U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2024.

Ministeriële regeling · BWBR0047808

Regeling bodemkwaliteit 2022

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 november 2022, nr. IENW/BSK-2022/203483, houdende vaststelling van de Regeling bodemkwaliteit 2022Regeling bodemkwaliteit 2022De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 8a, 9, tweede en vierde lid, 10, eerste en derde lid, 11, derde lid, 12, tweede lid, 17, eerste en tweede lid, 19, 20, 25, eerste lid, 25b, derde lid, 25g, eerste, zesde, zevende, achtste en negende lid, en 25h, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit;

BESLUIT:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,V.L.W.A.Heijnen

Als in deze regeling naar normdocumenten wordt verwezen, worden de volgende uitgaven bedoeld:

Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 8a van het besluit zijn aangewezen de werkzaamheden die zijn omschreven in bijlage C.

Als handelingen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit, waarvoor in een erkenning bodemkwaliteit die aan een persoon of instelling is verleend, de naam moet worden vermeld van de natuurlijke persoon die bij de erkende persoon of instelling werkzaam is en een dergelijke handeling uitvoert, zijn aangewezen: de handelingen waarvoor het vereiste van persoonsregistratie achter de omschrijving van de werkzaamheid in bijlage C is vermeld.

Als website waarop lijsten met erkende personen en instellingen als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het besluit beschikbaar zijn gesteld, wordt aangewezen: https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken.

Een formulier als bedoeld in artikel 10, eerste lid, 12, tweede lid, 19 of 20 van het besluit is verkrijgbaar bij Rijkswaterstaat Bodem+, via de volgende website: https://loket.rijkswaterstaat.nl.

In een partijkeuring wordt onderzocht in hoeverre de partij van een bouwstof:

Als bij een kolomproef als bedoeld in artikel 4.5, eerste of vijfde lid, door slechte doorlatendheid van de bouwstof onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, worden de emissies van de te onderzoeken stoffen uit de bouwstof berekend met toepassing van de formule in bijlage K.

De concentraties, gehalten en waarden van de te onderzoeken stoffen die in bijlage A zijn vermeld, andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters in de volgens artikel 4.4 verkregen mengmonsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Als bij de partijkeuringen in het kader van de productcontrole in een partij van een bouwstof andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters zijn aangetroffen, geldt voor elk van die stoffen en andere parameters voor het verrichten van de verificatiekeuringen de hoogste keuringsfrequentie die voor enige stof die in bijlage A is vermeld en waarvoor verificatiekeuringen worden verricht, volgens artikel 4.19 is bepaald.

Bij de aanvraag om een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, worden naast de informatie die op grond van andere wettelijke bepalingen moet worden verstrekt, tevens de volgende documenten verstrekt:

Een producent die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, bewaart gedurende ten minste vijf jaar nadat aan de erkenning bodemkwaliteit een eind is gekomen, de volgende informatie:

Als voor een stof die in bijlage A is vermeld, in het kader van de verificatiekeuring volgens bijlage H voor elke partij een partijkeuring moest worden verricht, mag op een lagere keuringsfrequentie worden overgestapt wanneer die keuringsfrequentie volgens bijlage H volgt uit de k-waarde die is berekend op grond van ten minste tien partijkeuringen, waarvan ten minste vijf partijkeuringen voor opeenvolgend geproduceerde partijen zijn verricht.

De producent van bouwstoffen aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, kan tijdelijk geen gebruik maken van het recht om voor het producttype van de bouwstof waarop de erkenning bodemkwaliteit betrekking heeft, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven zo lang hij niet heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 4.29, eerste lid, om verificatiekeuringen te verrichten.

Een producent die het recht heeft verkregen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven, bewaart gedurende ten minste vijf jaar na de einddatum van de periode waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven, met inbegrip van de periode waarin dat recht volgens artikel 4.44 is verlengd, de volgende informatie:

In een partijkeuring wordt voor een partij grond of baggerspecie onderzocht:

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van bodemonderzoek op een ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

In het bodemonderzoek wordt voor een partij grond of baggerspecie die uit de te onderzoeken bodemlocatie wordt ontgraven, onderzocht:

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie die wordt ontgraven uit een ontgravingslocatie die is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld, en het verrichten van een vooronderzoek met betrekking tot de ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Als bij de partijkeuringen in het kader van de productcontrole in een partij grond of baggerspecie andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters zijn aangetroffen, geldt voor elk van die stoffen en andere parameters voor het verrichten van de verificatiekeuringen de hoogste keuringsfrequentie die voor enige stof die in bijlage B is vermeld en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht, volgens artikel 5.43 is bepaald.

Bij de aanvraag om een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, worden naast de informatie die op grond van andere wettelijke bepalingen moet worden verstrekt, tevens de volgende documenten verstrekt:

Een producent die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, bewaart gedurende ten minste vijf jaar nadat aan de erkenning bodemkwaliteit een eind is gekomen, de volgende informatie:

Als voor een stof in het kader van de verificatiekeuring volgens bijlage H voor elke partij een partijkeuring moest worden verricht, mag op een lagere keuringsfrequentie worden overgestapt wanneer die keuringsfrequentie volgens bijlage H volgt uit de k-waarde die is berekend op grond van ten minste tien partijkeuringen, waarvan ten minste vijf partijkeuringen voor opeenvolgend geproduceerde partijen zijn verricht.

De producent van grond of baggerspecie aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, kan tijdelijk geen gebruik maken van het recht om voor het producttype grond of baggerspecie waarop de erkenning bodemkwaliteit betrekking heeft, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven zo lang hij niet heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 5.53, eerste lid, om verificatiekeuringen te verrichten.

Een producent die het recht heeft verkregen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven, bewaart gedurende ten minste vijf jaar na de einddatum van de periode waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven, met inbegrip van de periode waarin dat recht volgens artikel 5.68 is verlengd, de volgende informatie:

Op het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

Op het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.2 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

Op het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek over de kwaliteit van de ontvangende bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van bodemonderzoek op de toepassingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

In het bodemonderzoek wordt voor de toepassingslocatie onderzocht in welke kwaliteitsklasse de ontvangende bodem moet worden ingedeeld.

