Ministeriële regeling · BWBR0048587
Subsidieregeling Npuls CTL
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.H.DijkgraafIn deze regeling wordt verstaan onder:
beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 14;
Center for Teaching and Learning: binnen een onderwijsinstelling te realiseren of verder te ontwikkelen separaat organisatieonderdeel, fysieke locatie, netwerk van mensen, online platform of afdeling, dat met inzet van digitale mogelijkheden de onderwijsontwikkeling van en door docenten en overig onderwijspersoneel faciliteert, en kennisdeling, innovatie, ondersteuning en onderzoek stimuleert en de onderlinge verbinding van reeds aanwezige voorzieningen versterkt;
CTL-plan: onderdeel van de aanvraag als bedoeld in artikel 9;
docentontwikkeling: ontwikkeling en versterking van de eigen vakbekwaamheid onder andere met behulp van digitalisering;
DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
Kaderregeling:Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Npuls: het Nationaal Groeifondsprogramma van en voor alle mbo-scholen, hogescholen en universiteiten in Nederland, dat zich richt op het verbeteren van de onderwijskwaliteit, de adaptiviteit van het onderwijs en de verbetering van digitale vaardigheden van docenten en lerenden, door te investeren in de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en de mogelijkheden van digitalisering beter te benutten;
onderwijsinstelling: bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a tot en met i, van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
onderwijsinnovatie: nieuwe aanpak of technologie waarmee wordt beoogd het onderwijs voor studenten te verbeteren;
project: in het kader van deze regeling gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
samenwerking: gezamenlijk streven van onderwijsinstellingen bij het opzetten of verder ontwikkelen van een Center for Teaching and Learning;
verordening:Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PbEU 2021, L 057).
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
De minister kan subsidie verstrekken aan een onderwijsinstelling voor een project waarmee een Center for Teaching and Learning wordt gerealiseerd of verder wordt ontwikkeld.
Het subsidiebedrag per onderwijsinstelling bedraagt eenmalig ten minste € 250.000 en ten hoogste € 500.000.
In afwijking van het tweede lid bedraagt het subsidiebedrag per onderwijsinstelling voor een aanvraag in de aanvraagrondes, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c tot en met e, ten minste € 125.000 en ten hoogste € 500.000.
Een subsidie kan uitsluitend worden verleend aan het bevoegd gezag of het instellingsbestuur van een onderwijsinstelling dan wel diens rechtsvoorganger die nog geen subsidie heeft ontvangen op grond van deze regeling.
De aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag of het instellingsbestuur van de onderwijsinstelling.
De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 8, is verplicht en is opgenomen in de begroting op het moment van indiening van de aanvraag.
Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd:
- a.
van 2 oktober 2023 tot en met 31 oktober 2023;
- b.
van 1 oktober 2024 tot en met 31 oktober 2024;
- c.
van 1 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025;
- d.
van 5 oktober 2026 09:00 uur tot en met 30 oktober 2026 16:00 uur; en
- e.
van 4 oktober 2027 09:00 uur tot en met 29 oktober 2027 16:00 uur.
In iedere aanvraagronde kan subsidie worden toegekend totdat het subsidieplafond, bedoeld in artikel 6, is bereikt.
Aanvragen die buiten een in het eerste lid genoemde aanvraagperiode worden ingediend, worden afgewezen.
Voor subsidieverstrekking op aanvragen die zijn ingediend in de aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, is een bedrag van ten hoogste € 10.000.000 beschikbaar.
Voor subsidieverstrekking op aanvragen die zijn ingediend in de aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, is een bedrag van ten hoogste € 20.363.567,– beschikbaar.
Voor subsidieverstrekking op aanvragen die zijn ingediend in de aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, is een bedrag van ten hoogste € 15.000.000 beschikbaar.
Voor subsidieverstrekking op aanvragen die zijn ingediend in de aanvraagrondes, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d en e, is in totaal een bedrag van ten hoogste € 27.000.000 beschikbaar.
De minister kan het bedrag dat resteert na toewijzing van alle in aanmerking komende aanvragen in de aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, toevoegen aan het beschikbare bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel b.
