze twee punten worden verwerkt in het leerlingrapport.

De toetsvorm van een doorstroomtoets is vrij. Hieronder wordt bijvoorbeeld verstaan: het aantal toetsopgaven, het soort toetsopgaven (bijvoorbeeld meerkeuzevragen, open vragen), het direct of indirect toetsen van kennis of vaardigheden, en het schriftelijk, mondeling of via de computer toetsen. Keuzes die worden gemaakt ten aanzien van de vorm van een doorstroomtoets, mogen niet ten koste van de validiteit en betrouwbaarheid van de betreffende doorstroomtoets gaan. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van open vragen moeten de antwoorden van de leerlingen objectief scoorbaar zijn, of er is voorzien in een intersubjectief antwoordmodel. Verder kunnen bepaalde toetsvormen nadere eisen stellen aan de gang van zaken bij het afnemen en beoordelen van een doorstroomtoets.

De toetswijzer expliciteert de minimale inhoudelijke kwaliteitseisen die voor alle doorstroomtoetsen gelden. Daarnaast geeft de toetswijzer aan welke ruimte er is voor inhoudelijke keuzes.

Als een doorstroomtoets voldoet aan de eisen 2 en 3, wordt deze geacht ook aan eis 1 te voldoen.

De uitwerking van eis 2 is te vinden in het hoofdstuk over taal (hoofdstuk 3).

De uitwerking van eis 3 is te vinden in het hoofdstuk over rekenen (hoofdstuk 4)

De algemene uitwerking van eis 4 en 5 staat hieronder. In de hoofdstukken over taal en rekenen staan de vakspecifieke uitwerkingen van deze eisen.

Een doorstroomtoets meet het beheersingsniveau dat de leerling heeft behaald aan het einde van het po ten aanzien van de referentieniveaus. Het grootste gedeelte van de leerlingen zal een beheersingsniveau hebben dat valt binnen het bereik van de referentieniveaus 1F en 2F (taal) en 1F en 1S (rekenen).

De verantwoordingsdocumenten van een doorstroomtoets beschrijven de inhoud van de betreffende doorstroomtoets en geven inzicht in de gemaakte keuzes. Daarmee bieden de documenten tevens informatie voor andere belanghebbenden, zoals scholen. De verantwoordingsdocumenten omvatten ten minste:

Het CvTE beoordeelt niet de verantwoordingsdocumenten op zich, maar gebruikt de documenten bij de beoordeling van het voldoen van de betreffende doorstroomtoets aan de kwaliteitseisen 1 tot en met 4.

Het Referentiekader onderscheidt voor taal vier domeinen: Mondelinge taalvaardigheid, Lezen, Schrijven, en Begrippenlijst en Taalverzorging. In het terrein Nederlandse taal van de doorstroomtoetsen po is in principe ruimte om alle domeinen te meten, met daarbij de kanttekening dat in ieder geval het domein Lezen en het subdomein Taalverzorging uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging getoetst moeten worden in overeenstemming met artikel 3 van het Toetsbesluit PO. Deze toetswijzer beschrijft de minimaal inhoudelijke kwaliteitseisen voor deze wettelijk verplichte (sub)domeinen, maar beschrijft daarnaast – als richtlijn – ook de kwaliteitseisen voor de optionele domeinen Mondelinge taalvaardigheid, Schrijven en het subdomein Begrippenlijst van het domein Begrippenlijst en Taalverzorging, die ook in de doorstroomtoets aangeboden mogen worden.

Het is niet wettelijk verplicht om de domeinen Mondelinge taalvaardigheid, Schrijven en het subdomein Begrippenlijst uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging te toetsen. Toetsaanbieders zijn vrij om vanuit deze toetswijzer aan de andere domeinen invulling te geven in hun eigen verantwoordingsdocumenten en deze domeinen op te nemen in hun doorstroomtoets. Door ook andere domeinen in de doorstroomtoets op te nemen kan meer recht gedaan worden aan de onderwijsinhouden voor taal en aan het evalueren van de prestaties van leerlingen aan het einde van het basisonderwijs (zie ook paragraaf 3.2 hieronder). Uiteraard blijft het de verantwoordelijkheid van de school om ervoor te zorgen dat de onderdelen die niet door een doorstroomtoets getoetst worden, door kinderen beheerst worden.