De concentraties van de volgens artikel 7.5, tweede lid, te onderzoeken stoffen als vermeld in bijlage B in de volgens artikel 7.5, vierde lid, voorbehandelde mengmonsters en monsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04, of wanneer daarnaar in NEN 5740 wordt verwezen, AS 3000 of, als hiervoor in AP 04, onderscheidenlijk AS 3000, geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Een verklaring op grond van een bodemonderzoek die voor de toepassingslocatie wordt afgegeven, bevat de volgende informatie:

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie waar grond of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van een vooronderzoek met betrekking tot de toepassingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die over de kwaliteit van de bodem op de toepassingslocatie wordt afgegeven, bevat de volgende informatie:

De Regeling bodemkwaliteit wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VII van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bodemkwaliteit 2022.

1 Voor de emissie van vanadium uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 320 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 460 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van chloride of bromide uit een vormgegeven bouwstof geldt geen kwaliteitseis als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van fluoride uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 2.500 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 10.000 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van sulfaat uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 165.000 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 660.000 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

2 Voor de emissie van vanadium uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 1,8 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 4,6 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie bromide en chloride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt geen kwaliteitseis als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van chloride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 616 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 1.070 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden

Voor de emissie van fluoride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 55 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 220 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van sulfaat uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 2.430 mg/kg droge stof die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 9.720 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

1 In de noten bij deze tabel wordt verstaan onder:

bitumenproducten: bitumen dakbedekkings- en afdichtingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat;

asfaltproducten: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en civieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat;

granulaten: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat, brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

rubberproducten: rubbergranulaat van personen- en bedrijfsautobanden (SBR-rubber), rubbergranulaat op basis van thermoplastisch-elastomeren (TPE) en rubbergranulaat op basis van elastomeren (EPDM) en functionele mengsels met rubbergranulaat.

2 Deze maximale concentratiewaarden gelden niet voor bitumenproducten.

3 Voor polymeerbeton geldt een maximale concentratiewaarde van 20 mg/kg droge stof voor de stof ethylbenzeen en xylenen (som).

4 De definitie van de somparameters wordt gegeven in bijlage E.

5 Voor vormzand geldt een maximale concentratiewaarde van 3,75 mg/kg droge stof.

6 Deze maximale concentratiewaarden voor individuele PAK’s gelden niet voor bitumenproducten, asfaltproducten en granulaten. Voor deze bouwstoffen geldt uitsluitend de maximale concentratiewaarde voor de som van de aangetroffen individuele PAK’s.

7 Voor bitumenproducten en asfaltproducten geldt een maximale concentratiewaarde van 75 mg/kg droge stof voor PAK’s (som).

8 Voor minerale olie geldt geen maximale concentratiewaarde voor bouwstoffen zijnde rubberproducten voor de toepassing op of onder kunstgrasvelden, bitumenproducten en asfaltproducten. Voor bouwstoffen zijnde granulaten en vormzand geldt een maximale concentratiewaarde van 1.000 mg/kg droge stof.

9 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze maximale concentratiewaarde bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

In de tabellen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt onder somparameter verstaan: de somparameter die de stoffen omvat die zijn genoemd in bijlage E en waarvan de concentratie met toepassing van die bijlage is berekend.

1 Tabelnoot 1 heeft betrekking op verschillende situaties, die alleen gemeenschappelijk hebben dat voor een bepaalde stof in ten minste een van de kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen.

Dit betekent dat voor de desbetreffende stof geen kwaliteitseis is opgenomen voor het indelen van de landbodem of een partij grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse waarop de desbetreffende kolom betrekking heeft.

Hieronder wordt beschreven hoe bij het indelen van de landbodem of een partij grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse in de onderscheiden situaties met de desbetreffende stof moet worden omgegaan.

Op elke stof kan maar één situatiebeschrijving tegelijkertijd van toepassing zijn.

Voor een stof waarvoor in een van de kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, geldt het volgende.

– Als in alle kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet bij het indelen betrokken wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in een van de kolommen 2 t/m 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen bij het indelen betrokken:

• als deel van de desbetreffende somparameter wanneer de stof volgens bijlage E bij het bepalen van de somparameter moet worden meegenomen; en

• als stof tevens voor zover voor de stof in een van de kolommen 2 t/m 6 een kwaliteitseis is opgenomen.

– Als alleen in kolom 5 en 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie van de stof groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘industrie’, dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ gehanteerd.

– Als alleen in de kolommen 3 t/m 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘industrie’ gehanteerd.

2 Voor zand uit de zee geldt voor de stof chloride een kwaliteitseis van 200 mg/kg droge stof voor alle kolommen 2 t/m 6 van tabel 1. Deze kwaliteitseis geldt echter niet in geval de wens bestaat om in een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op zand uit de zee, te vermelden dat het zand vanwege het gehalte chloride uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt.

3 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

4 Voor tarragrond gelden voor de stoffen cresolen (som), fenol, tolueen en minerale olie geen kwaliteitseisen als de aanwezigheid van die stoffen een gevolg is van natuurlijke processen.

5 Voor tarragrond die is behandeld met chloorprofam, geldt voor de stof monochlooranilinen (som) geen kwaliteitseis.

6 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

7 De stof aldrin wordt uitsluitend voor het bepalen van de concentratie van de somparameter waar de stof aldrin overeenkomstig bijlage E toe behoort betrokken bij het indelen van de landbodem, grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse, tenzij de overeenkomstig bijlage G omgerekende concentratie aldrin groter is dan 0,32 mg/kg droge stof, in welk geval de landbodem, grond en baggerspecie voor de stof aldrin wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’.

8 De kwaliteitseis voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is uitgedrukt in mg Sn/kg droge stof, met uitzondering van de kwaliteitseisen voor organotin verbindingen (som) voor de kwaliteitsklassen ‘industrie’, ‘matig verontreinigd’ en ‘sterk verontreinigd’, die zijn uitgedrukt in organotin in mg/kg droge stof.

9 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

Voor de indeling van de landbodem, grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval de landbodem, grond of baggerspecie wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’.

10 Voor minerale olie in baggerspecie geldt voor de kwaliteitsklasse ‘industrie’ als kwaliteitseis de waarde 2.000 mg/kg droge stof als de wens bestaat om in de milieuverklaring bodemkwaliteit de kwaliteitsklasse ‘industrie’ te vermelden ten behoeve van het grootschalig toepassing van de grond of baggerspecie op de landbodem overeenkomstig artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

1 Tabelnoot 1 heeft betrekking op verschillende situaties, die alleen gemeenschappelijk hebben dat voor een bepaalde stof in ten minste een van de kolommen 2 t/m 5 naar tabelnoot 1 wordt verwezen. Dit betekent dat voor de desbetreffende stof geen kwaliteitseis is opgenomen voor het indelen van de waterbodem of een partij grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse waarop de desbetreffende kolom betrekking heeft. Hieronder wordt beschreven hoe bij het indelen van de waterbodem of een partij grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse in de onderscheiden situaties met de desbetreffende stof moet worden omgegaan.

