Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwet- en regelgevingRichtlijn voor strafvordering luchtvaartwet- en regelgeving

Deze strafvorderingsrichtlijn bevat aanwijzingen voor de sanctietoepassing en het transactie- en requireerbeleid in luchtvaartzaken

Er bestaat al sinds 1996 transactiebeleid in luchtvaartzaken.1 De strafvorderingsrichtlijn waarin dit beleid was vervat, hanteerde een feitcodesysteem voor lichtere luchtvaartfeiten. Gaandeweg is dit systeem losgelaten omdat de feitcodes in de praktijk niet werden gebruikt. Er werden bovendien zwaardere feiten aan de richtlijn toegevoegd. Het onderscheid met de strafvorderingsrichtlijn die sinds 2.000 bestaat voor het zogenaamde vliegen onder invloed, is daarom niet meer relevant. Daar komt bij dat beide strafvorderingsrichtlijnen weinig aandacht besteden aan Europese regelgeving. Het toepassingsgebied van de Basisverordening (Bv)2 is in de loop der jaren uitgebreid, wat ertoe heeft geleid dat meer Europese voorschriften zijn aangewezen als voorschriften waarvan de overtreding een strafbaar feit oplevert. Zo strekt het toepassingsgebied van de Basisverordening zich tegenwoordig ook uit tot vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones). Het voorgaande is aanleiding geweest om de bestaande strafvorderingsrichtlijnen samen te voegen in één strafvorderingsrichtlijn en daaraan nieuwe aanwijzingen toe te voegen. Opmerking verdient verder dat de categorie-indeling, die sinds 1996 voor de bemande luchtvaart werd gehanteerd, enigszins is herzien om aan te sluiten op de internationale en Europese categorisering.3

Deze richtlijn heeft betrekking op overtredingen van voorschriften uit luchtvaartwet- en regelgeving. Het gaat hierbij om voorschriften uit de Wet luchtvaart, voorschriften krachtens de Wet luchtvaart (Besluit luchtverkeer 2014, Regeling uitvoering en handhaving luchtvaartveiligheid, Regeling onbemande luchtvaartuigen, Regeling zonering onbemande luchtvaartuigen, Regeling standaard luchtverkeerscircuits, Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen, Regeling valschermspringen 2010 en Regeling kabelvliegers en kleine ballons), voorschriften uit de Luchtvaartwet, voorschriften krachtens de Luchtvaartwet (Regeling luchtvaartvertoningen, Regeling slepen en reclamesleepvliegen en Regeling Toezicht Luchtvaart) en voorschriften uit het Wetboek van Strafrecht.

In deze richtlijn worden aanwijzingen – uitgangspunten – voor de sanctietoepassing en het transactie- en requireerbeleid gegeven. De daarbij genoemde tarieven zijn afgerond volgens de systematiek van de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen.

De landelijk coördinerend luchtvaartofficier van justitie van parket Noord-Holland is verantwoordelijk voor de coördinatie van de vervolging van luchtvaartzaken. Dit betekent dat alle luchtvaartfeiten (overtredingen en misdrijven) ter beoordeling dienen te worden overgedragen aan parket Noord-Holland.

Dit deel ziet op het bedienen van een luchtvaartuig door cockpitpersoneel, het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van inzittenden of lading door ander boordpersoneel of het verlenen van luchtverkeersdiensten onder invloed van psychoactieve stoffen en/of alcohol. Niettegenstaande de beperking in het toepassingsgebied in de Wet luchtvaart (uit art. 1.2, eerste lid Wlv volgt dat de Wet luchtvaart alleen van toepassing voor zover hetgeen bij of krachtens de Basisverordening niet van toepassing is), is dit deel van toepassing op de gehele burgerluchtvaart. Het algemene verbod in punt 7.6 van bijlage V bij de Basisverordening wordt namelijk – gelijk het equivalente verbod in art. 2.12, eerste lid Wlv – geconcretiseerd door het bepaalde in art. 2.12, tweede en derde lid Wlv.4

Op grond van art. 2.12, tweede lid Wlv is het een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden verrichten aan boord van een luchtvaartuig, als hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt. Op grond van art. 2.12, derde lid Wlv zijn voor boordpersoneel en (via art. 2.12, zesde lid Wlv) voor onder meer luchtverkeersleiders ‘om redenen van meettechnische aard’ alcoholgrenzen opgenomen.5 Dit betreft het ademalcoholgehalte (Ugl) of bloedalcoholgehalte (Bag).

In de hierna genoemde categorieën I tot en met III zijn in tabellen uitgangspunten vermeld voor alcoholgebruik. In categorie IV zijn uitgangspunten neergelegd, die gelden voor werkzaamheden onder invloed van een of meer andere middelen dan alcohol of een combinatie van middelen. Categorie V bevat uitgangspunten voor het weigeren mee te werken aan een adem-, urine- of bloedonderzoek, zoals bedoeld in art. 11.6 Wlv. Zowel in categorie IV, als categorie V zijn voorts uitgangspunten opgenomen voor het geval de verdachte verkeerde in kennelijke staat van dronkenschap of een daarmee gelijk te stellen toestand. dan wel het geval dat sprake is van recidive. Categorie VI bevat uitgangspunten voor het (doen) bedienen van een luchtvaartuig gedurende een vliegverbod (art. 11.5 Wlv) en het geven van luchtverkeersdienstverlening gedurende een verbod tot het geven van zodanige leiding (art. 11.8a Wlv).