Voor scholen is het belangrijk zich te realiseren welke domeinen in een doorstroomtoets getoetst worden. In de doorstroomtoetsen gaat het niet om de taalvaardigheid van de leerling maar om een beperkt deel van de taalvaardigheid. Immers, het is niet verplicht om alle domeinen te toetsen en binnen de domeinen kunnen keuzes gemaakt worden in wat wel of niet getoetst wordt. Het is derhalve nodig om op andere wijzen dan via de doorstroomtoets een beeld te verwerven van de ontwikkeling van de taalvaardigheid van leerlingen. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een leerlingvolgsysteem, methodegebonden toetsen, observaties, portfolio's en besprekingen van de uitvoering van taaltaken met leerlingen.

In de verantwoordingsdocumenten bij de doorstroomtoets moet de toetsaanbieder een heldere beschrijving geven van de gemaakte keuzes. Deze documenten bevatten bijvoorbeeld een beschrijving waarom en hoe inhouden uit het domein Mondelinge taalvaardigheid getoetst worden. Indien inhouden uit het domein Mondelinge taalvaardigheid getoetst worden, geven de verantwoordingsdocumenten een beschrijving van de gemaakte keuzes ten aanzien van de toetsing van deze inhouden (direct of indirect, keuzes in taken). Hetzelfde geldt voor de gemaakte keuzes ten aanzien van de toetsing van inhouden uit het domein Schrijfvaardigheid (direct of indirect, keuzes in genres of taken). Zo kan inzichtelijk gemaakt worden welke aspecten van de taalvaardigheid de doorstroomtoets in beeld brengt.

In het Toetsbesluit PO is vastgelegd dat de doorstroomtoetsen meten welk eindniveau de leerling heeft behaald ten opzichte van de referentieniveaus (zie kwaliteitseis 4). Elke doorstroomtoets dient minimaal te voldoen aan de in paragraaf 3.4 genoemde inhoudelijke kwaliteitseisen voor het domein Lezen en het subdomein Taalverzorging uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging. Voor het domein Lezen zijn referentiesets van opgaven beschikbaar en voor het subdomein Taalverzorging zijn ankersets van opgaven gemaakt. Met de daarbij behorende normering kan de (wettelijke) referentiecesuur worden bepaald. Een indicatie van het behaalde referentieniveau kan in het leerlingrapport dus alleen voor het domein Lezen en het subdomein Taalverzorging worden gegeven. Voor de andere (sub)domeinen dienen doorstroomaanbieders zelf een cesuur te kunnen verantwoorden.

Een doorstroomtoets dient te voldoen aan de volgende inhoudelijke kwaliteitseisen:

Relatieve verdeling verplichte (sub)domeinen

De relatieve verdeling van opgaven over de verplichte (sub)domeinen lezen (ten minste 50 procent van de opgaven van de verplichte (sub)domeinen) en taalverzorging (ten minste 30 procent van de opgaven van de verplichte (sub)domeinen) is als volgt:

1 Lezen van subdomeinen zakelijke teksten en fictionele, narratieve en literaire teksten.

2 Het aspect techniek en woordenschat is geen afzonderlijke taakuitvoering – zie ook het Referentiekader – maar valt bij lezen automatisch onder alle andere aspecten en is om die reden optioneel. Aanbieders kunnen dit aspect toetsen onder de voorwaarde dat de taak gericht is op het afleiden van de betekenis van woorden uit de vorm, samenstelling of context.

3 Het aspect evalueren wordt vanaf 2027 in de doorstroomtoetsen verplicht getoetst. Het streefdoel is om bij de volgende herziening van de toetswijzer het percentage te verhogen tot ≥ 6% en het aspect evalueren verplicht te laten toetsen bij allebei de subdomeinen van lezen. Vooralsnog kan een aanbieder er namelijk voor kiezen om het aspect evalueren te toetsen bij allebei de subdomeinen, ofwel alleen bij één van de twee subdomeinen.

Het doel van bovenstaande specificatie is het realiseren van een verantwoord evenwicht tussen en binnen de verplichte (sub)domeinen. Bij de relatieve verdeling dient opgemerkt te worden dat de aangegeven procenten zijn weergegeven ten opzichte van het totaal aantal opgaven van de verplichte (sub)domeinen lezen en taalverzorging samen. Het opnemen van optionele (sub)domeinen staat los van bovenstaande relatieve verdeling van de verplichte (sub)domeinen. De relatieve verdelingen met betrekking tot optionele (sub)domeinen zijn vrij aan de toetsaanbieder.

