Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 mei 2024, Min-BuZa.2024.20806-20, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029)Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029)De Minister van Buitenlandse Zaken,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikel 2.2, sub a, c en d, artikel 2.3, sub b tot en met e, en artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Buitenlandse Zaken,namens deze,de Directeur-Generaal PolitiekeZaken,M. deVinkde Directeur-Generaal Europese Samenwerking,A. van denEnde

Voor subsidieverlening op grond van de artikel 2.2, sub a, c en d, artikel 2.3, sub b tot en met e, en artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het bevorderen van capaciteitsversterking van

(semi-)overheidsinstellingen in Matra-doellanden en de versterking van de bilaterale betrekkingen met deze landen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2029 een subsidieplafond van € 7,5 miljoen.

De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Het Maatschappelijke transformatie-programma (Matra-programma) is onderdeel van het overkoepelende kabinetsbeleid voor Veiligheid en Stabiliteit. Het kabinet stelt zich daarin ten doel de Nederlandse en internationale veiligheid en stabiliteit te bevorderen door doelgerichte bilaterale en multilaterale samenwerking en het bevorderen van democratische transitie in prioritaire gebieden. Ook draagt het Matra-programma bij aan de doelstelling II van de Beleidsnota Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorde, namelijk het tegengaan van democratische achteruitgang wereldwijd en het versterken van de democratische rechtsstaat.

Het Matra-programma is samen met het Shiraka-programma onderdeel van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen (NFRP) dat zich richt op de ‘ring van instabiliteit’ rondom de Europese Unie. Het Matra-programma is daarbij gericht op de landen met een EU-toetredingsperspectief (hierna: pre-accessielanden2) en de landen van het Oostelijk Partnerschap (hierna: OP-landen3).

Sleutelbegrippen van het NFRP zijn democratisering, rechtsstaatontwikkeling, goed bestuur, maatschappelijke betrokkenheid en een gezonde verhouding tussen burger en overheid. Het Matra-programma is daarbij primair gericht op de capaciteitsopbouw en institutionele versterking van rechterlijke macht en publieke instituties, maatschappelijke organisaties en politieke partijen. Het Matra-programma loopt sinds 1993 onafgebroken en is daarmee één van de langstlopende programma’s die zich richten op deze aandachtsgebieden.

Het kabinet hecht bijzonder aan het Matra-programma, omdat het gaat om het bestendigen en bevorderen van gedeelde Europese waarden. Deze gedeelde Europese waarden verbinden Europese landen ondanks hun culturele diversiteit. Een stevige en pluriforme rechtsstaat, stabiele democratische processen en goed bestuur, waar dit subsidiebeleidskader zich op richt, zijn onderdeel van deze waarden en de agenda voor de regio’s die grenzen aan de Europese Unie.

Onderdeel van het Matra-programma is het onderhavige subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 (hierna: subsidieprogramma) dat voortbouwt op de twee subsidieprogramma’s die zijn opengesteld van 2017 tot 2020 en van 2020 tot 20244.

Met het subsidieprogramma wordt ingezet op overdracht van kennis en vaardigheden tussen Nederlandse overheidsinstellingen en hun tegenhangers in de Matra-regio op het gebied van de pluriforme rechtsstaat en democratisch en goed bestuur. Daarmee is het subsidieprogramma primair gericht op het versterken van de capaciteit van (semi-)overheidsinstellingen in de pre-accessielanden en landen van het OP, voor zover zij een vergaand samenwerkingsakkoord (comprehensive and enhanced partnership agreement [CEPA]) hebben gesloten met de Europese Unie (hierna: CEPA-landen5).

Daarnaast is het subsidieprogramma gericht op de versterking van de bilaterale relaties met de hiervoor genoemde doellanden.

De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

Het doel van het subsidieprogramma is primair om een bijdrage te leveren aan capaciteitsversterking van (semi-) overheidsinstellingen in de doellanden en secundair om de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden te versterken, door middel van financiële ondersteuning van projecten die zich hierop richten.

De doelgroep bestaat uit de (semi-)overheidsinstellingen in de volgende doellanden:

Het subsidieprogramma beoogt (semi-)overheidsinstellingen in de doellanden te koppelen aan (een) vergelijkbare Nederlandse (semi-)overheidsinstelling(en). De inzet van expertise van Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen is daarom een vereiste.