Als alcoholgebruik bij boordpersoneel wordt geconstateerd na een inkomende vlucht, wordt bij de bepaling van het uitgangspunt rekening gehouden met de duur van die vlucht en de gemiddelde afbraaksnelheid van alcohol (één standaardglas alcohol waarvoor 0,25 BAG kan worden gerekend, breekt af gemiddeld af in één tot anderhalf uur).

De uitgangspunten in deze richtlijn worden bij eenmaal recidive verhoogd met 50%, met dien verstande dat die verhoging bij een geïndiceerde gevangenisstraf wordt toegepast op het aantal dagen en niet op het aan de hand daarvan afgeronde aantal weken of maanden.

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van meer dan 5.700 kg en voor luchtverkeersleiders in het algemeen.

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder bij bedrijfsmatig gebruik. Dezelfde uitgangspunten gelden voor assistent-luchtverkeersleiders.

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) bij privégebruik van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder. Deze uitgangspunten gelden ook voor cabinepersoneel, zoals stewards en stewardessen, van luchtvaartuigen in het algemeen (ongeacht het type luchtvaartuig).

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het verrichten van werkzaamheden onder invloed van een psychoactieve stof, in staat van dronkenschap of daarmee gelijk te stellen toestand.

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het weigeren van een ademanalyse, bloedproef of urineproef dan wel het achteraf weigeren van een bloedonderzoek als bedoeld in art. 11.6 lid 9 Wet luchtvaart.

De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het vliegen gedurende een vliegverbod, zoals bedoeld in art. 11.5 lid 4 Wet luchtvaart, en het geven van luchtverkeersdienstverlening gedurende een verbod tot het geven van zodanige leiding (art. 11.8a Wlv).

Dit deel ziet op andere strafbare feiten die bij de Wet luchtvaart zijn vastgesteld. Deze zijn van toepassing voor zover daarover bij of krachtens de Basisverordening niets is bepaald dan wel voor zover er ruimte voor is gelaten voor lokale regels.

De feiten in deze categorie zijn van toepassing op alle luchtvaartuigen omdat de Basisverordening daarover niets heeft geregeld of omdat het plaatselijke regels zijn waarvoor de Basisverordening ruimte laat. Voor deze feiten gelden de volgende uitgangspunten.

De feiten in deze categorie zijn van toepassing op luchtvaartuigen waarop de Basisverordening niet van toepassing is, zoals de luchtvaartuigen die in bijlage I van die verordening zijn genoemd, en op luchtvaartuigen die door exploitanten van derde landen (geen EU-lidstaten) worden gebruikt voor vluchten naar, binnen of vanuit de EU waarvoor internationale ICAO-normen bestaan. Voor deze feiten gelden de volgende uitgangspunten.

De volgende feiten hebben betrekking op luchtverkeersdienstverlening en de verstrekking van luchthaveninformatie, waarover bij of krachtens de Basisverordening niets is geregeld.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in het Besluit luchtverkeer 2014.

De volgende uitgangspunten zien op een strafbaar feit dat krachtens de Wet luchtvaart is voorzien in de Regeling vluchtuitvoering.

Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of twee daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, namelijk Verordening 748/2012 en Verordening 1312/2014, die zijn gerelateerd aan de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen.

1 In geval van een organisatie is meer maatwerk geboden.

Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de bemanning van luchtvaartuigen gaan. In categorie I zijn de algemene voorschriften opgenomen uit de Basisverordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsverordening 1178/2011. De categorieën II en III gaan respectievelijk over zweefvliegen en ballonvaren. Weliswaar zijn de algemene voorschriften in de Basisverordening ook daarop van toepassing, maar de uitwerking daarvan is geregeld in afzonderlijke uitvoeringsverordeningen. Voor zweefvliegen is dat Verordening 2018/1976 en voor ballonvaren Verordening 2018/395.

Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de luchtverkeersleiders gaan.

Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de vluchtuitvoering van bemande luchtvaartuigen gaan.

Dit deel betreft voorschriften die zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening 923/2012, de zogenoemde SERA-verordening (SERA staat voor ‘Standardized European Rules of the Air’). Deze uitvoeringsverordening heeft betrekking op het algemeen luchtverkeer, nu deze niet alleen op de Basisverordening maar ook op de Luchtruimverordening is gebaseerd. De hierna genoemde voorschriften zijn op grond van art. 1.6 Wet luchtvaart aangewezen als strafbaar feit.

Dit deel ziet op voorschriften in Uitvoeringsverordening 2019/947 die betrekking hebben op vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones). De hierna genoemde voorschriften zijn op grond van art. 1.6 Wet luchtvaart aangewezen als strafbaar feit.