Op elke stof kan maar één situatiebeschrijving tegelijkertijd van toepassing zijn.

Voor een stof waarvoor in een van de kolommen 2 t/m 5 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, geldt het volgende.

– Als in alle kolommen 2 t/m 5 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet bij het indelen betrokken wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in een van de kolommen 2 t/m 5 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen bij het indelen betrokken:

• als deel van de desbetreffende somparameter wanneer de stof volgens bijlage E bij het bepalen van de somparameter moet worden meegenomen; en

• als stof tevens voor zover voor de stof in een van de kolommen 2 t/m 5 een kwaliteitseis is opgenomen.

– Als alleen in kolom 3 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie van de stof groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’ (als het bodem betreft), onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’ (als het een partij grond of baggerspecie betreft), dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ gehanteerd. Als de volgens bijlage G omgerekende concentratie van de stof groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ wordt in afwijking van de eerste volzin bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ gehanteerd.

– Als alleen in de kolommen 4 en 5 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie van de stof groter is dat de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘licht verontreinigd’, dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ gehanteerd.

2 Voor zand uit de zee geldt voor de stof chloride een kwaliteitseis van 200 mg/kg droge stof voor alle kolommen 2 t/m 5 van tabel 1. Deze kwaliteitseis geldt echter niet in geval de wens bestaat om in een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op zand uit de zee, te vermelden dat het zand vanwege het gehalte chloride uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt.

3 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

4 De som TEQ voor dioxines wordt berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

5 De kwaliteitseis voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is uitgedrukt in mg Sn/kg droge stof, met uitzondering van de kwaliteitseis voor organotin verbindingen(som) voor de kwaliteitsklassen ‘matig verontreinigd’ en ‘sterk verontreinigd’, welke is uitgedrukt in organotin in mg/kg droge stof.

6 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

Voor de indeling van de waterbodem, grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’ of ‘algemeen toepasbaar’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval de waterbodem, grond of baggerspecie wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’.

1 Aan de kwaliteitseisen voor ‘emissiearme grond’, ‘emissiearme baggerspecie’, ‘emissiearme mijnsteen’ onderscheidenlijk ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ is voldaan als:

a. de concentraties van alle onderzochte stoffen voldoen aan de emissietoetswaarden zoals opgenomen in kolom 2 van tabel 3a;

of

b. in geval de concentratie van een van de onderzochte stoffen niet voldoet aan de toepasselijke emissietoetswaarde die is opgenomen in kolom 2 van tabel 3a: de gemeten emissie van die stof voldoet aan de maximale emissiewaarde die voor de stof is opgenomen in kolom 3 van tabel 3a.

Aan de emissietoetswaarden voor ‘emissiearme baggerspecie’ wordt geacht te zijn voldaan als het baggerspecie betreft die onder het waterniveau wordt toegepast:

a. in een oppervlaktewaterlichaam waarvoor het waterkwaliteitsbeheer berust bij hetzelfde waterschap dat verantwoordelijk is voor het waterkwaliteitsbeheer van het oppervlaktewaterlichaam waaruit de baggerspecie afkomstig is;

b. in een oppervlaktewaterlichaam waarvoor het waterkwaliteitsbeheer berust bij het Rijk en de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam waarvoor het waterkwaliteitsbeheer eveneens bij het Rijk berust.

2 De stof barium wordt niet betrokken bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘emissiearme grond’, ‘emissiearme baggerspecie’, ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’

1 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ gelden de volgende toetsingsregels.

Er is aan de kwaliteitseisen voldaan als de baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen voor zowel de maximale concentraties van stoffen (kolom 2 van tabel 3b) als de maximale toxische druk (kolom 3 van tabel 3b).

Aan de kwaliteitseisen voor de maximale concentraties van stoffen is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht en in kolom 4 van tabel 3b met een ‘ja’ zijn aangeduid, alsmede de stoffen PAK (som), minerale olie, PCB’s (som), DDT (som), DDE (som), DDD (som), Drins (som) en asbest voldoen aan de toepasselijke kwaliteitseis die is opgenomen in kolom 2 van tabel 3b;

en

b. alle stoffen, uitgezonderd de stoffen PAK (som), minerale olie, PCB’s (som), DDT (som), DDE (som), DDD (som), Drins (som) en asbest, die volgens deze regeling zijn onderzocht en die in kolom 4 met ‘nee’ zijn aangeduid, voldoen aan de toepasselijke kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 2 van tabel 3b, met dien verstande dat aan de kwaliteitseis is voldaan als:

1° in geval ten minste 1 stof en ten hoogste 6 stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste 1 stof de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3b overschrijdt;

2° in geval ten minste 7 stoffen en ten hoogste 15 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 2 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3b;

3° in geval ten minste 16 stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 3 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3b;

4° in geval ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 4 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3b; en

5° in geval ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 5 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3b.

In geval van een overschrijding als onder 1° t/m 5° bedoeld, geldt voor de overschrijdende stof als kwaliteitseis dat de concentratie daarvan niet meer bedraagt dan twee maal de concentratie die als kwaliteitseis voor die stof in kolom 2 van tabel 3b is opgenomen, met dien verstande dat voor die stof tevens geldt dat de concentratie niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Voor de toepassing onder 1° t/m 5° worden tot het aantal stoffen die zijn onderzocht gerekend de stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht en die in kolom 4 van tabel 3b met een ‘ja’ zijn aangeduid of, waarvoor in kolom 2 van tabel 3b een kwaliteitseis is opgenomen tenzij het een somparameter betreft als beschreven in bijlage E waarvan een stof die onderdeel uitmaakt van de somparameter in kolom 4 van tabel 3b met een ‘ja’ is aangeduid.

Voor een stof waarvoor in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, geldt bij de toepassing van de onderdelen a en b het volgende:

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als alleen in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

Aan de kwaliteitseisen voor de toxische druk is voldaan als alle in kolom 4 met ‘ja’ aangeduide stoffen voldoen aan de kwaliteitseisen die daarvoor in kolom 3 van tabel 3b zijn opgenomen, waarbij:

a. voor elke stof die in kolom 4 met ‘ja’ is aangeduid en die volgens deze regeling is onderzocht, bij het berekenen van de toxische druk wordt gerekend met de volgens bijlage G naar standaardbodem gecorrigeerde concentratie van de stof;

en

b. voor elke stof die in kolom 4 met ‘ja’ is aangeduid en die niet is onderzocht, bij het berekenen van de toxische druk wordt gerekend met een concentratie van 0,7 maal de bepalingsgrens die voor de stof is opgenomen in bijlage L.