Subsidiabele activiteiten ten behoeve van de inrichting en verdere ontwikkeling van een Center for Teaching and Learning zijn:
- a.
activiteiten die zijn gericht op het oprichten of verder ontwikkelen van een Center for Teaching and Learning;
- b.
activiteiten in het kader van het op te zetten of verder te ontwikkelen Center for Teaching and Learning die de ontwikkeling van docenten en overig onderwijspersoneel duurzaam bevorderen en ondersteunen;
- c.
activiteiten in het kader van het op te zetten of verder te ontwikkelen Center for Teaching and Learning waardoor de kennis over onderwijsinnovatie duurzaam wordt bevorderd en gedeeld tussen onderwijsinstellingen, docenten en studenten met behulp van digitalisering;
- d.
activiteiten die inzichtelijk maken op welke manier het Center for Teaching and Learning duurzaam wordt opgezet of hoe verduurzaming wordt geïmplementeerd in het verder te ontwikkelen Center for Teaching and Learning;
- e.
activiteiten die inzichtelijk maken op welke manier het op te zetten of het verder te ontwikkelen Center for Teaching and Learning zal worden ingebed in de samenwerkingsstructuur van de onderwijsinstellingen;
- f.
activiteiten die zijn gericht op het uitvoeren van onderzoek naar onderwijsinnovatie en docentontwikkeling als bijdrage aan het Center for Teaching and Learning.
De onderwijsinstelling bepaalt zelf in welke volgorde, op welke wijze en op welk tijdstip de onderdelen b tot en met e, bedoeld in het eerste lid, worden gerealiseerd.
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient iedere activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, te voldoen aan de minimumscore die is vastgesteld voor elk beoordelingscriterium van het beoordelingskader:
- a.
dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd, voor aanvragen die worden ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c;
- b.
dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd, voor aanvragen die worden ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e.
Activiteiten die eerder hebben plaatsgevonden dan de startdatum, bedoeld in artikel 12, eerste lid, alsmede kosten en uitgaven die voorafgaand aan die datum worden gedaan, zijn niet subsidiabel.
De activiteiten voor het oprichten van een Center for Teaching and Learning moeten binnen een jaar na de startdatum, bedoeld in artikel 12, eerste lid, zijn afgerond en hebben geleid tot een opgezet Center for Teaching and Learning.
De eigen bijdrage bedraagt ten minste 70% van het aangevraagde subsidiebedrag.
Voor een subsidieaanvraag in de aanvraagrondes, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c tot en met e, waarbij het aangevraagde subsidiebedrag ten minste € 125.000 en ten hoogste € 250.000 bedraagt, bedraagt de eigen bijdrage ten minste 35% van het aangevraagde subsidiebedrag.
De verplichte eigen bijdrage, genoemd in het eerste lid, kan bestaan uit een bijdrage in geld, uit een op economische waarde bepaalbare bijdrage die relevant of noodzakelijk is voor de ontwikkeling van het Center for Teaching and Learning waarvoor de subsidie is aangevraagd, of uit een combinatie van deze twee bijdragen.
De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website van DUS-I.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a.
een CTL-plan dat voldoet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 10; en
- b.
een begroting die voldoet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 11.
Het CTL-plan, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, bevat de volgende onderdelen:
- a.
een visie op de docentontwikkeling zoals de onderwijsinstelling die met het nieuw op te zetten of verder te ontwikkelen Centrum for Teaching and Learning beoogt te ontwikkelen en te versterken;
- b.
een plan van aanpak waarin met kritieke prestatie-indicatoren wordt aangegeven hoe en in welke volgorde de onderwijsinstelling haar specifieke belangrijkste doelstellingen van het Centrum for Teaching and Learning beoogt te realiseren;
- c.
een beschrijving van de wijze waarop de onderwijsinstelling de activiteiten zal realiseren die de verduurzaming van het Centrum for Teaching and Learning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, ten doel hebben;
- d.
een beschrijving van de wijze waarop de onderwijsinstelling de activiteiten zal realiseren die de samenwerking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, ten doel hebben.
Het CTL-plan dat wordt ingediend:
- a.
in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de beoordelingscriteria opgenomen in de bijlage 1 bij deze regeling, en wordt gespecificeerd aan de hand van de bij die beoordelingscriteria gegeven deelaspecten.
- b.
in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de beoordelingscriteria opgenomen in de bijlage 2 bij deze regeling, en wordt gespecificeerd aan de hand van de bij die beoordelingscriteria gegeven deelaspecten.
Het CTL-plan wordt aangeleverd in het door DUS-I daarvoor beschikbaar gestelde format.
