Ministeriële regeling · BWBR0009251
Regeling landbouwgrond en natuurterrein Meststoffenwet
in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 13al, onderdeel a, en 25a van de Meststoffenwet;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage22 december 1997 De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.J. vanAartsenIn deze regeling wordt verstaan onder:
a) wet:b)Vlaamse Mestbank:afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij;
c)grondgebruiksverklaring:verklaring betreffende landbouwgrond die anders dan op grond van de gebruikstitels genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, en derde lid, van de wet bij het bedrijf in gebruik is of betreffende natuurterrein dat anders dan op grond van de gebruikstitels genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel w, van de wet bij het bedrijf in gebruik is.
d)Dienst Regelingen:Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
e)gebruiker:persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen dat een bedrijf voert ten aanzien waarvan een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 14 of 22 van de wet en die, onderscheidenlijk dat, landbouwgrond als bedoeld in artikel 2 of natuurterrein als bedoeld in artikel 2a in gebruik heeft.
Deze regeling berust op artikel 1, eerste lid, onderdelen p en v, van de wet en op artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen voor zover het betreft de artikelen 1, 1a en 1b, en op artikel 1a, tweede lid, van de wet voor zover het betreft de artikelen 1, 2, 2a en 3.
Als grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de wet wordt aangemerkt grond met een houtopstand die valt onder de vrijstelling, bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht.
Als beheer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, van de wet en artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet, wordt aangemerkt beheer dat het gebruik van dierlijke meststoffen of beweiding toestaat en dat tevens beheer is:
- a.
als bedoeld in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000,
- b.
dat is vastgesteld krachtens de Natuurbeschermingswet, of
- c.
dat is gericht op de instandhouding van natuurwaarden en tot stand is gekomen met instemming van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Voor de toepassing van ‘de hoofdstukken III, IV en V, titel 3, en de daarop berustende bepalingen wordt, in zoverre in afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, en derde lid, van de wet, onder de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond ook gerekend:
- a.
in België of Duitsland, binnen 25 kilometer van de grens met Nederland gelegen landbouwgrond, die daadwerkelijk in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is en die:
- 1º
indien die grond in België is gelegen, tot het bedrijf behoort ingevolge eigendom of tot het bedrijf behoort blijkens registratie bij de Dienst Regelingen ingevolge artikel 2.2a van de Regeling keuring en handel dierlijke producten en registratie bij de Vlaamse Mestbank ingevolge artikel 30 van het Besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, en
- 2º
indien die grond in Duitsland is gelegen, tot het bedrijf behoort ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst;
- 1º
- b.
landbouwgrond die daadwerkelijk in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is en die tijdelijk in gebruik is gegeven overeenkomstig:
- c.
landbouwgrond die daadwerkelijk in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is en ter zake waarvan overeenkomstig artikel 3 een grondgebruiksverklaring is opgesteld en bij de Dienst Regelingen is ingediend.
Voor de toepassing van de hoofdstukken III, IV en V, titel 3, en de daarop berustende bepalingen wordt in zoverre in afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel w, van de wet onder de tot het bedrijf behorende oppervlakte natuurterrein ook gerekend natuurterrein dat daadwerkelijk bij het bedrijf in het kader van een normale bedrijfsvoering in gebruik is en ter zake waarvan overeenkomstig artikel 3 een grondgebruiksverklaring is opgesteld en bij de Dienst Regelingen is ingediend.
De grondgebruiksverklaring wordt gesteld op het formulier, bedoeld in artikel 5d, eerste lid, van de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet dat overeenkomstig de daarbij aangegeven wijze, volledig en naar waarheid wordt ingevuld en door zowel de gebruiker als de eigenaar, onderscheidenlijk de erfpachter, vruchtgebruiker of pachter van de desbetreffende grond wordt ondertekend.
De gebruiker van de grond dient het formulier binnen dertig dagen na de datum waarop de grond blijkens het ingevulde formulier in gebruik is genomen in bij de Dienst Regelingen.
Indien het formulier niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn is ingediend, geldt als datum waarop de grond in gebruik is genomen de datum die is gelegen dertig dagen vóór de datum waarop het formulier door de Dienst Regelingen is ontvangen.
Vervallen
Vervallen
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling landbouwgrond en natuurterrein Meststoffenwet.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.