Lezen

Voor de beschrijving van het domein Lezen verwijst de toetswijzer naar de publicatie ‘Over de drempels met taal’.5

1 Gibson & Levin (1975). The psychology of reading. MIT Press: New York

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein lezen

A. Subdomein Zakelijke teksten

B. Subdomein Fictionele, narratieve en literaire teksten

Begrippenlijst en Taalverzorging

Voor de beschrijving van het subdomein Taalverzorging in het domein Begrippenlijst en Taalverzorging verwijst de toetswijzer naar de publicatie ‘Over de drempels met taal’.8

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein begrippenlijst en taalverzorging

A. Subdomein Taalverzorging

Schrijven

Voor de beschrijving van het domein Schrijven verwijst de toetswijzer naar de publicatie ‘Over de drempels met taal’.9

1 Grabowski (2007). The writing superiority effect in the verbal recall of knowledge: Sources and determinants. In G. Rijlaarsdam (Series Ed.) and M. Torrance, L. van Waes, & D. Galbraith (Vol. Eds.), Writing and cognition: research and applications. (Studies in Writing, Vol. 20, pp. 165-180). Amsterdam: Elsevier

2 Hillocks (1986). Research on written composition: New directions for teaching. Urbana, Ill.: ERIC Clearinghouse on Reading and Communication Skills, National Institute of Education; Graham & Perin (2007). A Meta-analysis of writing instruction for adolescent writers. Journal of Educational Psychology, 99(3), 445-476.

3 Breetvelt, Van den Bergh & Rijlaarsdam, G. (1994). Relations between writing processes and text quality: When and how? Cognition and Instruction, 12(2), 103 -123.

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen taal – domein schrijven via indirectemeting

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein schrijven via directemeting

Mondelinge Taalvaardigheid

Voor de beschrijving van het domein Mondelinge Taalvaardigheid verwijst de toetswijzer naar de publicatie ‘Over de drempels met taal’.10

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein mondelinge taalvaardigheid via indirectemeting

A. Subdomein Gesprekken

B. Subdomein Spreken

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein mondelinge taalvaardigheid via directemeting

A. Subdomein Gesprekken

B. Subdomein Luisteren

C. Subdomein Spreken

Begrippenlijst en Taalverzorging

Voor de beschrijving van het niet verplichte subdomein Begrippenlijst uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging – verwijst de toetswijzer naar de publicatie ‘Een nadere beschouwing’.11

Kwaliteitseisen voor doorstroomtoetsen Nederlandse taal – domein begrippenlijst en taalverzorging

A. Subdomein Begrippenlijst

Een doorstroomtoets toetst leerlingen op de inhouden van en meet hun beheersingsniveau ten aanzien van het Referentiekader rekenen; alle domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde, en Verbanden.

Voor het einde van de basisschool zijn twee referentieniveaus van belang. Voor rekenen zijn dat niveau 1F en 1S. Het verschil tussen beide niveaus zit vooral in de complexiteit van contexten, bewerkingen en getallen. Op niveau 1S ligt de nadruk meer op formeel rekenen, op inzicht in het decimale systeem en in bewerkingen, op rekenen met grotere getallen en op complexere contexten waarin bijvoorbeeld ook gegevens gecombineerd moeten worden. Bij 1F gaat het meer om elementair rekenen, voornamelijk in eenvoudigere contexten met niet te grote getallen of met veel voorkomende getallen (breuken, kommagetallen) en maten. De nadruk ligt meer op het kunnen rekenen in dagelijkse situaties. Maar ook op het niveau van 1F moeten leerlingen tot op een bepaalde hoogte formeel kunnen rekenen.

Elk domein is opgebouwd uit drie onderdelen:

Elk van deze drie onderdelen is steeds opgebouwd in drie typen kennis en vaardigheden. Die zijn als volgt te karakteriseren:

Bij elk type inzicht, kennis en vaardigheden worden in het referentiekader per niveau, per domein en per onderdeel korte beschrijvingen en/of voorbeelden gegeven.

In de verantwoordingsdocumenten van de toetsconstructeur wordt een eigen domeinbeschrijving gegeven van alle vier de domeinen, met inachtneming van de hieronder vermelde inhoudelijke kwaliteitseisen. De gemaakte keuzes bij de domeinbeschrijvingen worden beschreven.

