Wijzigingen Officiële bron
Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorgRegeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg

Gelet op artikel 27, 36, 37, 38, 40 lid 4, 62 en 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg.

De Nederlandse Zorgautoriteit,M.J.Kaljouwvoorzitter Raad van Bestuur

Het doel van deze regeling is het stellen van voorschriften voor de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg op het gebied van de registratie, administratie, declaratie en informatie.

Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg (ggz) leveren als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Ook is deze regeling van toepassing op zorgaanbieders die forensische zorg (fz) leveren, als omschreven bij of krachtens artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg.

Tot slot is deze regeling van toepassing op handelingen of werkzaamheden op het terrein van ggz of fz, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 of 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg.

Lid 1

De zorgaanbieder registreert op grond van deze regeling minimaal voor iedere patiënt alle informatie-elementen als genoemd onder A, B, C en D respectievelijk E in artikel 2.1 Informatie-elementen.

De zorgaanbieder registreert op grond van deze regeling minimaal voor iedere prestatie alle informatie-elementen als genoemd onder F in artikel 2.1 Informatie-elementen.

Lid 2

Op de registratieverplichting in voorgaande lid gelden de volgende uitzonderingen:

Lid 3

De zorgaanbieder richt haar administratie zodanig in dat daaruit een toedeling van kosten, waaronder personeelskosten, aan de settings en beroepscategorieën zoals die in het zorgprestatiemodel worden onderscheiden kan worden afgeleid. De personeelskosten, inclusief die van personeel niet in loondienst, omvatten de kosten van lonen en salarissen, sociale lasten, pensioenlasten en overige personeelskosten conform de indeling in de jaarrekening.

Lid 1

De zorgaanbieder registreert het consult op basis van de werkelijke tijd die de zorgverlener heeft besteed aan het contact.

Lid 2

De zorgaanbieder mag afwijken van de hoofdregel in lid 1 en op een eigen manier invulling geven aan het registreren van de werkelijk bestede tijd aan het contact als de eigen invulling conform de veldafspraak over planning is realisatie in het zorgprestatiemodel plaatsvindt. Dit geldt ook voor groepsconsulten. De zorgaanbieder toetst periodiek, maar minimaal 1 keer per jaar, of de gehanteerde invulling een goede benadering is van de werkelijk bestede tijd. Als op deze wijze wordt gewerkt dient informatie-element f4 Starttijd consult te worden geregistreerd.

Lid 1

De zorgaanbieder registreert of hij werkt met d4 Zorgvraagtypering Volledig of met d5 Zorgvraagtypering Dynamisch.

Lid 2

De zorgaanbieder registreert indien wordt gewerkt met de Zorgvraagtypering Volledig de informatie-elementen:

Lid 3

De zorgaanbieder registreert indien wordt gewerkt met de Zorgvraagtypering Dynamisch de informatie-elementen:

Lid 4

De onderstaande informatie-elementen worden op grond van artikel 3.1 lid 1 per patiënt geregistreerd. Als aan de betreffende patiënt alleen consulten diagnostiek zijn geleverd, hoeven onderstaande informatie-elementen niet te worden geregistreerd:

De zorgaanbieder bepaalt een zorgtrajectnummer zodra een patiënt in zorg komt. Het zorgtraject krijgt als openingsdatum de uitvoeringsdatum van de eerste prestatie. De zorgaanbieder koppelt het zorgtrajectnummer aan alle ggz prestaties voor die patiënt geleverd door de zorgaanbieder tot het moment waarop de zorgverlener en/of patiënt de behandeling afsluiten. Bij terugval/recidive binnen een jaar na de laatste prestatie moet hetzelfde zorgtrajectnummer opnieuw worden gebruikt.

De indicatiesteller fz bepaalt een zorgtrajectnummer. Het zorgtraject krijgt als openingsdatum de datum waarop de indicatie is vastgesteld. De zorgaanbieder ontvangt dit zorgtrajectnummer via het plaatsingsbesluit en registreert het zorgtrajectnummer bij alle fz-prestaties die aan de betreffende patiënt worden geleverd.

