Ministeriële regeling · BWBR0018724
Regeling bloed- en urineonderzoek
Gelet op artikel 163, vijfde, achtste, negende en tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zesde, negende tot en met elfde lid van de Scheepvaartwet, artikel 11.6, vijfde, achtste tot en met tiende lid van de Wet luchtvaart en artikel 89, vijfde, achtste tot en met tiende lid van de Spoorwegwet en de artikelen 13, 18, 19, 21 en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken;
Besluit:
Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100, Den Haag.
Den Haag5 september 2005De Minister van Justitie,J.P.H.DonnerIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
het besluit: het Besluit alcoholonderzoeken;
- b.
bloedafname: het afnemen van een hoeveelheid bloed ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b en derde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, derde lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart of artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de Spoorwegwet;
- c.
politie: de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, en de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen c, en d, van de Politiewet 2012, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Onder de politie wordt voor de toepassing van deze regeling mede verstaan een ambtenaar van het Wapen der Koninklijke Marechaussee.
Als ambtenaren, bedoeld in artikel 163, vijfde, achtste en negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zesde, negende en tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 11.6, vijfde, achtste en negende lid, van de Wet luchtvaart en artikel 89, vijfde, achtste en negende lid van de Spoorwegwet, worden aangewezen de ambtenaren van politie, benoemd in schaal 8 of hoger.
Zij oefenen, voor zover zij geen hulpofficier van justitie zijn, de hun toegekende bevoegdheid niet uit indien een hulpofficier van justitie beschikbaar is.
Het afnemen van bloed geschiedt met een gesteriliseerde, eenmalig te gebruiken injectiespuit met naald, van een type dat is aangewezen door het Nederlands Forensisch Instituut.
Er wordt een hoeveelheid bloed afgenomen van ten minste 2 en bij voorkeur 8 milliliter.
De arts verdeelt de door hem afgenomen hoeveelheid bloed over monsterbuisjes van elk 5 milliliter, van een type dat is aangewezen door het Nederlands Forensisch Instituut.
De monsterbuisjes zijn voorzien van een mengsel van 40 milligram natriumfluoride en een hoeveelheid heparinenatrium waarvan de activiteit tenminste 575 I.E. bedraagt en waarvan het gewicht niet hoger is dan 5 milligram of van 20 mg natriumfluoride en 143 I.E. heparinenatrium, dan wel van andere door het Nederlands Forensisch Instituut aangewezen gelijkwaardige stoffen met antistol- en conserverende werking.
De urine, bestemd voor het in artikel 17 van het besluit bedoelde onderzoek, wordt opgevangen in een flesje met een inhoud van ongeveer 100 milliliter, van een type dat is aangewezen door het Nederlands Forensisch Instituut.
Het flesje, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van 1000 milligram natriumfluoride.
De opsporingsambtenaar voorziet de van een verdachte verzamelde bloed- of urinemonsters van een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel. De opsporingsambtenaar brengt op het formulier, bedoeld in artikel 10, en het tegen de verdachte opgemaakte proces-verbaal, een identiteitszegel aan dat correspondeert met het identiteitszegel, bedoeld in de eerste volzin.
Het Nederlands Forensisch Instituut stelt het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid, vast.
De opsporingsambtenaar zorgt er voor, dat, indien de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, of de brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee, een aanvraag doet tot het verrichten van onderzoek aan een bloed- of urinemonster, de gevulde monsterbuisjes in een verpakking die is voorzien van een sluitzegel, worden bezorgd bij het Nederlands Forensisch Instituut.
Het Nederlands Forensisch Instituut stelt de sluitzegel en verpakking, bedoeld in het eerste lid, vast.
Het Nederlands Forensisch Instituut bepaalt het alcoholgehalte van het bloed of de urine door het verrichten van een onderzoek volgens een enzymatische of gaschromatografische methode, zoals beschreven in bijlage 1 bij deze regeling.
Op de uitkomsten van het onderzoek naar het alcoholgehalte, bedoeld in het eerste lid, vindt een correctie-aftrek plaats die driemaal de theoretische standaardafwijking bedraagt, zoals vastgesteld op de wijze beschreven in bijlage 2 bij deze regeling.