In het Toetsbesluit PO is vastgelegd dat de doorstroomtoetsen meten welk eindniveau de leerling heeft behaald ten opzichte van de referentieniveaus rekenen. Daarbij worden alle domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde en Verbanden getoetst. Voor het terrein rekenen zijn referentiesets en ankersets van opgaven beschikbaar, waarmee de referentiecesuur van de referentieniveaus rekenen op de doorstroomtoets kan worden overgebracht.

Een doorstroomtoets dient te voldoen aan de volgende inhoudelijke kwaliteitseisen:

Toetsopgaven op niveau 1S en 1F

Ongeacht de toetsvorm, moet de toets het mogelijk maken om voor elke leerling uitspraken te doen ten aanzien van de beheersing van het 1F en 1S niveau. Dat betekent dat de opgaven van een doorstroomtoets breed zijn samengesteld qua moeilijkheid; tenminste de inhouden van 1F en 1S moeten in een doorstroomtoets zijn vertegenwoordigd.

Relatieve verdeling domeinen

De relatieve verdeling van opgaven over de domeinen is als volgt:

In de verantwoordingsdocumenten van een doorstroomtoets wordt de onderverdeling van opgaven over de domeinen gegeven. Daarbij geldt dat elke opgave onder één (primair) domein wordt geplaatst.

Inhoudsbeschrijving

Voor de domeinen zijn de beschrijvingen op niveau 1S en 1F in het Referentiekader (2010) leidend. Het gaat daarbij om de inhouden uit het Referentiekader die in de tabel hieronder zijn opgenomen.

De relatieve verdeling van opgaven over de onderscheiden onderdelen: Notatie, taal en betekenis (A); Met elkaar in verband brengen (B); en Gebruiken (C) is als volgt:

Voor A wordt geen minimum vereist omdat deze inhouden ook kunnen worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van B en C.

In de verantwoordingsdocumenten van een doorstroomtoets wordt de onderverdeling van opgaven over de onderdelen A, B en C gegeven en toegelicht. Daarbij geldt dat elke opgave onder één (primair) onderdeel wordt geplaatst, met uitzondering van onderdeel A.

Opgaven met en zonder context

In een doorstroomtoets rekenen moeten zowel opgaven met context als zonder context (zogenaamde ‘kale opgaven’) opgenomen worden. Een contextopgave is een opgave met benoemde getallen en betekenisvol voor de leerlingen.

Figuur 1: Een probleemoplossingscyclus voor rekenproblemen12

Figuur 2(a en b): Een oplossingsproces van een kale en contextopgave in beeld gebracht13

Bij een contextopgave wordt de probleemoplossingscyclus van figuur 1 volledig doorlopen. Dit is schematisch weergegeven in figuur 2a. Een kale opgave is een opgave zonder benoemde getallen en waarbij alleen stap 4 van het oplossingsproces wordt doorlopen (zie ook figuur 2b). Onder kale opgaven worden ook omzettingen in het metriek stelsel verstaan die alleen rechtstreeks via stap 4 worden opgelost.

In de doorstroomtoets rekenen is minimaal 20% en maximaal 35% van de opgaven kaal. De rest van de opgaven zijn contextopgaven. Iedere toetsaanbieder beschrijft in diens verantwoordingsdocument wat de verdeling is van contextopgaven en kale opgaven.

Het gebruik van uitrekenpapier

In een doorstroomtoets is het voor de leerlingen toegestaan bij alle opgaven uitrekenpapier te gebruiken.

Gebruik en verstandig inzetten van de rekenmachine

Het gebruik van de rekenmachine en het verstandig inzetten van de rekenmachine is opgenomen in de inhoudsbeschrijving van het Referentiekader. Onder het ‘verstandig inzetten’ kan worden verstaan het maken van een beredeneerde keuze tussen de rekenvormen hoofdrekenen, schriftelijk rekenen en rekenen met de rekenmachine. In een doorstroomtoets rekenen kan ervoor worden gekozen deze vaardigheden wel of niet op te nemen. Het is echter niet de bedoeling dat de rekenmachine wordt ingezet ter vervanging van het zelf rekenen. In een doorstroomtoets wordt de rekenmachine bij maximaal 20 procent van de opgaven gebruikt.