De begroting, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, sluit aan op de activiteiten die zijn beschreven in het CTL-plan.
In de begroting worden de kosten per activiteit beschreven in samenhang met het gehele CTL-plan en met het in het CTL-plan gegeven tijdstraject.
Voor de begroting bij aanvragen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c wordt gekozen uit de HOT-tarieven voor vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:
- a.
secretarieel en administratief medewerker schaal 7;
- b.
projectmedewerker schaal 11;
- c.
projectleider, docent of onderzoeker schaal 13;
- d.
(associate) practor, lector of hoogleraar schaal 15.
Opdrachtverlening aan derden voor uitvoering van de activiteiten of een deel daarvan wordt in de begroting opgevoerd, met inachtneming van de aanbestedingswetgeving.
In de begroting geeft de onderwijsinstelling een onderbouwing van de eigen bijdrage.
De begroting wordt aangeleverd in het door DUS-I daarvoor beschikbaar gestelde format.
Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:
- 1.
De projectduur bedraagt ten hoogste 36 maanden, gerekend vanaf de in de subsidiebeschikking opgenomen startdatum. De activiteiten starten uiterlijk in de maand september van het jaar van de subsidieverlening en niet eerder dan de datum van indiening van de aanvraag.
- 2.
De eerste voortgangsrapportage bevat in voorkomend geval een bewijs dat het CTL is opgericht.
- 3.
De subsidieontvanger geeft jaarlijks door middel van een door DUS-I voorgeschreven format voortgangsrapportage inzicht in de voortgang van de activiteiten. De eerste voortgangsrapportage wordt uiterlijk een jaar na de startdatum ingediend bij DUS-I.
- 4.
De subsidieontvanger neemt gedurende de looptijd van de regeling deel aan door Npuls georganiseerde regionale en landelijke bijeenkomsten om de opgedane kennis en inzichten te delen.
- 5.
De subsidieontvanger verleent tot uiterlijk drie jaar na de vaststelling van de subsidie medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van het CTL.
- 6.
De subsidieontvanger verleent medewerking aan het naleven van verplichtingen op grond van de verordening en de door het Herstel- en Veerkrachtplan te houden audits over de uitvoering en besteding van de subsidiegelden voor zover het door het Herstel- en Veerkrachtplan beschikbaar gestelde gelden betreft.
- 7.
De subsidieontvanger maakt op verzoek van de minister de met de subsidie ontwikkelde resultaten van de activiteiten voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk.
- 8.
De administratie van het project en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaar na de vaststelling van de subsidie bewaard.
De verantwoording over de verleende subsidie geschiedt in het jaarverslag overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 2.
De subsidieontvanger toont door middel van een eindrapportage aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.
De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verleend. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.
De minister stelt de subsidie vast binnen een jaar na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de projectperiode.
De minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met het beoordelen van de aanvragen.
Na de sluitingsdatum van de desbetreffende aanvraagperiode worden de ingediende volledige aanvragen door de beoordelingscommissie beoordeeld en voorzien van een advies aan de minister.
De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c, wordt voor ieder criterium afzonderlijk met de minimumscore, genoemd in bijlage 1, beoordeeld om in de rangschikking, genoemd in het vijfde lid, te worden opgenomen.
Aanvragen als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a, b of c worden na beoordeling gerangschikt op basis van punten op zodanige wijze dat een hoger toegekende puntenscore leidt tot een hogere rangschikking. Aanvragen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, worden ingedeeld in drie categorieën, op basis van het aantal punten dat per aanvraag is toegekend onder toepassing van het beoordelingskader, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling. De aanvragen worden ingedeeld in de volgende categorieën:
- a.
vijfenvijftig punten en hoger;
- b.
ten minste veertig punten, maar niet meer dan vierenvijftig punten; en
- c.
minder dan veertig punten.
Indien na toewijzing van de hoger gerangschikte aanvragen voor een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c twee aanvragen resteren die met een gelijk aantal punten zijn beoordeeld, maar budget resteert dat toereikend is voor een aanvraag, worden deze aanvragen primair beoordeeld op grond van de geografische spreiding en secundair op grond van de onderwijssector. De aanvraag die betrekking heeft op een regio die bij de toegewezen aanvragen het minst is vertegenwoordigd, wordt in dat geval hoger gerangschikt. Indien de twee aanvragen ook na toepassing van dit criterium een gelijke beoordeling hebben, wordt de aanvraag die betrekking heeft op een onderwijssector die bij de toegewezen aanvragen het minst is vertegenwoordigd hoger gerangschikt.
