Ministeriële regeling · BWBR0019304

Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 december 2005, nr. LMV 2005.191530, Directie Lokale Milieukwaliteit en Verkeer, Afdeling Sturing Bodemsaneringsoperatie, houdende financiële bepalingen met betrekking tot bodemsanering (Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005)Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, tweede, derde en vijfde lid, 7, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 11, derde lid, 13, tweede lid, 20, 21, derde lid, 26, tweede lid, 28, 29, tweede lid, 41, eerste lid, 43, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen met toelichting; een volledig exemplaar van de regeling, inclusief de bijlagen zal aan alle budgethouders en bevoegde overheden worden gezonden. Daarnaast zal de volledige regeling inclusief de bijlagen ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van VROM en zal worden geplaatst op www.vrom.nl

Den Haag16 december 2005De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel

In deze regeling wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De ouderdom van de bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het besluit wordt bepaald aan de hand van het protocol dat is opgenomen in bijlage 6.

Het financieel verslag, bedoeld in artikel 21, tweede lid van het besluit, gaat vergezeld van een specificatie van de werkelijke saneringskosten, opgebouwd uit kostenposten zoals genoemd in bijlage 7.

De in artikel 11a, derde lid, genoemde saneringskosten betreffen de kostenposten zoals genoemd in bijlage 7.

Vervallen

In het geval, bedoeld in artikel 40a, eerste lid, van het besluit, legt de eigenaar of erfpachter tezamen met het verzoek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van het besluit een verklaring overeenkomstig het model in bijlage 8a bij deze regeling omtrent de minimis-steun over.

De activiteiten op het gebied van onderzoek en sanering, bedoeld in artikel 41, eerste lid van het besluit op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt, zijn:

De gegevens die dienen te worden verstrekt op grond van artikel 43 van het besluit zijn opgenomen in bijlage 9.

De Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2002, de Circulaire ouderdomsbepaling, Staatscourant 2002, 86 en de Circulaire procedure inzake verlaagde gemeentelijke bijdrage, Staatscourant 1994, 228, laatstelijk gewijzigd bij Staatscourant 2002, 14, worden ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit financiële bepalingen bodemsanering in werking treedt. Indien de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst later is gelegen dan de tweede dag vóór genoemd tijdstip, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. De artikelen 2 tot en met 7, 14 en 15 werken terug tot en met 1 januari 2005.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2025 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd op basis van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Ter bepaling of, en zo ja voor welk deel de verontreiniging op of in de bodem van een bedrijfsterrein is veroorzaakt vóór 1-1-1975

Inhoud

Van 2003 tot aan de inwerkingtreding van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering is het voor eigenaren en erfpachters van in bedrijf zijnde en blijvende bedrijfsterreinen mogelijk geweest om op grond van provinciale en gemeentelijke subsidieverordeningen subsidie aan te vragen tijdens het zogenaamde interimbeleid Bedrijvenregeling. Met de komst van het Besluit Financiële bepalingen bodemsanering is er een wettelijke verankering van de convenantsafspraken uit 2001. In het besluit wordt uitgegaan van een overheidsbijdrage voor de sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging veroorzaakt vóór 1-1-1975, waarbij in een beschikking bedoeld als in artikel 37, eerste lid van de Wet Bodembescherming is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dat spoedig dient te worden gesaneerd, dan wel waarbij de noodzaak tot sanering is ontstaan naar aanleiding van voorgenomen activiteiten op het desbetreffende bedrijfsterrein.

Ter uitwerking van artikel 11, eerste lid sub a van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering wordt de beoordelingswijze van het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' geregeld in dit protocol. Door het protocol te volgen wordt in twee stappen aantoonbaar gemaakt of, en zo ja voor welk deel, de verontreiniging op of in de bodem van een bedrijfsterrein voor 1-1-1975, is veroorzaakt. Tijdens het interimbeleid werd voor deze bepaling van de ouderdom gebruik gemaakt van de Circulaire Ouderdomsbepaling. De Circulaire wordt vervangen door het voorliggende protocol, waarin een vereenvoudiging is doorgevoerd: stap 3 en 4 uit de Circulaire worden niet meer toegepast.