Het Nederlands Forensisch Instituut bewaart na het verrichten van het onderzoek naar het alcoholgehalte, bedoeld in artikel 8, eerste lid, het deel van het monster dat bestemd is voor een eventueel tegenonderzoek, bij een temperatuur lager dan –10° Celsius en gedurende een jaar na de datum van de bloedafname of het opvangen van de urine.
De aanvraag van een onderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of urine, bedoeld in artikel 7, eerste lid, de verklaring van de arts aan wie de bloedafname was verzocht en de rapportage door het Nederlands Forensisch Instituut geschiedt door middel van het formulier dat het Nederlands Forensisch Instituut heeft vastgesteld.
Het Nederlands Forensisch Instituut verricht het tegenonderzoek als bedoeld in artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken. De artikelen 3 tot en met 10 zijn van overeenkomstige toepassing.
De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, bedragen:
- a.
€ 4,50 voor het gebruik van de in artikel 4 bedoelde monsterbuisjes, alsmede de in artikel 7, tweede lid, bedoelde sluitzegel en verpakking;
- b.
voor het afnemen van bloed door de arts € 62 indien het afnemen geschiedt in de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur en € 81 indien het afnemen geschiedt in de periode 18.00 uur ’s avonds tot 08.00 uur ’s ochtends of in de periode 18.00 uur vrijdagavond tot 08.00 uur maandagochtend.
- c.
€ 91 voor het onderzoek naar het alcoholgehalte van het bloed, bedoeld in het eerste lid.
De arts wordt niet eerder benaderd voor het afnemen van het bloed bij de verdachte, dan nadat de verdachte de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde kosten aan de politie heeft betaald.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat de verdachte de in het tweede lid, onder c bedoelde kosten, binnen zes weken na de bloedafname, aan het Nederlands Forensisch Instituut heeft betaald.
De verdachte, die de wens kenbaar heeft gemaakt dat een tegenonderzoek wordt verricht, kan, behoudens het bepaalde in artikel 11, hiertoe een van de volgende laboratoria aanwijzen:
- a.
het Laboratorium van de Apotheek van het Onze-Lieve-Vrouwe Gasthuis, te Amsterdam;
- b.
het Laboratorium der Apotheek, Academisch Ziekenhuis Groningen te Groningen.
Het Nederlands Forensisch Instituut zendt het laboratorium dat het tegenonderzoek verricht, tenminste 1 milliliter bloed of urine.
Met de in deze regeling bedoelde apparatuur en onderzoeksmaterialen worden gelijkgesteld apparatuur en onderzoeksmaterialen, die rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en die tenminste aan gelijkwaardige technische eisen voldoen.
Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten krachtens de Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 1997, 129) vastgestelde besluiten op deze regeling.
De Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 1997, 129) wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bloed- en urineonderzoek.
Alcohol2.
Pipetten en maatkolven welke voldoen aan NEN 1753 en NEN 1750.
Alcohol wordt verdund met vers uitgekookt en weer bekoeld water tot ongeveer 40 gewichtsprocenten. De relatieve dichtheid van deze oplossing, bij 20°C betrokken op water van 20°C, wordt met behulp van een pyknometer in vijfvoud bepaald. Het is toegestaan om een andere methodiek te gebruiken mits deze even nauwkeurig is als de pyknometrische. Uit het gemiddelde van deze gevonden waarden wordt het alcoholgehalte in vier cijfers gevonden met behulp van een alcoholtabel volgens Osborne3.
Ongeveer 60 gram van deze oplossing wordt nauwkeurig afgewogen en overgebracht in een maatkolf van 500 ml. De maatkolf wordt aangevuld tot 500 ml met vers uitgekookt en weer bekoeld water. Uit de op deze wijze verkregen oplossing worden, door afpipetteren onder gebruikmaking van 10, 20, 25 en 50 ml pipetten en maatkolven van 500 en 1.000 ml, ten minste drie alcohol-standaardoplossingen bereid met nauwkeurig bekende gehaltes. Deze gehaltes bedragen ongeveer4 0,5, 1, 1,5, 2, 2,5 of 3 mg alcohol per ml oplossing. De maatkolven worden aangevuld met uitgekookt en weer bekoeld water, waaraan per liter 10 gram natriumfluoride wordt toegevoegd.