Voor aanvragen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d en e, geldt dat de score voor toekenning als bedoeld in artikel 15a, tweede lid ook kan worden bereikt indien voor maximaal twee van de criteria 1, 2, 3 of 4 uit bijlage 2 de helft van de maximale score niet wordt bereikt terwijl het totaal aantal punten op alle criteria gelijk is aan of groter dan het minimale totaal aantal punten voor toekenning als bedoeld in artikel 15a tweede lid, en tegelijkertijd de maximale score op criterium 5 is bereikt.
De aanvragers die een aanvraag hebben ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikelen 5, eerste lid, onder d of e, worden na de sluitingsdatum van de betreffende aanvraagperiode uitgenodigd voor een onlinegesprek om de aanvraag aan de beoordelingscommissie te kunnen toelichten.
De minister beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b, of c met kennisneming van het advies van beoordelingscommissie.
Na beoordeling en rangschikking wordt voor een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c het maximaal aantal aanvragen voor die ronde toegekend op volgorde van rangschikking.
Indien na toepassing van het bepaalde in artikel 14, zesde lid, twee aanvragen die zijn ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c een gelijke beoordeling hebben, bepaalt de minister de rangschikking van deze aanvragen op basis van loting.
De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen die zijn ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, b of c aan de hand van de kwaliteit van de aanvragen op basis van het beoordelingskader in bijlage 1 bij deze regeling en verdeelt het beschikbare bedrag op basis van deze rangschikking totdat het budget voor die aanvraagronde is uitgeput.
De minister besluit uiterlijk binnen 22 weken na de sluitingsdatum van een aanvraagperiode, genoemd in artikel 5, eerste lid, over de subsidieverlening.
Indien in een aanvraagronde als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b, of c budget resteert, maar een gerangschikt voorstel niet volledig kan worden gehonoreerd, doet de minister aan de aanvrager het voorstel om met het nog resterende bedrag van het subsidiebudget zijn project in volledige of aangepaste vorm uit te voeren. Indien de betreffende aanvrager niet instemt met dit voorstel wordt de aanvraag afgewezen.
De minister beoordeelt de volledige aanvragen die zijn ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, onder overeenkomstige toepassing van artikel 14, derde lid, tweede volzin, en vijfde lid, tweede en derde volzin. De minister neemt daarbij kennis van het advies van beoordelingscommissie over de beoordeling van de aanvragen en over de indeling van de aanvragen in de in artikel 14, vijfde lid, tweede en derde volzin, genoemde categorieën.
De aanvragen die zijn ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, en die door de beoordelingscommissie worden ingedeeld in de categorie, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onder a, kunnen door de minister worden toegewezen. De aanvragen die zijn ingediend in een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d of e, en die door de beoordelingscommissie worden ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onder b of c, kunnen door de minister worden afgewezen.
De aanvragers die een aanvraag hebben ingediend die door de beoordelingscommissie is ingedeeld in de categorie, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel b, en wiens aanvraag op grond van het tweede lid is afgewezen, krijgen na de afwijzing van hun aanvraag de mogelijkheid om een gewijzigde aanvraag in te dienen. Bij deze gewijzigde aanvraag mag het CTL-plan, bedoeld in artikel 10, uitsluitend worden gewijzigd op die criteria van het beoordelingskader, opgenomen in bijlage 2, waar na beoordeling van de minister, de helft van de maximumscore niet wordt bereikt.
De gewijzigde aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt ingediend binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de oorspronkelijke aanvraag werd afgewezen.
De minister vraagt over de gewijzigde aanvragen advies aan de beoordelingscommissie. De beoordelingscommissie adviseert binnen zes weken over de beoordeling van de gewijzigde aanvragen aan de minister.
Ten aanzien van de advisering over de gewijzigde aanvragen en de beoordeling van de gewijzigde aanvragen door de minister zijn artikel 14, derde lid, tweede volzin, vijfde lid, tweede en derde volzin, en zevende lid, alsmede het eerste en tweede lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing. Artikel 14, achtste lid, is niet van toepassing.
De minister besluit uiterlijk binnen 22 weken na de indiening van een gewijzigde aanvraag op de gewijzigde aanvraag.
