Regeling · BWBR0009670

Besluit subsidies CO2-reductieplan

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 4 juni 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van het CO2-reductieplan (Besluit subsidies CO2-reductieplan)Besluit subsidies CO2-reductieplanWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 9 december 1997, nr. WJA/JZ 97074751;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 1998, no. W10.97.789);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 28 mei 1998, nr. WJA/JZ 98029433;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage4 juni 1998 Beatrix De Minister van Economische Zaken, G. J. Wijers de zevende juli 1998 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Bij de vaststelling van de kosten, bedoeld in artikel 3, wordt uitgegaan van een in de gehele organisatie van de subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek, met dien verstande dat:

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, ontvangen aanvragen op grond van dit besluit.

Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien de Adviescommissie CO2-reductieplan een negatief advies heeft uitgebracht.

Onze Minister geeft een beschikking binnen vier maanden na afloop van een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

Tot en met 31 december 2001 geldt het volgende:

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies CO2-reductieplan.

In de industrie komt als restproduct van de industriële processen nog warmte vrij op een temperatuurniveau tot 150 °C. Deze restwarmte met nog een aanzienlijke energie-inhoud wordt in het algemeen weggekoeld of verdwijnt via de rookgassen uit de schoorsteen omdat er binnen het bedrijf geen rendabele toepassing voor is. Toch zijn er vaak binnen of in de nabijheid van deze bedrijven afnemers beschikbaar die deze restwarmte nog nuttig kunnen gebruiken. Projecten komen echter moeilijk tot stand omdat warmte voor de leverancier geen product is en omdat het beschikbaar stellen van deze restwarmte momenteel nog niet gehonoreerd wordt. Ook is onderlinge levering organisatorisch moeilijk tot stand te brengen. Bovendien kunnen bedrijven deze laagwaardige warmte momenteel eenvoudig wegkoelen. Het beschikbaar stellen van deze warmte voor bij voorbeeld ruimteverwarming of ten behoeve van industriële processen die deze laagwaardige warmte wel goed kunnen benutten, levert een lagere thermische belasting van het milieu bij de leverancier en minder emissie bij de afnemer.

In dit aandachtsgebied gaat het om projecten waarbij deze restwarmte uit de industrie benut wordt. Deze warmte-afnemers kunnen andere industriële toepassingen zijn, de glastuinbouw of de gebouwde omgeving. Ook nutsbedrijven of andere «makelende en schakelende» partijen kunnen initiatiefnemer zijn van het project.

Voor het realiseren zal het vaak nodig zijn een infrastructuur aan te leggen, waarbij zo mogelijk gebruik wordt gemaakt van nieuwe warmte-technologie (bij voorbeeld bij de uitkoppeling, het transport of de benutting). Naast de levering van warmte kunnen ook meegenomen worden systemen voor de levering van CO2 afkomstig uit industriële bronnen.

Onder industriële processen wordt mede begrepen het verbranden van chemisch afval.

De gangbare praktijk. Laagwaardige warmte wordt in het algemeen geloosd. De huidige energievoorziening is gebaseerd op aardgas- en elektriciteitsnetten. In de gangbare praktijk zijn géén warmtenetten, stoomnetten en nieuwe warmtetechnologiesystemen beschikbaar.

De minimale kosteneffectiviteit is f 20,- per ton CO2-reductie.

Een project dient te leiden tot een CO2-reductie van tenminste 3 kton per jaar.

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij:

In dit aandachtsgebied gaat het om de bevordering respectievelijk het gebruik van:

De gangbare praktijk. Thans is onze energievoorziening vrijwel geheel gebaseerd op andere energieconversie-technieken dan de hierboven bedoelde. De gangbare praktijk is dus het nìet-benutten van deze technieken.

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij:

In dit aandachtsgebied gaat het om het gebruik van energie uit duurzame energiebronnen Duurzame energie is een verzamelterm. Deze betreft verschillende opties, die gemeen hebben dat energie uit duurzame bronnen wordt omgezet in secundaire energie die geschikt is voor praktische toepassingen in de economie, zonder dat een beroep wordt gedaan op eindige energievoorraden.

Dit deelprogramma omvat de volgende duurzame energiebronnen:

Ook projecten op het gebied van energie-opslag vallen binnen dit aandachtsgebied. Projecten die gericht zijn op de productie en het gebruik van de vloeibare biobrandstoffen bio-ethanol en biodiesel voor toepassing in motoren vallen buiten het kader van dit aandachtsgebied.

Windenergie is de conversie van door wind uitgeoefende krachten in elektriciteit. Toepassing vindt doorgaans plaats in open gebieden (bij voorbeeld kustlocaties). In de meeste gevallen wordt de opgewekte elektriciteit geleverd aan het net. Het leveringspatroon wordt gestuurd door de fluctuerende windkracht.

Fotovoltaïsche zonne-energie is de directe omzetting van zonlicht in elektriciteit. Deze omzetting vindt plaats in zonnecellen, die worden gegroepeerd in panelen. Deze hebben een typisch vermogen van 50 – 100 Watt piek en leveren 12 of 24 volt gelijkstroom. Gebruikelijk is dat fotovoltaïsche systemen worden opgebouwd uit groepen van zulke panelen.

Waterkracht is de conversie van de energie van stromend water in elektriciteit. Het potentieel van deze optie is in ons land beperkt in vergelijking met landen als Oostenrijk en Noorwegen, maar toch kan deze optie bijdragen aan de doelstelling van de beleid betreffende duurzame energie. Typische vermogens van waterkrachtcentrales liggen in ons land in de orde van 1–15 MWe.