De standaarden moeten in geheel gevuld en goed afgesloten vaatwerk van glas bij ± 4°C bewaard worden, dan wel in ampullen worden overgebracht, die na dichtsmelten bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard. De standaarden mogen eerst gebruikt worden als zij dezelfde (kamer)temperatuur hebben aangenomen als de bloedmonsters. Na opening mogen deze standaarden niet langer dan één dag worden gebruikt.
Literatuur: D. Eskes, Blutalkohol, 6, 362 (1969).
De alcohol uit het monster laat men, in een gesloten vat via de dampfase, diffunderen in een reactiemengsel. Hierin wordt de alcohol, in zwak alkalisch milieu, door nicotine-amideadeninendinucleotide (NAD) met behulp van alcoholdehydrogenase (ADH) als katalisator, tot acetaldehyde geoxy-deerd, volgens de reactievergelijking:
C2H5OH + NAD =C2H40 + NADH + H+
Het bij deze reactie gevormde acetaldehyde wordt met behulp van semicarbazide weggenomen.
De hoeveelheid gevormd NADH is equivalent met de oorspronkelijk aanwezige hoeveelheid alcohol en kan fotometrisch bepaald worden bij de golflengte van maximale extinctie gelegen bij ongeveer 340 nm.
- 1.
Gedestilleerd- of gedemineraliseerd water, dat vrij is van stoffen, welke de reactie kunnen storen;
- 2.
Tetranatriumdifosfaat-decahydraat, semicarbazidehydrochloride, glycine, natriumhydroxide, ADH en NAD, alle pro-analysekwaliteit en vrij van stoffen die de bepaling kunnen storen;
- 3.
Blutalkohol U.V.-Test van Boehringer, of een andere daaraan gelijk-waardige combinatie van reagentia.
- 1.
Apparatuur voor het verdunnen en overbrengen van bloed, urine en waterige alcoholoplossingen (diluter);
- 2.
Reactievaatjes in de vorm van cylindertjes van zachte polypropyleen met inwendig holle deksel (als bijvoorbeeld Kartell 733/4) of Erlenme-ijer kolfjes met ingeslepen stop en ingesmolten glazen schaaltjes (zie tekeningen afgedrukt in de Staatscourant van 11 april 1978, nr. 70, bladzijde 7);
- 3.
Schijfjes van absorberend materiaal;
- 4.
Doseerpipet of dispenser voor het inbrengen van het reactiemengsel in de kolfjes of de reactievaatjes;
- 5.
Pipet van 50µl (met bijbehorende wegwerppunten) voor het afpipetteren van het verdunde bloedmonster;
- 6.
Spectrofotometer.
De kolfjes of de reactievaatjes dienen schoon en droog te zijn. In de holle deksel van ieder polypropyleen cylindertje of in het glazen schaaltje van ieder kolfje wordt een schijfje absorberend materiaal gebracht. Het reactiemengsel wordt bereid door toevoeging van 390 mg NAD en 100 mg ADH aan 1 liter waterige oplossing waarin 30 gram tetranatriumdifosfaat-decahydraat, 7,5 gram semicarbazidehydrochloride en 1,5 gram glycine is opgelost en die met natronloog op een pH van 8,7 is gebracht dan wel volgens een ander beproefd voorschrift. Het bloedmonster wordt in het ontvangen monsterbuisje goed gehomogeniseerd.
Met de doseerpipet of dispenser worden de kolfjes of de reactievaatjes voorzien van ongeveer 2 ml reactiemengsel, nauwkeurig gemeten5. Tegelijk wordt 5 µl bloed, nauwkeurig gemeten, op het schijfje absorberend materiaal overgebracht met ongeveer 90 µl water door middel van een diluter. Onmiddellijk wordt het kolfje of het reactievaatje gesloten. Vervolgens worden deze weggezet bij een temperatuur tussen 22°C en 37°C totdat de reactie kwantitatief is verlopen (circa 1,5 tot 3 uur).
Nadat de reactie heeft plaatsgevonden wordt van het reactiemengsel de extinctie gemeten bij 340 nm. Deze meting mag slechts worden uitgevoerd als er geen condens in de kolfjes of de reactievaatjes aanwezig is.