Dit protocol is bestemd voor:

Met het protocol wordt de 'veroorzaking vóór 1975' van gevallen van bodemverontreiniging – conform de definitie van de Wet bodembescherming – beoordeeld en als zodanig vastgesteld. Aan de kenmerken van een bodemverontreiniging zelf is zelden eenvoudig en eenduidig te bepalen wanneer de verontreinigende stoffen in de bodem zijn terechtgekomen. Of en zo ja voor welk deel de verontreiniging is veroorzaakt vóór 1-1-1975 wordt bepaald op basis van gegevens over de bedrijfsvoering (processen, gebruik van stoffen of eventueel gebeurtenissen of incidenten). Het protocol ter bepaling van de ‘veroorzaking vóór 1975’ bestaat uit twee stappen, die worden genomen op basis van algemene (historische) informatie over de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen (de periode van mogelijke veroorzaking staat centraal). De initiatiefnemer en het bevoegd gezag vullen hiertoe één formulier in. Het ingevulde en door partijen voor akkoord ondertekende formulier geeft onderbouwing aan de feitelijke aanvraag voor een bijdrageverlening in het kader van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

Tot het protocol behoort een verplicht formulier ouderdomsbepaling (zie hoofdstuk 5) bestaande uit de volgende onderdelen:

Het bevoegd gezag heeft de taak om te beoordelen of de door de initiatiefnemer aangeleverde informatie voldoet. Tevens heeft het bevoegd gezag de taak om vast te stellen – nadat zij de informatie heeft beoordeeld – of en zo ja voor welk deel de verontreiniging vóór 1-1-1975 is veroorzaakt. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of zij zelf informatie in wil brengen als aanvulling op de informatie die door de initiatiefnemer wordt verschaft.

Algemene informatie is nodig bij het bevoegd gezag ten behoeve van de registratie en de administratieve verwerking van de aanvraag de ouderdom vast te stellen. Het gaat hierbij om algemene bedrijfsgegevens, de locatiegegevens en een omschrijving van het (vermoedelijke) geval van bodemverontreiniging. Indien de initiatiefnemer bekend is met de gevraagde topografische coördinaten en de bedrijfscodering dan kan de initiatiefnemer ook deze gegevens al op het formulier invullen (bij coördinaten en UBI-code).

De informatievoorziening te verzorgen door de initiatiefnemer bestaat in stap 1 uit het nagaan of de betreffende verontreinigingssituatie bestaat uit stoffen die voorkomen op de ‘Lijst met stoffen en processen, waarbij algemeen bekend is dat deze uitsluitend een toepassing kenden vóór 1-1- 1975 (categorie 1) of een toepassing kenden zowel voor als na 1-1-1975 (categorie 2) of uitsluitend op of na 1-1-1975 (categorie 3)’. Hierna te noemen De Stoffenlijst (zie hoofdstuk 4). Ook gaat de initiatiefnemer na of op grond van de actuele kennis, bijvoorbeeld binnen een uitge- voerd bodemonderzoek, al een ouderdom bepaald of bekend is.

Verontreinigingsvlekken die ruimtelijk geheel of gedeeltelijk van elkaar gescheiden zijn en ieder een verschillende oorzaak kennen zijn in beginsel aan te merken als verschillende gevallen van ernstige verontreiniging. Op een bedrijfsterrein kunnen zich daarom meerdere gevallen van bodemverontreiniging voordoen, die ook verschillend kunnen worden beoordeeld en aangepakt, zelfs als deze elkaar overlappen. Een voorbeeld betreft een bedrijfsterrein waarop zich een verontreinigde ophooglaag bevindt boven een er niet mee samenhangende mobiele verontreiniging in de ondergrond. Indien de verontreinigingssituatie binnen het onderzoeksgebied bestaat uit meerdere gevallen van bodemverontreiniging, wordt voor de individuele gevallen vastgesteld of het gaat om de voor de ouderdomsbepaling maatgevende stoffen en of deze stoffen voorkomen op de Stoffenlijst. In deze situatie wordt per geval het formulier voor stap 1 ingevuld. Om onderscheid in gevallen te kunnen maken zijn de resultaten van een gericht historisch en/of verkennend onderzoek noodzakelijk. Het betreffende onderzoek dient een minimaal kwaliteitsniveau te bezitten zoals beschreven in de NVN 5725 'Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek', dan wel de NEN 5740 'Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek'.

Indien er sprake is van verontreiniging door een categorie 2 stof zal de initiatiefnemer op basis van de ontstaansperiode van de verontreiniging per geval moeten aantonen dat en zo ja in welke mate de betreffende verontreiniging voldoet aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975'. Hierbij worden begin en einde van de operationele periode van bedrijfsvoering met de betreffende verontreinigende stoffen genomen als maatstaf voor de beoordeling. Van belang zijn de "potentieel bodemverontreinigende activiteiten" (pba’s) en de modale situatie ten aanzien van de bedrijfsvoering. De potentieel bodemverontreinigende activiteiten zijn activiteiten die een geval van bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, zoals productie, op- en overslag van stoffen.

