Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 18 oktober 1976, houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet (Stb. 1976, 425)Besluit ex artikel 3a, eerste lid, OpiumwetWij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 29 september 1976, DG Vgz/GMI, no. 44796;

Gelet op artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet (Stb. 1976, 425);

De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 1976, nr. 18);

Gezien het nader rapport van onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 15 oktober 1976, DG Vgz/GMI, nr. 45 117;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk18 oktober 1976JulianaDe Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,I. Vorrinkde zesentwintigste oktober 1976De Minister van Justitie,Van Agt

In dit besluit wordt onder "wet" verstaan: Opiumwet (Stb. 1976, 425).

De verboden, gesteld in artikel 2, eerste lid, onder B en C, van de wet gelden niet voor:

De verboden, gesteld in artikel 2, eerste lid, onder B en C, van de wet gelden niet voor preparaten welke codeïne bevatten in een verhouding van 1 op 2000 of minder, en geen andere van de op de bij de wet behorende Lijst I vermelde substanties bevatten.

De verboden, gesteld in artikel 3, eerste lid, onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voorzover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.

Het verbod op het aanwezig hebben, bewerken of verwerken, gesteld in artikel 3, eerste lid, onder B en C, van de wet, geldt niet voor barbital of een preparaat dat barbital bevat, voorzover kennelijk bestemd voor analytisch-chemische doeleinden.

Het verbod, gesteld in de artikelen 2, eerste lid, onder A, en 3, eerste lid, onder A, van de wet, alsmede het verbod op het aanwezig hebben, verwerken of vervoeren, gesteld in de artikelen 2, eerste lid, onder B en C, en 3, eerste lid, onder B en C, van de wet, gelden niet voor diagnostisch materiaal ter opsporing en identificatie van middelen waarop de wet betrekking heeft, indien de concentratie van elk van de daarin aanwezige middelen niet hoger is dan 0,01%.

Het verbod, gesteld in de artikelen 2, eerste lid, onder A, en 3, eerste lid, onder A, van de wet, alsmede het verbod op het aanwezig hebben, vervoeren, verkopen, afleveren en verstrekken, gesteld in de artikelen 2, eerste lid, onder B en C, en 3, eerste lid, onder B en C, van de wet, gelden niet indien het een homeopathisch farmaceutisch product betreft in de zin van het Besluit homeopathische farmaceutische producten dat een middel bevat waarop de wet betrekking heeft, de farmaceutische vorm van dat product geen hogere concentratie van het middel heeft dan éénmiljoenste deel van de oertinctuur, en in de verpakking waarin het product in de handel wordt gebracht niet meer dan 1 microgram van het middel aanwezig is.

Ons besluit van 20 oktober 1958 (Stb. 485) wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 23 juni 1976 (Stb. 424) in werking treedt.