Ter ijking wordt de bepaling per dag per analist met drie verschillende alcoholstandaardoplossingen van bekend gehalte in, tenminste, drievoud op identieke wijze uitgevoerd. Deze alcoholstandaarden worden qua volgorde goed gespreid over de monsterreeks en zijn voorts qua gehalte aangepast aan de te verwachten bloedalcoholgehaltes6 Per twintig enkelvoudige bepalingen of minder wordt ten minste één blanco-oplossing in de reeks opgenomen.
De spectrofotometer wordt met water op nul ingesteld, waarna de extinctie van de blanco’s, de standaarden en monsters kan worden gemeten. Het extinctieverschil tussen blanco en water mag voor een weglengte van 1 cm en de gebruikte golflengte niet meer dan 0,1 bedragen. De golflengteschaal en de lineariteit van de fotometrische schaal van de gebruikte spectrofotometer dienen regelmatig te worden gecontroleerd.
Uit de metingen aan de verschillende standaarden wordt van het gehalte (Ps) en de daarbij gevonden extinctie, verminderd met de extinctie van de in de reeks meest nabij gelegen blanco, (Es) het quotiënt (q) berekend:
De waarden van q behorende bij één standaard worden gemiddeld
. Vervolgens wordt het gemiddelde van de drie gevonden
waarden berekend
De spreidingsbreedte (w) van de waarden
,
en
moet voldoen aan:
Is aan deze voorwaarde niet voldaan dan wordt de ijking verworpen.
Uit de gevonden waarde van
en de gemeten extinctie van het monster, verminderd met de extinctie van de blanco, (Ex) wordt het gezochte alcoholgehalte (Px) als volgt berekend:
Voor het aantal bepalingen per monster en de toe te passen correctie op de uitkomst, zie bijlage 2.
De bepaling kan worden uitgevoerd door het bloed vooraf te verdunnen. Hiertoe wordt 50 µl bloed, nauwkeurig gemeten, uit het monsterbuisje genomen en met water verdund met een constante factor gelegen tussen 1 tot 10 en 1 tot 15. Met behulp van een doseerpipet wordt 50 µl van dit verdunde bloed, nauwkeurig gemeten, overgebracht op het schijfje absorberend materiaal. De werkwijze is voorts gelijk als beschreven onder 2.4.
Literatuur: G. Machata, Blutalkohol 4, 252 (1967).
Onder 3.4 en 3.5 worden twee werkwijzen beschreven. Eén van deze werkwijzen moet worden gevolgd bij de gaschromatografische alcoholbepaling.
Het bloed wordt nauwkeurig verdund in een vaste verhouding van ongeveer 1 op 10 met water waaraan 1-propanol is toegevoegd. Alcohol en 1-propanol worden gaschromatografisch gescheiden. Het bloedalcoholgehalte wordt berekend op basis van de piekoppervlakken of piekhoogten waarbij 1-propanol als interne standaard dient. Piekhoogten mogen uitsluitend worden gebruikt voor de berekening indien de symmetriefactor tussen 0,95 en 1.05 ligt. In plaats van 1-propanol is het gebruik van een andere, geschikte verbinding als interne standaard toegestaan.
- 1.
Gedestilleerd- of gedemineraliseerd water, dat vrij is van stoffen, welke de reactie kunnen storen,
- 2.
Een waterige oplossing van 1-propanol (concentratie tussen 0,1 en 0,2 mg/ml), die geen stoffen bevat die de bepaling kunnen storen.
- 1.
Apparatuur voor het verdunnen en overbrengen van bloed, urine en waterige alcoholoplossingen (diluter);
- 2.
Gaschromatograaf uitgerust met een vlamionisatiedetector;
- 3.
Injectiespuit ten behoeve van de monsterintroductie in de gaschromatograaf;
- 4.
Recorder en integrator.
Het bloedmonster wordt in het ontvangen monsterbuisje goed gehomogeniseerd.
Er wordt een hoeveelheid bloed uit het monsterbuisje door middel van een diluter met een waterige 1-propanoloplossing in een constante verhouding van ongeveer 1 op 10 verdund. Van de aldus verkregen oplossing wordt een hoeveelheid van 0,5 à 5 µl in de gaschromatograaf gespoten. De kolom en de overige omstandigheden moeten zodanig worden gekozen dat alcohol en 1-propanol volledig worden gescheiden (resolutie ten minste 1,1). Ter ijking wordt per dag en per analist met drie verschillende alcoholstandaarden van bekend gehalte op identieke wijze de bepaling in, tenminste, drievoud uitgevoerd. Deze alcoholstandaarden worden qua volgorde goed gespreid over de monsterreeks en zijn voorts qua gehalte aangepast aan de te verwachten bloedalcoholgehaltes7.