Volgens onderstaande formule wordt rekenkundig bepaald in welke mate aan het criterium van ‘veroorzaking vóór 1975’ is voldaan. De berekening is als volgt gedefinieerd:

P0 is aantal jaren van de start productieproces vóór 1-1-1975

P1 is het aantal jaren in de periode 1-1-1975 – 31-12-1980 (maximaal 6 jaar)

P2 is het aantal jaren in de periode 1-1-1981 – 31-12-1986 (maximaal 6 jaar)

De weegfactoren, x en y geven de omvang van de "potentieel bodemverontreinigende activiteiten" (pba’s) voor de betreffende periode weer t.o.v. de periode vóór 1-1-1975. De weegfactoren hebben de waarde 1 indien de omvang van de pba’s voor de betreffende periode gelijk is aan die van periode vóór 1-1-1975. De standaardwaarden 0,5 en 0,2 horen bij een modale situatie van bedrijfsvoering van respectievelijk de periodes 1-1-1975 tot 31-12-1980 en 1-1-1981 tot 31-12-1986.

Voorbeelden

De initiatiefnemer zorgt voor verifieerbare historische informatie met betrekking tot de periode van het gebruik of de toepassing van bodemverontreinigende stoffen, de momenten waarop zich belangrijke gebeurtenissen en/of incidenten hebben voorgedaan, de bedrijfsvoering is aangepast en/of preventieve (bodembeschermende) voorzieningen zijn aangebracht. Voor invulling van stap 2 van dit protocol, is een gericht historisch onderzoek noodzakelijk met een minimale kwaliteitsstandaard conform de NVN 5725 en met specifieke aandacht voor bedrijfsprocessen en procesveranderingen, het gebruik van stoffen (binnen de processen) inclusief de periode van toepassing en de precieze plaats(en), de bedrijfsinrichting en de veranderingen daarvan in de tijd inclusief aanwezige (bodembeschermende)-voorzieningen, de voormalige en huidige potentieel bodembelastende bedrijfsactiviteiten, etc. De resultaten van een daarop aansluitend Verkennend Onderzoek (conform NEN5740) kunnen voor een betere onderbouwing zorgen.

Het bevoegd gezag en de initiatiefnemer dienen na te gaan of er voor de betreffende categorie ver- ontreinigingen op brancheniveau, of anderszins meer generiek, afspraken zijn gemaakt over afwijkende weegfactoren en/of standaardwaarden en deze waarden in de betreffende situatie toegepast kunnen worden. De berekeningen worden per geval uitgevoerd.

Het bevoegd gezag voert een check uit op de volledigheid van de verstrekte informatie en vult de algemene gegevens indien van belang aan, bijvoorbeeld voor de invoering van het geval in het provinciale registratiesysteem voor gevallen van bodemverontreiniging (GLOBIS). Het bevoegd gezag stelt vast of de opgegeven verontreinigende stoffen inderdaad als bepalend kunnen worden beschouwd voor de vaststelling van het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' en beoordeelt de aanvraag door een controle van aangeleverde informatie aan de hand van de Stoffenlijst. Indien van toepassing beoordeelt het bevoegd gezag de aangeleverde historische informatie of de resultaten van aangeleverde onderzoeken, waaruit de ontstaanswijze uit eenmalige gebeurtenissen of incidenten is afgeleid.

Indien ook stap 2 is ingevuld, beoordeelt het bevoegd gezag de aangeleverde historische informatie of de resultaten van aangeleverde onderzoeken, waarbij de ouderdom van de verontreiniging is bepaald en waarin de grondslagen voor berekeningen staan vermeld, of waaruit de ontstaanswijze van gebeurtenissen of incidenten is afgeleid. Het bevoegd gezag kan de initiatiefnemer verzoeken om aanvullende informatie te leveren in geval van onvolledigheid of onduidelijkheid van de aanvraag. Het bevoegd gezag legt haar oordeel vast op het formulier onder stap 2.

Het bevoegd gezag vult de eindconclusie in. Het ambtelijk eindoordeel wordt aan de initiatiefnemer kenbaar gemaakt door middel van toezending van de ingevulde informatiebladen en het ondertekende statusblad.