Capaciteitsversterking

Met capaciteitsversterking wordt bedoeld dat de capaciteit van één of meer (semi-) overheidsinstelling(en) in één of meer van de doellanden wordt versterkt door gebruik te maken van de capaciteit van een of meer relevante (semi-)overheidsinstelling(en) in Nederland.

Voor capaciteitsversterking in de pre-accessielanden geldt dat deze moet bijdragen aan de uitvoering van de afspraken die de Europese Unie heeft gemaakt met deze doellanden, welke betrekking hebben op de ontwikkeling van de rechtsstaat en goed bestuur in lijn met de toetredingscriteria voor de Europese Unie.

Voor zover het gaat om capaciteitsversterking in CEPA-landen (Armenië) geldt dat deze moet bijdragen aan de uitvoering van afspraken die de Europese Unie heeft gemaakt met dit doelland, welke betrekking hebben op rechtsstaatontwikkeling en goed bestuur zoals overeengekomen in de samenwerkingsakkoorden met de Europese Unie.

Versterking bilaterale betrekkingen

Met versterking van de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden wordt bedoeld dat de banden tussen de landen worden versterkt door:

Feministisch Buitenlandbeleid

Nederland heeft sinds 2022 een feministisch buitenlandbeleid.6 Het doel van dit beleid is om ongelijkheid te verkleinen en wereldwijd te streven naar een gelijkwaardige positie van mannen, vrouwen en non-binaire mensen. Het heeft daarbij bijzondere aandacht voor de positie van LHBTIQ+ personen. Dat betekent dat gendergelijkheid een dwarsdoorsnijdend thema is in het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de uitvoering daarvan. Alhoewel het doel van dit subsidieprogramma niet gendergelijkheid en het verbeteren van de positie van LHBTIQ+ personen is, is het van belang dat projecten een genderanalyse doen en rekening houden met eventuele effecten van hun project op gender(on)gelijkheid. Negatieve effecten op gendergelijkheid moeten worden voorkomen, positieve effecten zijn vanzelfsprekend welkom.

Subsidie in het kader van dit subsidieprogramma zijn bedoeld voor de volgende soorten organisaties:

Indien de aanvraag van een penvoerder namens een samenwerkingsverband wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

Waar hierna staat ‘aanvrager’ wordt daarmee ook bedoeld ‘penvoerder’.

Een aanvrager moet:

Wanneer een aanvrager als organisatie niet minimaal twee jaar ervaring heeft op bovenstaande punten, geldt ten aanzien van het aantonen en beoordelen van de aanwezige ervaring dat de aanvrager ook die ervaring mag opvoeren die door personeel van de aanvrager is opgedaan in dienst van een andere organisatie dan de organisatie waar het betreffende personeelslid op het moment van indienen van de aanvraag in dienst is.

Indien een organisatie betrokken is bij meer dan drie aanvragen kunnen alleen de drie aanvragen die het best voldoen aan de beoordelingscriteria in aanmerking komen voor subsidie.

Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen kunnen niet in aanmerking komen voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma (niet direct als aanvrager noch indirect als mede-indiener), maar vereist is wel dat ze worden betrokken of worden ingeschakeld bij de projecten in het kader van de te behalen doelstellingen. (Eventuele kosten van deze instellingen kunnen door de aanvrager worden opgevoerd als 'kosten derden' als bedoeld in paragraaf 7.3.2. (het zijn dan kosten die de aanvrager maakt door het betalen van een factuur van deze instelling).)

Integriteitsbeleid

De aanvrager moet aantonen dat hij, en in geval van een aanvraag namens een samenwerkingsverband ook alle andere partners in het samenwerkingsverband, een integriteitsbeleid heeft/hebben vastgesteld en procedures heeft/hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de aanvragers, andere partijen in het samenwerkingsverband en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.

Als een aanvrager overweegt een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’.7

Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO adviseur aan de aanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de aanvrager vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.

Een ‘quick scan’ wordt ingediend met behulp van een middel dat door RVO ter beschikking wordt gesteld en moet door RVO zijn ontvangen uiterlijk op dinsdag 2 juli 2024 om 12:00 Nederlandse tijd.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om een samenhangend geheel van activiteiten (‘project’) dat gericht is op het bijdragen aan de doelen zoals genoemd in paragraaf 4.1.

Ten aanzien van de primaire doelstelling (e.g. bijdragen aan capaciteitsversterking van (semi-)overheidsinstellingen in doellanden) moet het project betrekking hebben op:

Het project moet tevens betrekking hebben op ten minste één van de in paragraaf 6 opgenomen thema’s, en per thema op ten minste één van de daaronder genoemde subthema’s.