2 In deze kolom is gebruik gemaakt van 3 typen kwaliteitseisen. Als de kwaliteitseis is gebaseerd op de bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ is de betreffende kwaliteitseis cursief weergegeven. Als de kwaliteitseis is gebaseerd op een bovengrens voor landbouwkundig gebruik, is de betreffende kwaliteitseis vetgedrukt weergegeven. De niet cursief en niet vetgedrukte kwaliteitseisen zijn gebaseerd op de bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. Voor Sn en V is de kwaliteitseis gebaseerd op de bovengrens voor de kwaliteitsklasse industrie.

3 Onder toxische druk wordt verstaan: de nadelige effecten die een concentratie van een stof of mengsel van stoffen voor bodemorganismen heeft, uitgedrukt in (ms-)PAF (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie). De ms PAF wordt berekend met toepassing van Deltares rapport 1203510-000-ZWS-0017, Versie 4, 27 maart 2013, definitief.

4 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

5 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

6 De eenheid voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is uitgedrukt in mg Sn/kg droge stof.

7 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

1 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ gelden de volgende toetsingsregels.

Aan de kwaliteitseisen voor ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht, voldoen aan kwaliteitseis die in kolom 3 van tabel 3c voor de stof is opgenomen;

en

b. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht, voldoen aan de toepasselijke kwaliteitseis die in kolom 2 van tabel 3c voor de stof is opgenomen, met dien verstande dat aan de kwaliteitseis is voldaan als:

1° in geval ten minste 1 stof en ten hoogste 6 stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste 1 stof de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3c overschrijdt;

2° in geval ten minste 7 stoffen en ten hoogste 15 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 2 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3c;

3° in geval ten minste 16 stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 3 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3c;

4° in geval ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 4 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3c; en

5° in geval ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 5 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3c.

In geval van een overschrijding als hiervoor onder 1° t/m 5° bedoeld van de kwaliteitseisen in kolom 2 van tabel 3c bedraagt de concentratie van de overschrijdende stof niet meer dan twee maal de kwaliteitseis die voor die stof in kolom 2 van tabel 3c is opgenomen, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Voor de toepassing onder b onder 1° t/m 5° worden tot het aantal stoffen die zijn onderzocht gerekend, de stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht en waarvoor tevens in kolom 2 van tabel 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 2 of 3 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 1 geldt het volgende:

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

2 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ gelden de volgende toetsingsregels.

Aan de kwaliteitseisen voor ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 4 van tabel 3c, met dien verstande dat voor het toetsen aan deze kwaliteitseis de gemeten gehalten worden gebruikt en met dien verstande dat voor ten hoogste twee niet-prioritaire stoffen in de zin van de Kaderrichtlijn water aan de kwaliteitseis is voldaan als wordt voldaan aan anderhalf maal de kwaliteitseis die voor die stof is opgenomen in kolom 4 van tabel 3c. De kwaliteitseis voor niet-prioritaire stoffen in de zin van de Kaderrichtlijn water in kolom 4 van tabel 3c zijn cursief weergegeven;

en

b. geen enkele stof die volgens deze regeling is onderzocht de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 5 van tabel 3c overschrijdt.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 4 of 5 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 2 geldt het volgende:

– Als in kolom 4 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 4 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

– Als in kolom 5 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 5 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

3 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

4 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

5 Voor Tributyltin geldt in afwijking van de kwaliteitseis 0,115 mg Sn/kg droge stof die in kolom 4 van tabel 3c is opgenomen, de kwaliteitseis van 0,25 mg Sn/kg droge stof als de baggerspecie uitsluitend geschikt is voor verspreiden in zout oppervlaktewater in de Waddenzee en de Zeeuwse Delta en de wens bestaat om zodanige geschiktheid ten behoeve van een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

6 De eenheid voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is mg Sn/kg droge stof, met uitzondering van de kwaliteitseis voor organotin verbindingen(som) voor de kwaliteitseis in kolom 5 voor ‘verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’, welke is uitgedrukt in organotin in mg/kg droge stof.

7 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

1 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ gelden de volgende toetsingsregels:

a. Aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ is voldaan als alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 2 van tabel 3d.

b. Voor de stoffen nikkel, hexachloorbutadien en organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som waterbodem) geldt dat bij overschrijding van de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ die daarvoor is opgenomen in kolom 2 van tabel 3d, wel aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ die daarvoor is opgenomen in kolom 2 van tabel 3d, is voldaan als de partij op grond van tabel 2 is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 2 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 1 geldt het volgende:

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ als deel van de desbetreffende somparameter.

2 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ gelden de volgende toetsingsregels.

Aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 3 van tabel 3d, met dien verstande dat aan de kwaliteitseis is voldaan als:

1° in geval ten minste 1 stof en ten hoogste 6 stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste 1 stof de kwaliteitseis in kolom 3 van tabel 3d overschrijdt;

2° in geval ten minste 7 stoffen en ten hoogste 15 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 2 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 3 van tabel 3d;

3° in geval ten minste16 stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 3 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 3 van tabel 3d;

4° in geval ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 4 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 3 van tabel 3d; en

5° in geval ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 5 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 3 van tabel 3d.

In geval van een overschrijding als hiervoor onder 1° t/m 5° bedoeld van de kwaliteitseisen in kolom 3 van tabel 3d bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof niet meer dan twee maal de kwaliteitseis die voor die stof in kolom 3 van tabel 3d is opgenomen, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Voor de toepassing onder 1° t/m 5° worden tot het aantal stoffen die zijn onderzocht gerekend, de stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht en waarvoor tevens in kolom 2 van tabel 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

of

b. als het grond betreft die als afdeklaag in een niet-vrijliggende diepe plas wordt toegepast:

alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 4 van tabel 3d.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 3 en 4 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 2 geldt het volgende:

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ als deel van de desbetreffende somparameter.

– Als in kolom 4 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan geldt dat de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing die voor de betreffende stof is opgenomen in kolom 3 wordt gehanteerd bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’, tenzij betreffende stof onderdeel uitmaakt van een somparameter als omschreven in bijlage E en voor die somparameter een kwaliteitseis is opgenomen in kolom 4. In dat geval is bijlage E van toepassing voor het bepalen van de concentratie van de somparameter en wordt de somparameter betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’.

– Als in kolom 3 en 4 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 3 en 4 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in diepe plas geschikte grond’ als deel van de desbetreffende somparameter.