Als het bevoegd gezag gegronde redenen aanwezig acht om te twijfelen aan de gegevens dan kan het bevoegde gezag zelf onderzoek doen. Dit onderzoek is er dan op gericht om aan te tonen dat bijstelling van de weegfactoren en/of standaardwaarden in de rekenformule gezien de specifiek geldende omstandigheden gerechtvaardigd is. De aanvrager wordt van het voornemen van dit eigen, gevalsspecifieke, onderzoek door het bevoegd gezag in kennis gesteld. Binnen een termijn van 13 weken wordt het resultaat van dit onderzoek aan de aanvrager kenbaar gemaakt met een onderbouwing van de door het bevoegd gezag gehanteerde weegfactoren en/of standaardwaarden. Na aanlevering van het aanvullende onderzoeksrapport beoordeelt het bevoegd gezag de resultaten ervan binnen een termijn van 13 weken en betrekt deze bij het definitieve besluit over het criterium van 'veroorzaking vóór 1975'.

Lijst met stoffen en processen, waarbij algemeen bekend is dat deze uitsluitend een toepassing kenden vóór 1-1-1975 (categorie 1) of een toepassing kenden zowel voor als na 1-1-1975 (categorie 2) of uitsluitend op of na 1-1-1975 (categorie 3). Deze lijst is in ontwikkeling, en kan in de loop van de tijd eventueel worden uitgebreid met stoffen en/of processen waarvan bijvoorbeeld bij de evaluatie van het ouderdomsprotocol blijkt dat ze altijd in de regeling vallen. Onderstaande lijst geeft de stand van zaken op 1-4-2002 weer. De lijst is niet limitatief. Het eerste deel van de lijst kent een opsomming van stoffen welke in het UBI systeem worden gebruikt. UBI staat voor Uniforme BronIndeling potentieel bodembedreigende activiteiten en is de landelijke standaardcode waarmee bodembedreigende activiteiten door de overheid worden beschreven. Het tweede deel van de lijst is gebaseerd op de indeling van stoffen waarvoor een interventiewaarde bekend is.

Jaar:

Budgethouder:

Aanvraag bijdrageverlening (obv conceptbeschikking van bevoegd gezag) +

melding binnengekomen aanvra(a)g(en) voor subsidie voor de sanering van een in gebruik zijnd en blijvend bedrijfsterrein.

Verordening nr. 994/98 kent de Europese Commissie de bevoegdheid toe bij verordening een drempel vast te stellen waaronder steunmaatregelen worden geacht niet aan de criteria van artikel 87, lid 1 van het EG-verdrag te voldoen, en derhalve niet hoeven te worden aangemeld conform het bepaalde in artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag. Deze verordening betreft de de-minimisverordening nr. 1998/2006 van 15 december 2006.4

Er moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De Europese Commissie ziet erop toe dat deze staatssteunregels worden nageleefd en de voorwaarden in acht worden genomen.

Eén van de voorwaarden is dat het totale bedrag van de-minimissteun die is verleend aan één onderneming niet hoger mag zijn dan € 200.000 over een periode van drie belastingjaren. Dit plafond is van toepassing ongeacht de vorm van de steun en ongeacht het daarmee beoogde doel. Voor de sector wegvervoer bedraagt het plafond € 100.000.

Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming alsmede aan het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort5

1 januari 20.... (jaartal 2 belastingjaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ............ ............... 20.... (datum van ondertekening van deze verklaring) eerder de-minimissteun (in welke vorm of voor welk doel dan ook) is verleend (of het al daadwerkelijk is uitbetaald doet niet terzake) tot een totaal bedrag van € .........................................................

Een kopie van gegevens waaruit het verlenen van de-minimissteun blijkt wordt bijgaand verstrekt.

1 januari .... (jaartal 2 belastingjaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ........... ................ 20.... (datum van ondertekening van deze verklaring) niet eerder de-minimissteun is verleend.

Tevens verklaart ondergetekende dat de hierna genoemde onderneming niet werkzaam is in één van de in art. 1, lid 1, de-minimisverordening uitgezonderde sectoren (zie toelichting).

Aldus volledig en naar waarheid ingevuld door:

....................................................................................................................................(bedrijfsnaam)

............................................................................................................(naam functionaris en functie)

...............................................................................................................................................(adres)

.................................................................................................................(postcode en plaatsnaam)

...............................................(datum)........................................................................(handtekening)

Toelichting modelverklaring de-minimissteun

Deze toelichting dient als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan de toelichting kunnen geen rechten worden ontleend. De de-minimisverordening nr. 1998/2006 is bepalend.

Niet aanmeldingsplichtig voor staatssteun is de overheidsbijdrage die voldoet aan de Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de-minimissteun (Pb EU 2006, L 379/5) (hierna: de-minimisverordening). Steun, waarvan het bedrag over een periode van drie jaar voor een onderneming niet uitgaat boven € 200.000 valt krachtens die verordening niet onder artikel 87 EG. Voor wegvervoer geldt een plafond van € 100.000. Voor de toepassing van de verordening gelden strenge regels over cumulering en controle.

