Wet · BWBR0009508

Bankwet 1998

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 26 maart 1998, houdende nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank N.V. in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Bankwet 1998)Bankwet 1998Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doelstellingen, taken en werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. opnieuw te regelen in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de in dat Verdrag voorziene oprichting van een Europees Stelsel van Centrale Banken waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met betrekking tot de taken en plichten die bij het Verdrag aan dat Stelsel zijn opgedragen een integrerend onderdeel vormt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage26 maart 1998 Beatrix De Minister van Financiën, G. Zalm de negende april 1998 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

De Bank neemt bij de uitoefening van haar taak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, tot uitgangspunt dat een beroep op de publieke middelen wordt vermeden. Indien met het oog op de afwikkelingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme of artikel 21 van de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen, een beroep op buitengewone openbare financiële steun onvermijdelijk is, wordt dat beroep beperkt tot hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstellingen.

De Bank is bevoegd die werkzaamheden te verrichten die nodig zijn ter uitvoering van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde taken, waaronder met name de werkzaamheden die in deze paragraaf zijn genoemd. De Bank verricht deze werkzaamheden in overeenstemming met het Verdrag.

De Bank is bevoegd tot het uitgeven van bankbiljetten.

Vervallen

De Bank is bevoegd de Europese Centrale Bank bij te staan bij het verzamelen van gegevens op de voet van artikel 5 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

De Bank kan na toestemming bij koninklijk besluit:

In afwijking van artikel 9e verstrekt de Bank gegevens aan de in artikel 9d, eerste lid, bedoelde internationale organisaties ter voldoening aan hun informatieverzoeken, met inachtneming van het geheimhoudingsregime dat ingevolge bindende EU-rechtshandelingen op de desbetreffende gegevens van toepassing is.

Artikel 153 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de Bank.

Bepalingen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die bij toepassing op de Bank strijdigheid opleveren met het Verdrag of de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn niet van toepassing op de Bank. Met het oog op de uitvoering van artikel 131 van het Verdrag worden deze bepalingen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.

Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan de president van de Bank, met inachtneming van artikel 130 van het Verdrag en van artikel 10.4 en artikel 37 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, door elk der beide kamers der Staten-Generaal op hun verzoek worden gehoord.

Voor zover deze wet strekt ter uitvoering van de handelingen ter verwezenlijking van de in de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, 3, 4, eerste lid, onderdelen b en c, tweede en derde lid, en 9, onderdeel c, bedoelde doelstellingen en taken, is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen die hij bij die taakuitvoering heeft verkregen verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992.

Wijzigt de Noodwet financieel verkeer.

Wijzigt de Muntwet 1987.

Vervallen

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt deze wet.

Na inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet berusten de koninklijk besluiten die op grond van artikel 23, leden 1 en 2, van de Bankwet 1948 van kracht zijn, op artikel 12, lid 2, van deze wet.

Na de inwerkingtreding van artikel 9 van deze Wet berusten de koninklijke besluiten die op grond van artikel 21 van de Bankwet 1948 van kracht zijn, op artikel 9 van deze wet.

De Bankwet 1948 wordt ingetrokken.

De wet van 11 januari 1956 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 17 van de Bankwet 1948, wordt ingetrokken.

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Bankwet 1998.