3 Voor de toepassing van tabelnoot 2 wordt onder ‘vrijliggende diepe plas’ verstaan:

diepe plas, niet gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, die boven de spronglaag nauwelijks gevoed worden door oppervlaktewater van elders waardoor de verblijftijd van het water voor 90% van het jaar langer is dan een maand. Als de diepe plas deel uitmaakt van een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders.

Voor de toepassing van tabelnoot 2 wordt onder een ‘niet vrijliggende diepe plas’ verstaan:

diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet

4 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

5 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

6 De eenheid voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is mg Sn/kg droge stof,

7 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

Voor het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 3 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een afdeklaag van een diepe plas geschikte grond’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 3 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een afdeklaag van een diepe plas geschikte grond’

1 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ gelden de volgende toetsingsregels.

Aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 2 van tabel 3e, met dien verstande dat aan de kwaliteitseis is voldaan als:

1° in geval ten minste 1 stof en ten hoogste 6 stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste 1 stof de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3e overschrijdt;

2° in geval ten minste 7 stoffen en ten hoogste 15 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 2 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3e;

3° in geval ten minste 16 stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 3 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3e;

4° in geval ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 4 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3e; en

5° in geval ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 5 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 2 van tabel 3e.

In geval van een overschrijding als hiervoor onder 1° t/m 5° bedoeld van de kwaliteitseisen in kolom 2 van tabel 3e mag de concentratie van de desbetreffende stof niet meer bedragen dan twee maal de kwaliteitseis die voor die stof in kolom 2 van tabel 3e is opgenomen, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger mag zijn dan de concentratiewaarde die in tabel 1, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse wonen. Voor de toepassing onder a onder 1° t/m 5° worden tot het aantal stoffen die zijn onderzocht gerekend, de stoffen die volgens deze regeling zijn en waarvoor tevens in kolom 2 van tabel 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 2 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 1 geldt het volgende:

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 2 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

of

b. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan kwaliteitseis die in kolom 3 van tabel 3e is opgenomen;

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 3 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 1 geldt het volgende:

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, en het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, of het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft dan geldt dat de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing die voor de betreffende stof is opgenomen in kolom 2 wordt gehanteerd bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’.

– Als in kolom 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

– Als in kolom 2 en 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 2 en 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

of

c. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 4 van tabel 3e als het gebiedseigen baggerspecie betreft die uitsluitend geschikt is voor toepassing in een niet-vrijliggende diepe plas die geen invloed heeft op een kwetsbaar object. Voor gebiedseigen baggerspecie uit regionale wateren wordt voor arseen de kwaliteitseis in kolom 3 in plaats van in kolom 4 aangehouden.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 4 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 1 geldt het volgende:

– Als in kolom 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, en het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, of het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft dan geldt dat de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing die voor de betreffende stof is opgenomen in kolom 3 wordt gehanteerd bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’. Als ook in kolom 3 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, en het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, of het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft dan geldt dat de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing die voor de betreffende stof is opgenomen in kolom 2 wordt gehanteerd bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’.

– Als in kolom 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

– Als in kolom 2, 3 en 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 2, 3 en 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter

– Als in kolom 2, 3 en 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E en voor die somparameter is in kolom 4 geen en in kolom 3 wel een kwaliteitseis opgenomen dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter en wordt de kwaliteitseis voor de somparameter in kolom 3 betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’.

– Als in kolom 2, 3 en 4 naar tabelnoot 1 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E en voor die somparameter is in kolom 3 en 4 geen en in kolom 2 wel een kwaliteitseis opgenomen dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter en wordt de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing voor de somparameter in kolom 2 betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’

2 Bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ gelden de volgende toetsingsregels.

Aan de kwaliteitseisen voor ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ is voldaan als:

a. alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 5 van tabel 3e, met dien verstande dat aan de kwaliteitseis is voldaan als:

1° in geval tenminste 1 stof en ten hoogste 6 stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste 1 stof de kwaliteitseis in kolom 5 van tabel 3e overschrijdt;

2° in geval tenminste 7 stoffen en ten hoogste 15 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 2 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 5 van tabel 3e;

3° in geval tenminste 16 stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 3 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 5 van tabel 3e;

4° in geval tenminste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 4 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 5 van tabel 3e; en

5° in geval tenminste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste 5 stoffen overschrijden de kwaliteitseis in kolom 5 van tabel 3e.

In geval van een overschrijding als hiervoor onder 1° t/m 5° bedoeld van de kwaliteitseisen in kolom 5 van tabel 3e bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof niet meer dan twee maal de kwaliteitseis die voor die stof in kolom 5 van tabel 3e is opgenomen, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse wonen. Voor de toepassing onder a onder 1° t/m 5° worden tot het aantal stoffen die zijn onderzocht gerekend, de stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht en waarvoor tevens in kolom 2 van tabel 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 5 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 2 geldt het volgende:

– Als in kolom 5 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 5 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter.

of

b. als het baggerspecie betreft die als afdeklaag in een niet-vrijliggende diepe plas wordt toegepast: alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 6 van tabel 3e.

alle stoffen die volgens deze regeling zijn onderzocht voldoen aan de kwaliteitseis die daarvoor is opgenomen in kolom 6 van tabel 3e.

Voor het omgaan met stoffen waarvoor in kolom 6 in deze tabel wordt verwezen naar tabelnoot 2 geldt het volgende:

– Als in kolom 6 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, en het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, of het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft dan geldt dat de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing die voor de betreffende stof is opgenomen in kolom 5 wordt gehanteerd bij het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’.

– Als in kolom 6 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter ingeval voor die somparameter een kwaliteitseis is opgenomen in kolom 6.

– Als in kolom 5 en 6 naar tabelnoot 2 wordt verwezen, dan wordt de stof niet betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in kolom 5 en 6 naar tabelnoot 2 wordt verwezen en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E en voor die somparameter is in kolom 6 geen en in kolom 5 wel een kwaliteitseis opgenomen dan wordt de stof alleen betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis voor de kwaliteit ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ als deel van de desbetreffende somparameter en wordt de kwaliteitseis en bijbehorende toetsing voor de somparameter in kolom 5 betrokken bij het toetsen aan de kwaliteitseis ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’.

3 Voor de toepassing van tabelnoot 1 en 2 wordt onder ‘vrijliggende diepe plas’ verstaan:

diepe plas, niet gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, die boven de spronglaag nauwelijks gevoed worden door oppervlaktewater van elders waardoor de verblijftijd van het water voor 90% van het jaar langer is dan een maand. Als de diepe plas deel uitmaakt van een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders.