De ijkfactor (y) wordt berekend uit het bekende gehalte Ps van de alcoholstandaard en de gemeten piekoppervlakken in het chromatogram van alcohol en 1-propanol volgens de formule:
De waarden van y behorende bij één standaard worden gemiddeld
. Vervolgens wordt het gemiddelde van de drie gevonden
-waarden berekend
.
De spreidingsbreedte (w) van de waarden
,
en
moet voldoen aan:
Is aan deze voorwaarde niet voldaan dan wordt de ijking verworpen. Het gemiddelde
wordt elke dag opnieuw bepaald. Uit de gemeten piekoppervlakken in het chromatogram van alcohol en 1-propanol én de gevonden waarde van
wordt het alcoholgehalte (Px) van het bloedmonster als volgt berekend:
De berekening mag ook worden uitgevoerd op basis van piekhoogten onder de voorwaarde geformuleerd in 3.1. Voor het aantal bepalingen per monster en de toe te passen correctie op de uitkomst, zie bijlage 2.
Het bloedmonster wordt in het ontvangen monsterbuisje goed gehomogeniseerd.
Er wordt een hoeveelheid bloed uit het monsterbuisje door middel van een diluter of een doseerpipet met wegwerppipetpunt met een waterige interne standaardoplossing in een constante verhouding van ongeveer 1 op 10 verdund. Van de aldus verkregen oplossing wordt een hoeveelheid van 0,5 à 5 μl in de gaschromatograaf gespoten. De kolom en de overige omstandigheden moeten zodanig worden gekozen dat alcohol en de interne standaard volledig worden gescheiden (resolutie ten minste 1,1). Ter ijking worden ten minste 6 alcoholstandaarden van bekend gehalte op identieke wijze gemeten. Deze alcoholstandaarden liggen qua gehalte verspreid over de te verwachten bloedalcoholgehaltes.
Berekeningen worden uitgevoerd op basis van piekoppervlakken. De berekening mag ook worden uitgevoerd op basis van piekhoogten indien de symmetriefactor tussen 0,95 en 1,05 ligt.
De concentratie in een monster wordt berekend aan de hand van een ijklijn, waarin is uitgezet het relatieve piekoppervlak (relatief ten opzichte van het oppervlak van de interne standaard) versus de ethanolconcentratie. De beste fit van de ijklijn wordt berekend met lineaire regressie.
Literatuur: D. S. Christmore et al; J. For. Sci. 29, 1038 (1984).
Het is toegestaan de gaschromatografische alcoholbepaling in bloed uit te voeren volgens het zogenaamde principe van head-space-chromatografie. Er moet dan rekening worden gehouden met optredende matrix-effecten, zodat de nauwkeurigheid van de bepaling niet wordt aangetast. De werkwijze is voorts analoog als beschreven onder 3. Bij head-space-chromatografie wordt een groter volume geïnjecteerd dan beschreven onder 3.
Voor de bepaling van het alcoholgehalte in urinemonsters kunnen de in deze bijlage onder 2, 3 en 4 beschreven bepalingsmethoden voor bloed ongewijzigd worden toegepast.
De urine-alcoholgehaltes worden gemiddeld en gecorrigeerd. Voor het aantal bepalingen per monster en de toe te passen correctie op de uit komst, zie bijlage 2. Bedraagt het zo verkregen urine-alcoholgehalte (u.a.g.) 1,00 mg/ml of meer dan kunnen een onderste en een bovenste grens van het bloedalcoholgehalte (b.a.g.) daaruit als volgt worden berekend.
Onderste grens b.a.g. =
Bovenste grens b.a.g. =
De kans dat het werkelijke bloedalcoholgehalte nog lager respectievelijk hoger ligt, dan de aldus berekende bloedalcoholgehaltes is voor beide gevallen 1%. Deze berekeningen worden niet uitgevoerd bij een u.a.g. welke kleiner is dan 1,00 mg/ml.