1 Deze strafbaarstelling is breed geformuleerd. Zo geldt als voorwaarde voor de open categorie een vlieghoogte van 120 meter. Als daaraan niet is voldaan, had een vergunning aangevraagd moeten worden. Hierbij kan het met andere woorden gaan om een drone die op 130 meter vliegt, maar ook om een drone die op 3 km hoogte vliegt.

Ten aanzien van het onder invloed van psychoactieve stoffen of alcohol besturen van een drone (verboden op grond van UAS.OPEN.060 lid 2 onder a c.q. UAS.SPEC.060 lid 1 onder a, als misdrijf aangewezen in art. 3.2) wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten voor privépiloten van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder. Deze zijn weergegeven onder 3, deel A, categorie III.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling onbemande luchtvaartuigen. Deze voorschriften hebben dus ook betrekking op vluchten met drones.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling standaard luchtverkeerscircuits.

In de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen zijn onder meer regels gesteld met betrekking tot het gebruik van luchtvaartuigen die niet onder de werking van de EU-Basisverordening vallen. De hierna genoemde verboden zijn telkens gebaseerd op art. 7 Besluit vluchtuitvoering, dat via art. 8 Besluit vluchtuitvoering, art. 4.6 Wet luchtvaart en art. 1 onder 4 WED als overtreding strafbaar is gesteld.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling valschermspringen.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling kabelvliegers en kleine ballons.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten uit de Luchtvaartwet.

1 Meer maatwerk geboden bij art. 62a, tweede lid, Lvw (wederrechtelijke toegang tot luchtvaartterrein d.m.v. braak, inklimming, valse sleutels, valse order, vals kostuum of valse/niet aan hem toebehorende toegangspas).

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Luchtvaartwet zijn voorzien in de Regeling Luchtvaartvertoningen.

De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Luchtvaartwet zijn voorzien in de Regeling slepen en reclamesleepvliegen.

Art. 96 lid 4 Regeling Toezicht Luchtvaart (RTL) is een voorschrift dat ten laste gelegd kan worden in zaken tegen zogenoemde ‘unruly passengers’. De RTL is een op de Luchtvaartwet gebaseerde AMvB.6Art. 96 lid 4 RTL is een voorschrift is in art. 166 RTL aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in art. 62 lid 3 Lvw.

1 Indien een passagier stiekem in het toilet heeft gerookt en hij wil niet toegeven dat hij dat gedaan heeft en dus ook niet zeggen waar hij de peuk gelaten heeft, dan moet de crew uit veiligheidsoverwegingen in het toilet gaan zoeken naar de peuk. Immers: als hij ligt te smeulen in de afvalbak is er brandgevaar. Dit kan betekenen dat de crew gedurende het zoeken naar de peuk geen aandacht heeft voor de veiligheid en het welzijn van de overige passagiers en aldus ultiem de vlucht in gevaar brengen. Alleen meenemen als de crew in haar verklaring hiervan melding maakt.

2 Soms gaat het ‘fasten seatbelt sign’ aan zonder dat er voor de passagier duidelijk merkbare veiligheids-issues spelen. Dwz geen heftige turbulentie of stijgen of dalen. De gezagvoerder kan bijv. daartoe beslissen wanneer het chaotisch is in de cabine en rust weer hersteld dient te worden.

3 Andere passagiers beginnen zich ermee te bemoeien en de passagier nadrukkelijk aan te spreken op zijn gedrag.

4 Het halve vliegtuig bemoeit zich inmiddels ermee en er is ruzie/confrontatie met andere passagiers uit ontstaan. Leg bedreigingen en/of beledigingen (indien klachte van gedaan!) separaat ten laste. Indien sprake van escalatie naar fysiek geweld overstappen naar art 385b Sr. In dat geval meteen dagvaarden. Beoordeel of niet een voorgeleiding aangewezen is.

5 In de meeste gevallen heeft het door de crew aanwijzen van een andere stoel dan de door de passagier zelf uitgezochte veiligheidsredenen. Bijv. iemand die slecht ter been is mag niet bij een nooduitgang zitten want dan kan hij in een noodgeval andere passagiers niet helpen van de uitgang gebruik te maken. Bij een niet volle vlucht kan het reshuffelen van de passagiers worden besloten vanuit de optiek van een betere verdeling van het gewicht over het vliegtuig. De beslissing tot aanwijzen van een andere stoel heeft dus duidelijke safety achtergronden.

In het Wetboek van Strafrecht zijn eveneens diverse luchtvaartfeiten opgenomen. Voor de volgende misdrijven worden verdachten in beginsel gedagvaard:

Dit uitgangspunt neemt niet weg dat, in het bijzonder bij de culpoze delicten, maatwerk van toepassing is. Ten aanzien van overtreding van art. 429, zesde lid, Wetboek van Strafrecht – het zodanig gedragen dat er gevaar voor het luchtverkeer wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of het verkeer in de lucht wordt gehinderd (denk aan een laseraanstraling) – geldt als uitgangspunt een geldboete van € 500.