Ten aanzien van de secundaire doelstelling (versterken bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden) geldt dat het project tevens betrekking moet hebben op het vergroten van de zichtbaarheid van de Nederlandse inzet in het doelland, daarom is het mogelijk om daarnaast subsidie te verkrijgen voor activiteiten waarmee middels strategische communicatie de zichtbaarheid van het project en daarmee de Nederlandse inzet in het doelland te vergroten.

Bij de subsidiabele activiteiten dient relevante inhoudelijke expertise van één of meerdere Nederlandse (semi-) overheidsinstellingen te worden ingebracht. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende activiteiten:

Het project moet zijn gericht op ten minste één doelland. Het subsidieprogramma biedt ook ruimte voor projecten met een regionaal samenwerkingscomponent, waarbij binnen één project de samenwerking met (semi-)overheidsinstellingen in meer dan één doelland wordt gezocht alsook samenwerking tussen de (semi-) overheidsinstellingen in deze doellanden. De meerwaarde van een landoverstijgend project dient duidelijk te worden beschreven in de aanvraag.

Tevens biedt het subsidieprogramma ruimte om, in aanvulling op de vereiste samenwerking met één of meerdere Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen, samen te werken met Nederlandse decentrale overheden, indien dit de doelstelling van het voorziene project ten goede komt. Hierbij dient vermeld te worden dat een dergelijke samenwerking niet de verplichte samenwerking met een of meerdere hierboven genoemde Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen kan vervangen.

Lokale maatschappelijke organisaties die actief zijn in de doellanden op de in paragraaf 6.1. genoemde (sub)thema’s kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de in paragraaf 4.1. genoemde doelstellingen en het duurzaam inbedden van de resultaten, bijvoorbeeld in een situatie waarin een groot deel van het ambtenarenapparaat wordt gewisseld na verkiezingen. Daarnaast kan een sterk en betrokken maatschappelijk middenveld (indirect) bijdragen aan het aanjagen van een verbeterde rechtsstaat, pluriformiteit en een versterkte overheid. Door, waar relevant, deze organisaties te betrekken bij een project kan tevens het draagvlak voor de hervormingen worden vergroot. Binnen de projecten kan daarom worden samengewerkt met het lokaal maatschappelijk middenveld, hetzij als mede-indiener in een samenwerkingsverband hetzij anderszins. Dit is evenwel geen verplichting.

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende activiteiten:

Het NRFP-Matra richt zich op het versterken van de rechtsstaat en democratie in de doellanden. In dit subsidieprogramma zijn dit tevens de hoofdthema’s. Beide begrippen zijn echter niet vastomlijnd en omvatten diverse thema’s die soms verschillend worden geformuleerd. Om hierover meer duidelijkheid te bieden als ook richting te geven is een aantal (prioritaire) (sub)thema’s vastgesteld.

Zoals onder paragraaf 5 aangeduid moet een aanvraag betrekking hebben op ten minste één van deze thema’s, en per thema op ten minste één van de daaronder genoemde subthema’s, om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen (paragraaf 6.1.), waarbij per doelland prioritaire (sub)thema’s zijn geïdentificeerd die specifiek voor dat doelland of die regio extra aandacht behoeven (paragraaf 6.2.) en waarmee daarom bonuspunten kunnen worden gescoord, zie paragraaf 9.3. Alleen wanneer het inhoudelijk van toegevoegde waarde is voor het project is het wenselijk meerdere (sub)thema’s te kiezen.

De hoofdthema’s van dit subsidieprogramma zijn rechtsstaat, te weten pluriforme rechtsstaat, rechtspraak en rechtshandhaving, en democratie, te weten goed bestuur.

Deze thema’s worden hieronder verder verduidelijkt door het benoemen van subthema’s.

Dit thema bestaat uit de volgende drie subthema’s:

Dit thema bestaat uit het volgende subthema:

Subthema betrouwbaar, inclusief en democratisch overheidsoptreden door het vergroten van:

In de tabel hieronder zijn per doelland de prioritaire (sub)thema’s geïdentificeerd die specifiek voor dat doelland extra aandacht behoeven en daarmee de voorkeur hebben (hetgeen tot uiting komt doordat daarmee bonuspunten kunnen worden gescoord, zie paragraaf 9.3).