De zorgaanbieder registreert het zorglabel indien het een verplicht zorglabel betreft en het van toepassing is op de betreffende prestatie.

In Bijlage 2 bij deze regeling is een overzicht opgenomen van de publieke zorglabels. Bijlage 2 is een integraal onderdeel van deze regel.

Lid 1

Bij de declaratie worden de informatie-elementen die op grond van hoofdstuk 3 Registratieverplichtingen zijn geregistreerd vermeld.

Lid 2

Uitgezonderd van de verplichting in lid 1 van dit artikel zijn de volgende informatie-elementen:

Lid 1 Informatie verplichting Zorgprestatiemodel

De zorgaanbieder levert gelijktijdig of direct na het moment van declaratie minimaal de informatie-elementen die op grond van hoofdstuk 3 Registratie verplichtingen zijn geregistreerd aan de NZa aan. In 2022 en 2023 voldoet de zorgaanbieder aan deze verplichting doordat de zorgverzekeraars deze informatie-elementen ontvangen op grond van artikel 4.1 lid 1 van deze regeling, al dan niet door tussenkomst van een derde partij als Vektis en DJI, die weer aan de NZa aanlevert.

Lid 2

Informatie-element b3 BSN wordt voor aanlevering als bedoeld in lid 1 gepseudonimiseerd.

Lid 3

Uitgezonderd van de verplichting in lid 1 van dit artikel zijn de volgende informatie-elementen:

Lid 4 Eénmalige aanlevering zorgvraagtypering

De zorgaanbieder levert uiterlijk 31 augustus 2023, conform de Gegevensaanleverstandaard, over de periode 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 éénmalig een overzicht van de volgende informatie- elementen:

De NZa gebruikt de in dit lid genoemde informatie-elementen alleen voor het ijken van het algoritme zorgvraagtypering en van de verdeling van zorgvraagtyperingen. De NZa zal deze gegevens niet gebruiken voor andere wettelijke NZa taken en niet koppelen aan andere gegevens. De NZa zal aan de verwerking van deze HoNOS+ gegevens geen consequenties verbinden voor individuele patiënten en/of individuele zorgaanbieders. De NZa verwijdert de ontvangen gegevens twee jaar nadat de gegevens compleet bij de NZa zijn aangeleverd of aangeleverd hadden moeten zijn. In de toelichting bij dit artikel staan de maatregelen die de NZa neemt om de ontvangen informatie te beveiligen.

De Informatieverplichtingen als genoemd in artikel 4.1 lid 1 en artikel 4.2, lid 1 en 4, blijven in geval van ggz buiten toepassing op de in dit lid genoemde informatie-elementen. Dit indien op initiatief van de patiënt en de zorgaanbieder gezamenlijk een privacyverklaring is ondertekend overeenkomstig het Format Privacyverklaring te vinden op de NZa website. De zorgaanbieder houdt de privacyverklaring in zijn administratie en stelt die op verzoek van de zorgverzekeraar beschikbaar. Bijbehorend informatie-element is d11 Privacyverklaring actief.

Het betreft de volgende informatie-elementen:

De zorgaanbieder registreert ten behoeve van periodieke aanlevering aan de NZa onderstaande informatie:

De zorgaanbieder levert op verzoek van de NZa bovenstaande informatie aan de NZa via het beschikbare aanleversjabloon. Een verzoek om deze informatie zal de NZa per brief aan de betreffende zorgaanbieder doen.

De administratieve organisatie is zodanig ingericht dat een audittrail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten altijd de mogelijkheid hebben om de registratie op juistheid te controleren, met het oog op artikel 36 van de Wmg, hoofdstuk 7 van de Regeling zorgverzekering en de Nadere regel controle en administratie zorgverzekeraars.

In de tariefbeschikking neemt de NZa op grond van artikel 50 lid 3 Wmg de onderstaande voorschriften en /of beperkingen op als declaratie voorwaarde:

Het tarief voor een prestatie is niet hoger dan het NZa-maximumtarief dat op de uitvoeringsdatum van de prestatie gold volgens de tariefbeschikking. Het max-max tarief is een vorm van een maximumtarief zoals genoemd in dit artikel.