Voor de subsidieverstrekking op de gewijzigde aanvragen is het bedrag beschikbaar dat resteerde na de toewijzing van de aanvragen onder toepassing van het tweede lid, eerste volzin.
De minister verstrekt een voorschot van 100%, en bepaalt het bevoorschottingsritme in de beschikking.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2023.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 september 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Npuls CTL.
Toelichting op de beoordelingscriteria
Beoordelingscriterium 1 | Deelaspecten | Vragen | Maximaal aantal punten | Ondergrens voor toekenning |
Visie op docentontwikkeling en op onderwijsinnovatie met digitalisering Tussen de 500 – 1.000 woorden Weging maximaal 20 punten | 1. De onderwijsinstelling beschrijft de stand van zaken op gebied van docentontwikkeling op het moment van de aanvraag en geeft een beschrijving van de concrete onderdelen die de instelling wil implementeren of verder wil ontwikkelen. 2. De onderwijsinstelling beschrijft de stand van zaken op het gebied van onderwijsinnovatie op het moment van de aanvraag en geeft een beschrijving van de concrete onderdelen die de instelling wil implementeren of verder wil ontwikkelen. 3. Het op te zetten of verder te ontwikkelen CTL bouwt voort op de huidige situatie. 4. Er is sprake van draagvlak bij en actieve betrokkenheid van docenten en overig onderwijspersoneel. 5. Er is sprake van draagvlak bij en actieve betrokkenheid van bestuur en directie. | 1. Wat doet de instelling al aan docentontwikkeling en met welk resultaat? Welk verschil zal het CTL voor de docentontwikkeling maken? Welk resultaat heeft u daarbij voor ogen? 2. Hoe wordt onderwijsinnovatie al gestimuleerd en hoe verspreidt kennis over innovaties zich binnen (en buiten) de instelling? Welk verschil zal het CTL maken en welk resultaat heeft u daarbij voor ogen? 3. Welke initiatieven zijn er al rondom de CTL-doelstellingen en waar staat de instelling over 3 jaar? 4. Hoe worden docenten betrokken bij het CTL en wat motiveert hen om hieraan bij te dragen? Hoe worden docenten en medewerkers gefaciliteerd in relatie tot hun reguliere taken? 5. Waaruit blijkt het draagvlak onder zowel bestuur als directie? | 20 | 10 |
Beoordelingscriterium 2 | Deelaspecten | Vragen | Maximaal aantal punten | Ondergrens voor toekenning |
Plan van aanpak Tussen 1.500 – 3.000 woorden Weging maximaal 30 punten | 1. De doelen en resultaten van het CTL-project zijn helder en concreet. 2. De beoogde activiteiten passen bij de activiteiten genoemd in artikel 7, lid 1, sub a tot en met f. Deze activiteiten zijn helder omschreven, en geprioriteerd. 3. Er is een heldere en haalbare aanpak uitgewerkt in een activiteitenoverzicht met mijlpalen. 4. De onderwijsinstelling beschrijft op welke manier omgegaan wordt met voortschrijdend inzicht gedurende het project. 5. Er is inzicht in de belanghebbenden van het CTL en de wijze waarop zij worden betrokken. | 1. Welke doelen en resultaten worden nagestreefd in het CTL-project? Beschrijf de doelen en resultaten SMART. 2. Hoe sluiten de activiteiten logisch aan op de activiteiten genoemd in de regeling artikel 7, lid 1, sub a tot en met f? 3. Beschrijf in het activiteitenoverzicht het wie, wat en op welk moment. Licht toe. 4. Hoe gaat u om met voortschrijdend inzicht? Wat zijn de evaluatie- en bijsturingsinstrumenten? 5. Wie zijn de belangrijkste belanghebbenden bij het CTL, vanuit welke rol en hoe zijn zij betrokken? | 30 | 20 |
Beoordelingscriterium 3 | Deelaspecten | Vragen | Maximaal aantal punten | Ondergrens voor toekenning |
Samenwerking Tussen 100 – 300 woorden Weging maximaal 20 punten | 1. Er is sprake van samenwerking met andere instellingen rondom de vorming van het CTL. De instelling beargumenteert waarom het kiest voor deze vorm van samenwerking. 2. Beschrijf welke vormen de samenwerking krijgt in het kader van het CTL? | 1. Waarom en op welke wijze werkt de instelling samen met andere instellingen bij de vorming van het CTL? Licht dit ook toe indien de instelling slechts beperkt wil of kan samenwerken met een andere instelling. 2. In welke vorm vindt de samenwerking plaats? Is er bijvoorbeeld sprake van kennisdeling en/of intervisie? | 20 | 10 |