Voor de toepassing van tabelnoot 1 en 2 wordt onder een ‘niet vrijliggende diepe plas’ verstaan:

diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet

4 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

5 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

6 De kwaliteitseis voor organotinverbindingen (som) en tributyltin (TBT) is uitgedrukt in mg Sn/kg droge stof, met uitzondering van de kwaliteitseis in kolom 4 voor organotinverbindingen(som) voor ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’, welke is uitgedrukt in organotin in mg/kg droge stof.

7 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

Voor het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 2 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 2 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een afdeklaag van een diepe plas geschikte baggerspecie’

Voor het bepalen of wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 5 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een afdeklaag van een diepe plas geschikte baggerspecie’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis in kolom 4 voor de kwaliteit ‘voor toepassen in een afdeklaag van een diepe plas geschikte baggerspecie’

1 Als PCB118 alleen als onderdeel van de som PCB’s wordt gemeten, wordt de som dioxines niet bepaald.

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, cursief is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van de artikelen 9 en 15 van het Besluit bodemkwaliteit.

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, dikgedrukt is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van artikel 18 van het besluit (de wijze van uitvoering van een werkzaamheid). De aanwijzing heeft dan betrekking op essentiële eisen ILT-toezicht.

Noot bij tabel bij categorie 9 en categorie 12

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 9 (monsterneming bij partijkeuringen) en categorie 12 (veldwerk) wordt niet verstaan het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van de werkzaamheid, voor zover:

In deze bijlage worden de uitgave vermeld van de normdocumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen, voor zover die niet al in bijlage C zijn vermeld.

Onderstaande tabel bevat een omschrijving van de somparameters waarvoor in andere bijlagen bij deze regeling kwaliteitseisen zijn opgenomen en waarvoor in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving en in de bijlagen Vb, Vd, XIIIa en XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving (som)parameters en toetsingswaarden zijn opgenomen. Een somparameter die in kolom 1 van de tabel is vermeld, omvat de stoffen die daarvoor zijn opgenomen in kolom 2. De concentratie van een somparameter wordt bepaald door de sommering van de individuele stoffen die de somparameter omvat. Voor de wijze van sommatie ingeval van concentraties van individuele stoffen die liggen beneden de rapportagegrens van het laboratorium, wordt verwezen naar onderdeel I van bijlage G.

Om te bepalen of sprake is van een vormgegeven bouwstof worden het volume van de kleinste eenheid en de duurzame vormvastheid van de bouwstof bepaald op de wijze die in deze bijlage is beschreven.

Voor de bepaling van het volume van de kleinste eenheid door middel van onderdompeling, uitgevoerd volgens hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2, wordt de volgende formule toegepast:

V = (M1 – M2) / ρ

waarbij:

V = de volume van de eenheid in cm3

M1 = de massa van de vochtige eenheid, in g

M2 = de schijnbare massa van de eenheid onder water, bepaald volgens hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2, in g

ρ = de dichtheid van water bij de beproevingstemperatuur van het waterbad, in g/cm3

Een bouwstof wordt op grond van de resultaten van een bepaling van de korrelverdeling door middel van een zeefproef, uitgevoerd volgens de normdocumenten die in onderstaande tabel voor de onderscheiden zeefmaten zijn vermeld, aangemerkt als bouwstof met een volume van de kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, als het korrelverdelingsdiagram van een monster van de bouwstof voldoet aan alle waarden die in de tabel voor zeefdoorval voor elke zeefmaat zijn opgenomen.

In onderstaande tabel zijn combinaties van toepassingen en bouwstoffen opgenomen die niet als duurzaam vormvast worden aangemerkt.

1 Een waterbouwkundige constructie waarin steenstukken in de toplaag onder invloed van golfslag aanzienlijke verplaatsingenkunnen vertonen en aanzienlijk ten opzichte van elkaar kunnen bewegen en die ondanks deze verplaatsingen zijn functie behoudt.

Omrekenen van door het laboratorium gerapporteerde concentraties van stoffen ten behoeve van het toetsen aan kwaliteitseisen als opgenomen in bijlage A of B van deze regeling, bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Ten behoeve van het toetsen van concentraties van stoffen aan de kwaliteitseisen die zijn opgenomen in bijlage A of B bij deze regeling, bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden:

Ingeval onderdeel I van bijlage G wordt toegepast voor het toetsen aan de Interventiewaardebodemkwaliteit die is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, dan worden de bovenstaande onderdelen a t/m e overeenkomstig toegepast met dien verstande dat voor de kwaliteitseis in bijlage A of B telkens wordt verstaan de Interventiewaarde bodemkwaliteit die is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving

Ingeval onderdeel I van bijlage G wordt toegepast voor het toetsen aan de Signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering die is opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, dan worden de bovenstaande onderdelen a t/m e overeenkomstig toegepast met dien verstande dat voor bodem telkens grondwater wordt verstaan en voor de kwaliteitseis in bijlage A of B telkens wordt verstaan de Signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering die is opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving

Ingeval onderdeel I van bijlage G wordt toegepast voor het toetsen aan de Signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering die is opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, dan heeft de onderzoeker de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft, onder de voorwaarde dat het betreffende toetsingsresultaat tot stand is gekomen door een omrekening van een concentratie van een slecht oplosbare stof die op het analysecertificaat als ‘kleiner dan de rapportagegrens’ is gerapporteerd.

Ten behoeve van de toetsing aan kwaliteitseisen die voor de bodem, grond en baggerspecie zijn opgenomen in bijlage B bij deze regeling en de toetsing aan de interventiewaarden bodemkwaliteit uit bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gemeten concentraties van stoffen door middel van een bodemtypecorrectie omgerekend naar een concentratie van die stoffen in de standaardbodem. Uitzondering hierop is de toetsing aan de kwaliteitseis voor ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ in kolom 4 van tabel 3c bij bijlage B. Voor de toetsing aan de kwaliteitseis voor ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ in kolom 4 van tabel 3c bij bijlage B wordt gebruik gemaakt van de gemeten concentraties aan stoffen, zonder omrekening naar standaardbodem.