Bij declaratie moeten c1 Naam Regiebehandelaar en c2 AGB-code regiebehandelaar vermeld zijn. In geval van elektronische declaratie hoeft c1 Naam regiebehandelaar niet vermeld te worden als informatie-element c2 ‘AGB-code regiebehandelaar’ is vermeld.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling worden de volgende regelingen ingetrokken:

De regeling:

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge artikel 5, aanhef en onderdeel d, van de Bekendmakingswet wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg.

Reprinted with permission © 2000-2013 American Psychiatric Association, p/a Uitgeverij Boom, Amsterdam. Alle rechten voorbehouden

Boom uitgevers Amsterdam BV

Prinsengracht 747-751

Postbus 15970

1001 NL Amsterdam

info@boomamsterdam.nl

Het risico bepaalt voor het grootste gedeelte de benodigde zorg. De hoogte van het risico geeft een belangrijke indicatie voor de intensiteit van de zorg. Is het risico laag, terwijl er wel sprake is van psychische klachten, dan kan betrokkene worden doorverwezen naar de ggz. Is het risico hoger, dan vraagt deze mogelijk de intensiteit van forensische behandeling van poliklinisch tot aan een klinische behandeling in de TBS. De keuze van het risicotaxatie-instrument is vrij, maar de uitkomstmogelijkheden zijn uniform. Elke forensische patiënt wordt ingedeeld naar een risicocategorie en met een score van 1-5. De omschrijving van de risicocategorieën is als volgt:

De ernst van het (mogelijke) delictgedrag is van belang: voor een hoog risico op winkeldiefstal hoeft geen TBS te worden ingezet, maar voor een matig risico op verkrachting misschien wel. Het is daarom belangrijk om de ernst van de criminele geschiedenis van de dader mee te indexeren. Deze waardering wordt niet louter bepaald door wettelijke labels (delictkwalificaties), maar ook door informatie over het slachtoffer (bijv. kind of volwassene), context van het delict en maatschappelijke gevoeligheid. De moord op een kind komt bijvoorbeeld misschien minder vaak voor, maar heeft wel een hoge maatschappelijke gevoeligheid.

De ernst van delictgedrag wordt in drie categorieën ondergebracht: minder ernstig, ernstig, zeer ernstig. Het verkorte Cormier-Lang systeem voor geweldsdelicten zal hierbij worden ingezet.

Naast het risico en ernst van het delictgedrag moet ook worden vastgesteld of er vertraging/verzwarende factoren zijn voor de forensische zorg. Hierbij gaat het om de verwachtte responsiviteit op behandeling. Het responsiviteitsprincipe schrijft voor dat de wijze van behandelen moet aansluiten bij onder andere de motivatie, intellectuele capaciteiten, leerstijl en psychosociale problematiek van de patiënt en moet voldoen aan algemene behandelkenmerken, zoals een goede therapeutische werkrelatie en behandelomgeving. Deze factoren kunnen invloed hebben op de intensiteit en duur van de benodigde behandeling. Als de behandeling hierop aansluit, dan kan recidivevermindering worden bewerkstelligd.

De exceptionele responsiviteit wordt in twee categorieën ondergebracht:

Normale responsiviteitsproblemen hebben geen invloed op het uiteindelijke risiconiveau, terwijl verwachtte exceptionele responsiviteitsproblemen ertoe kunnen leiden dat de eindcategorie met 1 omhoog gaat.

De drie gegevens ‘Recidiverisico’, ‘Ernst van het delict(gedrag)’ en ‘Exceptionele responsiviteit’ leiden naar een zorgvraagtypecode conform de volgende tabel:

De prestatie-indicatoren forensische psychiatrie is een set van een beperkt aantal indicatoren waarmee wordt beoogd de kwaliteit van de forensische zorg inzichtelijk te maken. Meer informatie hierover staat op: https://www.forensischezorg.nl/beleid/prestatie-indicatoren-forensische-psychiatrie

Is te raadplegen op www.nza.nl