Beoordelingscriterium 4 | Deelaspecten | Vragen | Maximaal aantal punten | Ondergrens voor toekenning |
Verduurzaming Tussen 100 – 300 woorden Weging maximaal 10 punten | 1. Er is sprake van een duurzame bestendiging (in organisatorisch, financieel en kwalitatief opzicht) van het CTL binnen de instelling. 2. Er is sprake van een duurzame bestendiging van docentontwikkeling en onderwijsinnovatie binnen de instelling. | 1. Op welke wijze zorgt de instelling voor de duurzame bestendiging (organisatorisch, financieel, kwalitatief) van het CTL binnen de instelling en op welke wijze worden met het CTL verkregen kennis en inzicht ingebed in de instelling? 2. Op welke wijze zorgt de instelling voor duurzame bestendiging van de docentontwikkeling en onderwijsinnovatie? | 10 | 5 |
Beoordelingscriterium 5 | Deelaspecten | Vragen | Maximaal aantal punten | Ondergrens voor toekenning |
Financiële haalbaarheid Weging maximaal 20 punten | In de aanvraag gaat aanvrager in op de volgende deelaspecten: 1. De begroting is ingevuld in het format van DUS-I en voldoet aan de vereisten van artikel 11. | 20 | 10 | |
Totaal aantal punten | 100 | 55 |
Criterium 1 | Deelaspecten | Minimumeisen/Toelichting |
1. Visie op docentontwikkeling en onderwijsinnovatie (maximaal 20 punten) | 1.1 De onderwijsinstelling beschrijft de visie met een concretisering naar het beoogde effect op docentontwikkeling en onderwijsinnovatie. | • Beschrijf vanuit de brede visie van de instelling, hoe deze vertaald wordt naar docentontwikkeling en onderwijsinnovatie |
1.2 De onderwijsinstelling beschrijft de stand van zaken op gebied van docentontwikkeling en onderwijsinnovatie en maakt een probleemanalyse | • Beschrijf de huidige situatie: Welke relevante activiteiten heb je al ondernomen en wat was het effect daarbij? Hoe is het op dit moment gesteld met de bekwaamheid van de docenten om innovaties in de onderwijspraktijk goed te kunnen toepassen? • Maak een analyse van de huidige situatie, trek conclusies en geef aan wat je wilt veranderen of verbeteren. | |
1.3 De onderwijsinstelling beschrijft de toekomstige situatie met succescriteria en geeft een beschrijving van de concrete aspecten die de instelling wil implementeren of verder wil ontwikkelen op het gebied van docentontwikkeling en onderwijsinnovatie. | • Beschrijf de toekomstige situatie: geef aan wat er straks is bereikt met de onderdelen die je wilt ontwikkelen en implementeren. • Beschrijf wanneer het succesvol is: Welke impact heeft de groei van bekwaamheid van docenten en welke impact heeft de innovatie concreet in de onderwijspraktijk. | |
1.4. De onderwijsinstelling beschrijft de veranderstrategie die ingezet wordt om tot verandering te komen. | • Geef aan hoe je van de huidige situatie in de toekomstige situatie komt en welke strategie je daarbij inzet. | |
1.5 De onderwijsinstelling beschrijft hoe actieve betrokkenheid van docenten en overig onderwijspersoneel en van bestuur en directie gerealiseerd wordt. | • Geef aan hoe draagvlak tot stand komt: Wat levert het CTL voor docenten op, wat motiveert hen, wanneer willen ze een bijdrage leveren en wat maakt hen tot ambassadeur? • Geef aan hoe het CTL en de docenten door het bestuur en de directie gefaciliteerd worden. | |
Criterium 2 | Deelaspecten | Minimumeisen/Toelichting |
2. Plan van aanpak (maximaal 30 punten) | 2.1 De doelen en resultaten van het CTL-project zijn SMART en sluiten aan op de visie. | • Geef aan welke impact en aantoonbare verandering met de doelen nagestreefd wordt. • Zorg dat de doelen logisch volgen uit de conclusies van de probleemanalyse. |