De omrekening of standaardisering van gemeten concentraties met de bodemtypecorrectie naar standaardbodem vindt plaats voor elke individuele gemeten concentratie, alvorens andere berekeningen worden uitgevoerd, zoals het bepalen van de gemiddelde concentratie van twee of meer metingen in dezelfde bodem of partij. Bij het omrekenen wordt gebruik gemaakt van de gemeten percentages organische stof en lutum. Hierbij is het percentage aan organisch stof bepaald volgens NEN 5754 en het percentage lutum gelijk aan het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm, betrokken op het drooggewicht. De naar standaardbodem gecorrigeerde concentraties worden getoetst aan de kwaliteitseisen zoals die zijn opgenomen in bijlage B, met inachtneming van de toetsingsregels die eveneens in die bijlage zijn opgenomen.

De omrekening van gemeten concentraties van stoffen naar concentraties van stoffen in een standaardbodem verloopt via de onderstaande formule:

Hierin is:

1 Voor het % lutum wordt, in geval het gemeten percentage lager is dan de minimumwaarde die is opgenomen in tabel 3, de minimumwaarde in tabel 3 aangehouden.

2 Voor het % organische stof wordt in geval het gemeten percentage lager is dan de minimumwaarde die is opgenomen in tabel 3, de minimumwaarde in tabel 3 aangehouden. In geval het gemeten percentage hoger is dan de maximumwaarde die is opgenomen in tabel 3, wordt hiervoor de maximumwaarde in tabel 3 aangehouden.

1 Voor de omrekening van gemeten concentraties van stoffen naar concentraties van stoffen in de standaardbodem voor de stoffen die worden betrokken bij het bepalen van de kwaliteitseis voor ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ die is opgenomen in tabel 3b, kolom 3, van bijlage B wordt uitsluitend de minimumwaarde bij organische stoffen gehanteerd.

2 Voor barium in thermisch gereinigde grond en baggerspecie wordt ingeval van een gemeten lutumpercentage van minder dan 10%, met een lutumpercentage van 10% gerekend.

In deze bijlage is beschreven op welke wijze de keuringsfrequentie wordt bepaald waarmee voor stoffen in partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie waarvoor een erkende kwaliteitsverklaring wordt afgegeven, verificatiekeuringen moeten worden verricht.

De keuringsfrequentie wordt bepaald:

De keuringsfrequentie kan naar keuze van de producent worden bepaald met toepassing van:

Onder deze begrippen wordt het volgende verstaan:

k-waardetoets; methode ter bepaling van de keuringsfrequentie waarmee voor een verontreinigende stof ten behoeve van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring voor partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie verificatiekeuringen moeten worden verricht, waarbij de keuringsfrequentie wordt bepaald op grond van een combinatie van de afstand van de gemeten emissies of concentraties van de stof ten opzichte van de toepasselijke kwaliteitseis en de constantheid van de gemeten emissies en concentraties die in de partijkeuringen die zijn verricht, telkens zijn vastgesteld;

gammatoets: methode ter bepaling van de keuringsfrequentie waarmee voor een verontreinigende stof ten behoeve van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring voor partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie verificatiekeuringen moeten worden verricht, waarbij de keuringsfrequentie vooral wordt bepaald op grond van de afstand van de gemeten emissies of concentraties van de stof ten opzichte van de toepasselijke kwaliteitseis die in de partijkeuringen die zijn verricht, telkens is vastgesteld; en

verdelingsvrije toets: methode ter bepaling van de keuringsfrequentie waarmee voor een verontreinigende stof ten behoeve van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring voor partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie verificatiekeuringen moeten worden verricht, waarbij de keuringsfrequentie wordt bepaald op grond van de constantheid waarmee de gemeten emissies en concentraties in een reeks van partijkeuringen die zijn verricht, telkens aan de toepasselijke kwaliteitseis voldoen.

De k-waarde waarmee de k-waardetoets wordt uitgevoerd, wordt berekend voor elke te onderzoeken stof afzonderlijk met gebruikmaking van de volgende formule:

k = (log (kwaliteitseis) – y) / sy.

Hierin is:

Wanneer tevens de behoefte bestaat om op de erkende kwaliteitsverklaring een specifieke kwaliteit grond of baggerspecie te vermelden wordt ten behoeve van de berekening van de k-waarde de kwaliteitseis voor de onderzochte stof gehanteerd die voor die specifieke kwaliteit in de bij die specifieke kwaliteit horende bijlage B tabel 3 a t/m e is vermeld.

Voor het bepalen van de keuringsfrequentie wordt op basis van de berekende k-waarde per stof de mate van betrouwbaarheid waarmee op grond van de verrichte metingen van de concentraties of emissies van de onderzochte stof kan worden vastgesteld dat de te onderzoeken partij van een bouwstof, grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseis voor die stof, ingedeeld in de toepasselijke categorie van mate van betrouwbaarheid die in kolom 1 van tabel 1 is onderscheiden.

Hierbij geeft de aanduiding 90 / (> 99,9) aan dat met 90% betrouwbaarheid 99,9 van de 100 partijen voor de stof aan de daarvoor geldende kwaliteitseis voldoet en worden de andere in kolom 1 van tabel 1 opgenomen aanduidingen op vergelijkbare wijze gelezen.

De keuringsfrequentie wordt als volgt bepaald.

De gammawaarde is een in het kader van de toepassing van de gammatoets te hanteren statistische constante, die, afhankelijk of vijf dan wel tien partijkeuringen zijn verricht, kan worden afgelezen in kolom 2 of 3 van tabel 2.

Voor het bepalen van de keuringsfrequentie wordt de mate van betrouwbaarheid waarmee op grond van de verrichte metingen van de concentraties of emissies van de onderzochte stof kan worden vastgesteld dat de te onderzoeken partij van een bouwstof, grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseis, ingedeeld in de toepasselijke categorie van mate van betrouwbaarheid die in kolom 1 van de toepasselijke tabel 2 en 3 is onderscheiden.

Hierbij geeft de aanduiding 90 / (> 99,9) aan dat met 90% betrouwbaarheid 99,9 van de 100 partijen voor de stof aan de daarvoor geldende kwaliteitseis voldoet en worden de andere in kolom 1 van tabel 2 en 3 opgenomen aanduidingen op vergelijkbare wijze gelezen

Bij toepassing van de gammatoets wordt de keuringsfrequentie voor elke te onderzoeken stof afzonderlijk berekend metgebruikmaking van de gammawaarde.

De keuringsfrequentie wordt als volgt bepaald:

Onder de toepasselijke kwaliteitseis wordt verstaan:

Wanneer tevens de behoefte bestaat om op de erkende kwaliteitsverklaring een specifieke kwaliteit grond of baggerspecie te vermelden wordt ten behoeve van de gammatoets de kwaliteitseis voor de onderzochte stof gehanteerd die voor die specifieke kwaliteit in de bij die specifieke kwaliteit horende bijlage B tabel 3 a t/m e is vermeld.