Het begrip ‘onderneming’ is in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omschreven als ‘elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd’ (Höfner arrest 23 april 1991 in zaak C-41/90, Jur. 1991, I-1797). Niet alleen privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen derhalve een onderneming vormen, ook een publiekrechtelijke instelling kan als zodanig worden aangemerkt, terwijl daarbij ook niet de eis van de eigen rechtspersoonlijkheid gesteld mag worden. Onder 'economische activiteit' moet worden verstaan 'het aanbieden van goederen en diensten op de markt' (arrest van 16 juni 1987 in zaak C-118/85, Jur. 1987, I-2619).

Voor de bepaling of er sprake is van een onderneming in Europeesrechtelijke zin is samengevat van belang:

Ad 1. Om bepaalde activiteiten als ondernemingsactiviteiten te bestempelen zijn van belang de aard van de activiteiten, hun doel en de regels waaraan zij zijn onderworpen. Er is een onderscheid tussen het uitoefenen van overheidsgezag en het verrichten van economische activiteiten van industriële of commerciële aard (Diego Cali arrest 18 maart 1997 in zaak C-243/95, Jur. 1997, I-1547). Bij het uitoefenen van overheidsgezag is niet van belang of de Staat rechtstreeks via een tot het openbaar bestuur behorend orgaan handelt dan wel via een lichaam waaraan hij bijzondere of exclusieve rechten heeft verleend. Centraal staat de onderneming die uiteindelijk feitelijk profiteert van de steunverlening, dat wil zeggen de onderneming die een voordeel geniet dat onder normale marktcondities niet zou zijn genoten.

Ad 2. Tevens is van belang of er sprake is van een activiteit in concurrentie met andere ondernemingen. Zo is een orgaan zonder winstoogmerk dat een economische activiteit in concurrentie met andere ondernemingen uitoefent als 'onderneming' aan te merken (FFSA-arrest 16 november 1995 in zaak C-244/94, Jur. 1995, I-4013).

De de-minimisverordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen wordt verleend in alle sectoren. Er gelden uitzonderingen voor de volgende vormen van steun:

Ten aanzien van de periode van de-minimissteun is een aantal aspecten van belang:

De toetsing of de onderneming voldoet aan de voorwaarde aangaande de periode van reeds verleende de-minimissteun vindt mede plaats aan de hand van de verklaring die de onderneming daarover voorafgaand moet invullen.

Het steunplafond van € 200.000 (respectievelijk € 100.000) wordt als subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die worden gebruikt, zijn brutobedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Indien steun in een andere vorm dan subsidie wordt verleend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun (zie art. 2, leden 3 en 4, de-minimisverordening).

Het is voor de kenbaarheid van belang dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen dat het de-minimissteun betreft. Bij een eventueel volgend verzoek om de-minimissteun voor een ander doel (voor hetzelfde doel is niet toegestaan) zal het bedrijf aan de daarvoor bevoegde overheid informatie over deze de-minimissteun moeten verstrekken. Bij iedere verlening van de-minimissteun zal opnieuw een toets op de voorwaarden van de de-minimisverordening moeten worden uitvoerd.

Mocht door een opeenstapeling van de-minimissteun de gestelde grens mogelijk worden overschreden, dan mag het laatst verstrekkende orgaan geen de-minimissteun verlenen of zal het laatst verstrekkende orgaan (indien na het verlenen van een bijdrage blijkt dat de onderneming onjuiste informatie heeft gegeven) het voordeel geheel moeten terugvorderen.

De lidstaten verzamelen en bewaren alle informatie die betrekking heeft op de toepassing van de de-minimisverordening. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om na te gaan of aan de voorwaarden van de de-minimisverordening is voldaan. Deze dossiers moeten tien jaar worden bewaard. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat alle informatie over verleende de-minimissteun verstrekken.

1 Gegevens worden niet gebruikt voor de concrete werkvoorraad

1 Gegevens worden niet gebruikt voor de concrete werkvoorraad

2 Gegevens worden niet gebruikt voor de concrete werkvoorraad

NB: De concrete werkvoorraad wordt bepaald op basis van LDB-vervolg; er vindt een indeling plaats in (potentieel) ernstig en urgent; daarnaast een segmentering op basis van xy-coördinaten. Voor locaties die nog in het HBB bestand staan vindt de telling plaats op basis van het lege jaar-veld.