2.2 De activiteiten dragen bij aan het bereiken van de doelen en passen bij de activiteiten genoemd in artikel 7, lid 1, sub a tot en met f. Er zijn activiteiten op alle onderdelen geformuleerd, met duidelijke mijlpalen. | • Laat zien dat de activiteiten bijdragen aan het bereiken van de doelen in het plan van aanpak. • Beschrijf de activiteiten concreet. • Zorg dat onderzoeksactiviteiten een directe aansluiting hebben op de ontwikkeling van het CTL en de doelen. • Zorg ervoor dat de activiteiten volledig aansluiten op de begroting en vice versa. | |
2.3 In de aanpak is aangegeven wie wat doet op welk moment en vanuit welke rol. | • Beschrijf de projectorganisatie. Ga in op de verantwoordelijkheidsverdeling en besluitvorming. Geef aan wie bij het project betrokken zijn. • Leg uit hoe de docenten betrokken zijn bij de besluitvorming. • Geef aan hoe overige belanghebbenden betrokken worden en wat hun invloed is op het project. | |
2.4 De onderwijsinstelling beschrijft op welke manier omgegaan wordt met voortschrijdend inzicht gedurende het project en welke instrumenten daarbij worden ingezet. | • Geef aan hoe het proces van monitoring-, evaluatie- en bijsturing eruitziet en welke instrumenten daarbij gebruikt worden. • Maak een koppeling met de succescriteria en de gekozen doelen. | |
Criterium 3 | Deelaspecten | Minimumeisen/Toelichting |
3. Samenwerking (maximaal 20 punten) | 3.1 De instelling beschrijft de vormen van samenwerking (intern en/of extern gericht) en de relatie tot het CTL. | • Geef aan of de samenwerking meer intern of extern gericht is en waarom. • Beschrijf wat je met de samenwerking wilt bereiken en met welke partners. |
3.2 De instelling beargumenteert hoe de samenwerking bijdraagt aan het realiseren van de doelen. | Leg uit hoe de samenwerking bijdraagt aan de doelen die beoogd worden met het CTL. | |
Criterium 4 | Deelaspecten | Minimumeisen/Toelichting |
4. Verduurzaming (maximaal 20 punten) | 4.1 Er is sprake van een duurzame bestendiging (in organisatorisch, financieel en kwalitatief opzicht) van het CTL binnen de instelling. | • Geef aan hoe de duurzame bestendiging er kwalitatief, organisatorisch en financieel uitziet. Geef aan hoe het CTL na de projectperiode structureel gefinancierd wordt. • Laat zien dat het eigenaarschap van het CTL ook na de projectperiode goed is belegd. |
4.2 Er is sprake van een duurzame bestendiging van docentontwikkeling en onderwijsinnovatie binnen de instelling. | • Leg uit hoe de kwaliteit blijft bestaan na de projectperiode en wordt ingebed in de cultuur en structuur van de organisatie. | |
Criterium 5 | Deelaspecten | Minimumeisen/Toelichting |
5. Financiële haalbaarheid (10 punten als is voldaan aan de deelaspecten) | De begroting is voldoende als aan de eisen van artikel 11 van de regeling is voldaan: 5.1 De begroting is ingevuld in het format van DUS-I. | • Zorg dat uw begroting voldoet aan de eisen in artikel 11 van de regeling. |
5.2 De begroting is doelmatig | • De omvang van de activiteiten staat in verhouding tot de kosten die daarvoor begroot zijn. | |
5.3 De begroting sluit aan op de activiteiten in het CTL-plan. | • De begroting, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, sluit aan op de activiteiten die zijn beschreven in het CTL-plan. • Zorg ervoor dat de beschreven activiteiten in het activiteitenplan, (één-op-één) herleidbaar zijn in de begroting. • In de begroting worden de kosten per activiteit beschreven in samenhang met het gehele CTL-plan en met het in het CTL-plan gegeven tijdstraject. | |
5.4 De gekozen tarieven zijn marktconform en zijn inclusief een opslag voor overhead en administratie. | • Opdrachtverlening aan derden voor uitvoering van de activiteiten of een deel daarvan wordt in de begroting opgevoerd, met inachtneming van de aanbestedingswetgeving. | |
5.5 De begroting geeft een onderbouwing van de eigen bijdrage. | • Ga in de toelichting in op de relatie van de eigen bijdrage ten opzichte van de totale projectkosten. |