Onder toepasselijke gammawaarde wordt verstaan:

Voor het bepalen van de keuringsfrequentie wordt de mate van betrouwbaarheid waarmee op grond van de verrichte metingen van de concentraties of emissies van de onderzochte stof kan worden vastgesteld dat de te onderzoeken partij van een bouwstof, grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseis, ingedeeld in de toepasselijke categorie van mate van betrouwbaarheid die in kolom 1 van tabel 4 is onderscheiden.

Hierbij geeft de aanduiding 90 / (> 99,9) aan dat met 90% betrouwbaarheid 99,9 van de 100 partijen voor de stof aan de daarvoor geldende kwaliteitseis voldoet en worden de andere in kolom 1 van tabel 4 opgenomen aanduidingen op vergelijkbare wijze gelezen.

De verdelingsvrije toets houdt in dat aan de hand van het aantal overschrijdingen van de kwaliteitseis voor de desbetreffende stof in het naar keuze van de producent te hanteren aantal aansluitend verrichte meest recente partijkeuringen, de te hanteren keuringsfrequentie van de voor een stof te verrichten verificatiekeringen wordt bepaald.

De keuringsfrequentie wordt als volgt bepaald:

Onder de toepasselijke kwaliteitseis wordt verstaan:

Wanneer tevens de behoefte bestaat om in de erkende kwaliteitsverklaring een specifieke kwaliteit grond of baggerspecie te vermelden wordt ten behoeve van de verdelingsvrije toets voor de onderzochte stof de kwaliteitseis gehanteerd die voor de te vermelden specifieke kwaliteit is opgenomen in tabel 3a tot en met 3e van bijlage B.

In deze bijlage is beschreven op welke wijze wordt getoetst of voor een stof is voldaan aan het criterium waarmee wordt bepaald of de kwaliteit van partijen van een bouwstof voldoende constant is en voldoet aan de kwaliteitseisen in bijlage A om daarvoor een fabrikant-eigenverklaring te mogen afgeven.

De toets wordt verricht in het kader van een toelatingsonderzoek ten behoeve van de verkrijging van het recht om een fabrikant-eigenverklaring af te geven.

De toets kan naar keuze van de producent worden verricht met behulp van:

De k-waarde waarmee de k-waardetoets wordt uitgevoerd, wordt berekend voor elke te onderzoeken stof afzonderlijk metgebruikmaking van de volgende formule:

k = (log (kwaliteitseis) – y) / sy.

Hierin is:

Het standaardonderzoekspakket omvat stoffen en enkele andere parameters die in onderstaande tabel worden genoemd, waarvan de aanwezigheid moet worden onderzocht in elk onderzoek dat wordt verricht ten behoeve van het afgeven van een milieuverklaring bodemkwaliteit voor een partij grond of baggerspecie of voor de ontvangende bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast. Hiervoor is niet nodig dat uit het vooronderzoek naar voren is gekomen dat er aanleiding bestaat om naar de aanwezigheid van de tot het standaardonderzoekspakket behorende stof of andere parameter onderzoek te doen, zoals geldt voor verontreinigende stoffen en andere relevante parameters die niet tot het standaardonderzoekspakket behoren. Als uit vooronderzoek naar voren komt dat andere verontreinigende stoffen of andere relevante parameters die niet tot het standaardonderzoekspakket behoren relevant zijn moet voor het onderzoek dat wordt verricht ten behoeve van het afgeven van een milieuverklaring bodemkwaliteit voor de grond of baggerspecie of voor de ontvangende bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast, het standaardonderzoekspakket worden aangevuld met deze andere verontreinigende stoffen of andere relevante parameters.

Er zijn in onderstaande tabel verschillende varianten opgenomen voor het standaardonderzoekspakket dat moet worden gehanteerd. De keuze voor de variant is afhankelijk van het materiaal of de bodem waarop het onderzoek betrekking heeft.

De stoffen en andere parameters waarvoor in de tabel ‘ja’ is vermeld, behoren standaard te worden onderzocht in de bodem of het materiaal waarop het onderzoek betrekking heeft (zie in de rij onder de variant A, C1 of C3 om welk materiaal het gaat).

1 De somparameters zijn omschreven in bijlage E.

2 Voor baggerspecie afkomstig uit zout oppervlaktewater die niet in zout oppervlaktewater wordt toegepast is pakket C1 van toepassing.

3 Voor de organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som) is er een verschil in de omschrijving van de somparameter tussen landbodem en waterbodem in bijlage E.

Emissies van verontreinigende stoffen uit slecht doorlatende materialen worden bepaald op de wijze die in deze bijlage is beschreven.

Als bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van materiaal onvoldoende vloeistof door de met bouwstoffen, grond of baggerspecie gevulde kolom stroomt, worden de daaruit optredende emissies van de volgens deze regeling te onderzoeken stoffen berekend met behulp van de hieronder weergegeven formule.

De hoeveelheid vloeistof die door de kolom stroomt, wordt als onvoldoende beschouwd als de getalswaarde van de hoeveelheid vloeistof die door de kolom stroomt, uitgedrukt in liters, kleiner is dan 10 maal de getalswaarde van het gewicht van het materiaal waarmee de kolom is gevuld, uitgedrukt in kg droge stof.

De emissievan een stof wordt gemeten in de vloeistof die wel door de kolom is gelopen. De in de vloeistof gemeten emissie wordt van een stof wordt volgens de onderstaande formule omgerekend naar een emissie die wordt getoetst aan de toepasselijke kwaliteitseis die als maximale emissiewaarde voor de stof is opgenomen in bijlage A, onderscheidenlijk B.

In deze bovenstaande formule is:

* = vermenigvuldigingsteken

e = een vaak gebruikte wiskundige constante, het grondtal van de natuurlijke logaritme.

L/S = verhouding tussen de hoeveelheid vloeistof (L in liters) die door de kolom is gestroomd en de hoeveelheid materiaal (S in kilogram) die in de kolom aanwezig is.

y = de daadwerkelijk L/S-verhouding die is aangetroffen. Voor y wordt een minimum aangehouden van y = 2

κ = stofafhankelijke constante, weergegeven in onderstaande tabel, die een maat is voor de snelheid van uitloging

Voor bouwstoffen is de bepalingsgrens gelijk aan drie maal de aantoonbaarheidsgrens als opgenomen in AP 04.

Voor bodem, grond en baggerspecie is de bepalingsgrens opgenomen in de onderstaande tabel 1.