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd hebben een minimale looptijd van twee jaar en een maximale looptijd van vier jaar. De activiteiten moeten starten binnen zes maanden na subsidieverlening.

De subsidie bedraagt per aanvraag minimaal € 500.000 en maximaal € 2.000.000.

Desgewenst kan een deel van de kosten door de aanvrager / partners van het samenwerkingsverband zelf worden gefinancierd, een eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage mag in dat geval niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Voor het bepalen van de (omvang van de) kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

De volgende kostensoorten zijn subsidiabel:

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

Voordat een aanvraag voor subsidie voor een project kan worden ingediend in het kader van het subsidieprogramma moet een advies van RVO zijn verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.3.

De aanvraag wordt ingediend in de Nederlandse of Engelse taal met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.12

De aanvraag bevat in ieder geval:

Tevens moet worden verklaard dat er bij de bij het project betrokken partijen bekendheid is met, en gehandeld zal worden naar de OESO richtlijnen14. Ook dient er bekendheid te zijn met de FMO-uitsluitingslijst en mogen er geen activiteiten worden uitgevoerd die op deze lijst benoemd staan15. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen die wijzen op het schenden van deze richtlijnen moet dit door de subsidieontvanger onverwijld bij RVO gemeld worden.

Vragen gericht aan RVO, het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de Nederlandse ambassades in de doellanden, kunnen schriftelijk gesteld worden via het e-mailadres matra@rvo.nl. De vragen worden gebundeld en geanonimiseerd beantwoord op de website van het NFRP-Matra programma.16 Deze beantwoording vindt (zoveel mogelijk) driewekelijks plaats. Indien gebruikt gemaakt wenst te worden van de expertise van het Nederlandse ambassadenetwerk, meldt men zich bij het genoemde e-mailadres. Het is niet de bedoeling dat de ambassades rechtstreeks benaderd worden. Ambassades sturen in voorkomend geval aan hen gerichte vragen door naar genoemd e-mailadres.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 7, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria in paragraaf 9.2., waaraan in voldoende mate (70 punten van de maximaal 100 te behalen punten17) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Op het normaliter maximum aantal te behalen punten (100) kunnen aanvullend 3 bonuspunten worden behaald (paragraaf 9.3.) indien het project aansluit op één of meer van de prioritaire thema’s van een doelland (paragraaf 6.2.). Daarnaast kunnen bonuspunten worden verkregen voor samenwerking met lokale maatschappelijke organisaties (paragraaf 9.3).

Er is € 7,5 miljoen beschikbaar voor subsidieverlening in het kader van dit subsidieprogramma. De middelen worden verdeeld volgens de rangschikking van de aanvragen conform de uitkomsten van de beoordeling van de tijdig ingediende aanvragen volgens de hierna volgende criteria (paragraaf 9.2.). De Minister streeft naar een evenwichtige spreiding van middelen over de OP-landen enerzijds en de pre-accessie-landen in de Westelijke Balkan en Turkije anderzijds. Daarbij geldt bovendien dat binnen het subsidieprogramma er ten minste:

zal worden geselecteerd, mits er voor elk van deze landen of regio’s een kwalificerende aanvraag is ingediend (dat wil zeggen een aanvraag die voldoet aan de gestelde minimumcriteria en in voldoende mate voldoet aan de hierna volgende criteria (paragraaf 9.2. en verder).

Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen en deze plaats samenvalt met het resterende deel van het subsidieplafond, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

De volgende criteria zijn van toepassing bij de kwalitatieve beoordeling van de aanvragen voor subsidie:

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of indien het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is.

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking zal in ieder geval een meldingsplicht worden opgenomen. De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren. Tevens zal worden opgenomen dat de subsidieontvanger moet meewerken aan de monitoring- en evaluatieactiviteiten van het subsidieprogramma. Om de voortgang van een project te monitoren zal voor elk project een baselinestudie moeten worden verricht. Tevens dient de subsidieontvanger ieder jaar een of meerdere rapportages op te leveren, met daarin onder meer de voortgang ten opzichte van de beoogde uitkomsten en doelstelling(en) en een overzicht van gemaakte kosten in relatie tot de oorspronkelijke begroting van het project. Na afronding van de projectactiviteiten wordt de subsidieontvanger gevraagd om een eindrapportage in te dienen en medewerking te verlenen aan de verspreiding van de projectresultaten.

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,4% bedraagt.