Elk monster wordt op twee verschillende apparaten in tweevoud gemeten of via een apparaat met twee verschillende chromatografische condities in tweevoud per conditie gemeten. Hiervoor worden de in bijlage 1 beschreven methoden gebruikt. Op basis daarvan ontstaan 4 meetresultaten.
Het laboratorium waarborgt de chain of custody van de monsters en kan deze achteraf aantonen.
Van de vier uitkomsten, die zijn verkregen bij het meten van een bloedmonster, wordt het gemiddelde berekend (x, n = 4). Van dit gemiddelde wordt een correctie8 afgetrokken welke gelijk is aan 6% van het gevonden gemiddelde, waarbij rekening is gehouden met de maximaal toelaatbare variatiecoëfficiënt van 4% van de methode en het aantal uitkomsten:
gecorrigeerde gehalte 0,94 •x (n = 4).
Indien op verzoek van de verdachte in een daarvoor aangewezen laboratorium een tegenonderzoek wordt verricht, past dit laboratorium, bij de correctie van een bepalingsuitkomst, de in 2.1 genoemde correctie van 6% van het gemiddelde der vier waarnemingen toe. Wel dient de deskundige, die het tegenonderzoek heeft verricht, uit de in zijn laboratorium verkregen vier uitkomsten de variatiecoëfficiënt
te berekenen volgens:
en vast te stellen dat deze niet groter is dan 7,5%.
Voor de berekening van de theoretische standaardafwijking van de binnen het NFI toegepaste bepalingsmethode(n) wordt uitgegaan van de uitkomsten, die in de routine zijn verkregen bij vijftig monsters bloed. De. alcoholgehaltes daarvan moeten goed verdeeld liggen over het gehele bepalingsgebied, maar dienen groter te zijn dan 0,4 mg/ml. Elk monster is daarbij in viervoud gemeten. De bepalingsresultaten moeten zijn afgerond volgens de regels gegeven in NEN 1047 blad 2.1.
Uit de zo verkregen honderd waarnemingen van iedere analist wordt de variatiecoëfficiënt berekend door het uitvoeren van een logaritmische transformatie van de waarnemingen9. De waarden van de aldus verkregen variatiecoëfficiënten mogen niet groter zijn dan 4%.
Daar de variatiecoëfficiënt bijdragen bevat, die afhankelijk zijn van de individuele werkwijze van de betrokken analisten, dient de waarde daarvan regelmatig te worden gecontroleerd.
Voor de berekening van de theoretische standaardafwijking van de binnen het NFI toegepaste bepalingsmethode(n) wordt uit gegaan van de uitkomsten, die in de routine zijn verkregen bij vijftig monsters bloed. De alcoholgehaltes daarvan moeten goed verdeeld liggen over het gehele bepalingsgebied maar dienen groter te zijn dan 0,4 mg/ml. Elk monster is daarbij in viervoud gemeten. De bepalingsresultaten moeten afgerond zijn volgens de regels beschreven in NEN 1047 blad 2.1. Uit de zo verkregen honderd waarnemingen van iedere analist wordt de standaardafwijking berekend volgens NEN 1047 blad 3.3.
Uit de standaardafwijkingen worden de variatiecoëfficiënten berekend, welke over het gehele bepalingsgebied niet groter dan 4% mogen zijn. Daar de standaardafwijkingen bijdragen bevatten, die afhankelijk zijn van de individuele werkwijze van de betrokken analisten, dient de waarde daarvan regelmatig te worden gecontroleerd.
Als criteria voor het optreden van een uitschieter onder de vier bepalingsuitkomsten van een alcoholbepaling in een bloedmonster geldt, dat de spreidingsbreedte van de vier uitkomsten niet groter mag zijn dan 17% van de gemiddelde uitkomst. Bovendien mag het verschil tussen de gemiddelde resultaten van de 2 apparaten of tussen de gemiddelde resultaten van de afzonderlijke chromatografische condities niet groter zijn dan 12% van het gemiddelde van de vier uitkomsten. Indien blijkt dat aan deze criteria niet is voldaan dan dient de gehele bepaling te worden herhaald. Dit geldt ook voor het tegenonderzoek.
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie te Den Haag.
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie te Den Haag.