Aardwarmte staat voor praktische toepassing van warmte die gewonnen wordt uit diepliggende aardlagen.

Omgevingswarmte of -koude uit bijvoorbeeld oppervlaktewater of buitenlucht kan worden opgeslagen in bij voorbeeld aquifers. Benutting van deze warmte of koude voor verwarming of koeling van ruimten of tapwater kan rechtstreeks of bij voorbeeld met de warmtepomp plaatsvinden.

Biomassa is een hernieuwbare brandstof van organische oorsprong. In tegenstelling tot fossiele brandstoffen draagt biomassa bij toepassing als brandstof, bij voorbeeld voor elektriciteitsopwekking, per saldo niet bij aan de stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer. Dat wordt verklaard uit het feit dat hierbij sprake is van een gesloten CO2-kringloop binnen een beperkt tijdraam (tot maximaal 100 jaar): bomen en planten nemen bij hun groei CO2 uit de atmosfeer op en leggen daarmee de opgenomen koolstof vast als biomassa onder gelijktijdige uitstoot van zuurstof. Wordt deze biomassa vervolgens verbrand of vergast, dan komt daarbij dezelfde hoeveelheid CO2 weer vrij in de atmosfeer, die tevoren daaruit was opgenomen en vastgelegd als biomassa. Door de inzet van biomassa als brandstof kan de inzet van een energetisch gelijke hoeveelheid fossiele brandstof worden vermeden. Het CO2-effect van het gebruik van biomassa als brandstof is dus gelijk aan de uitstoot die opgetreden zou zijn als de bedoelde hoeveelheid fossiele brandstof zou zijn verstookt.

In grote lijnen zijn twee hoofdstromen van biomassa te onderscheiden: organische reststoffen en speciaal voor energiedoelen geteelde of geoogste gewassen. De hierboven beschreven kringloop geldt voor beide stromen. Voor de omzetting van biomassa in praktisch toepasbare secundaire energie zijn diverse technieken voorhanden. Deze variëren van verbranding in kleine warmtekracht eenheden tot verbranding of vergassing op grote schaal in kolencentrales of in zelfstandig opererende eenheden, specifiek gebouwd voor toepassing van biomassa als brandstof.

De gangbare praktijk. Thans is onze energievoorziening vrijwel geheel gebaseerd op niet-duurzame energie. De gangbare praktijk is dus het niet-benutten van de beschikbare duurzame energiebronnen.

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij:

In dit aandachtsgebied gaat het om het realiseren van een aanzienlijke energiewinst door de integratie van bestaande processen met behulp van nieuwe en/of verbeterde technologieën en/of nieuwe toepassingen van bestaande technologieën. Het gaat veelal om grote energie-intensieve bedrijven in de chemische industrie en in de olieraffinage, die technisch en economisch risicovolle projecten realiseren teneinde veel energie te besparen en een overeenkomstige vermindering van CO2-emissies te realiseren. Dit door middel van:

De bestaande situatie bij de subsidie-aanvrager.

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij:

In dit aandachtsgebied gaat het om de implementatie van nieuwe technieken bij de volgende industriële processen: drogen, bakken, smelten en vloeistof- of gasscheiding. Bij de scheidingstechnieken gaat het uitsluitend om membraantechnologie.

Ten gevolge van de projecten moet een verbetering worden bereikt van de energie-efficiency, die leidt tot een vermindering van de CO2-emissies. De verbetering kan langs twee lijnen of een combinatie hiervan worden bereikt:

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij:

Dit deelprogramma omvat de reductie van CO2 door energiebesparing in nieuw te bouwen woningen, woongebouwen en utiliteitsgebouwen. De energiebesparing wordt zowel in de productiefase als (in hoofdzaak) in de exploitatiefase van de woningen en gebouwen bereikt. CO2-reductie moet ook worden bereikt door een groter gebruik van hout (als vervanging van andere bouwmaterialen) in de desbetreffende gebouwen. Een derde eis is dat de huisvestingslasten lager moeten zijn dan de gangbare praktijk (door verlaging van de bouwkosten, van onderhoudskosten, van verbouwkosten en van de energiekosten tijdens de gebruiksfase).

Door de combinatie van een 20% lager energiegebruik, 20% meer houtgebruik en 20% lagere kosten kunnen de projecten dienen als voorbeeldprojecten voor nieuwe bouwmethoden. Dit deelprogramma heeft daarom vooral een voorbeeldfunctie voor de bouwsector. De projecten moeten aantonen dat een (verdere) reductie van energiegebruik en meer gebruik van hout bereikt kan worden op een lager niveau van huisvestingslasten. Dat zal de toepassing op grote schaal energiebesparingsmaatregelen en van hout bevorderen en zal daarom, rekening houdend met de grote bouwprogramma's in Nederland – en andere landen – een effectieve bijdrage leveren aan het bereiken van de overheidsdoelstellingen op CO2-gebied. De ervaringen met deze projecten kunnen later ook in renovatieprojecten worden gebruikt.

Het referentiekader is de standaardpraktijk, dat wil zeggen de vigerende energie-prestatie-eis conform het Bouwbesluit 2003. Voorts is dit het gangbare gebruik van hout in diverse gebouwtypen en de gangbare (gemiddelde)- kosten per m2 in de huidige bouwpraktijk.

Projecten worden hoger gewaardeerd naarmate zij: