Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 14 oktober 2008, nr. DJZ/BR-0934/08, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Daey Ouwens Fonds voor kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten)Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Daey Ouwens Fonds) De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, namens deze: de plv. Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, J.Brandt

Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de realisering van het eerste en zevende internationale Millennium Ontwikkelingsdoel in 2015, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 juli 2011, met dien verstande dat het besluit blijft gelden voor subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bij de behandeling van de begrotingsvoorstellen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2006/2007 in de Tweede Kamer is op 31 oktober 2006 het amendement van de leden Ferrier en Samsom aangenomen. Dit amendement beoogt het vrijmaken van gelden ter bevordering van kleinschalige projecten op het gebied van duurzame en arbeidsgenererende energievoorziening in ontwikkelingslanden. Het betreft de besteding van beleidsmatig nog niet ingevulde middelen voor beleidsartikel 4.3 van de begrotingsstaten (Ondernemersklimaat ontwikkelingslanden). Het amendement beoogt een aanzet te geven tot een vergelijkbare besteding in de jaren na 2007. De onderhavige beleidsregels zijn mede ingegeven door dit amendement.

De internationaal overeengekomen leidraad voor ontwikkeling wordt gevormd door de acht Millennium Development Goals (MDG’s). Het Nederlandse kabinet heeft deze Millennium Ontwikkelingsdoelen onderschreven. In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV is afgesproken dat Nederland zich extra zal inzetten om de achterstanden bij het behalen van deze doelen in 2015 te verminderen. De MDG’s luiden als volgt:

De ontwikkeling van kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten in ontwikkelingslanden past binnen het millenniumdoel 1: het terugdringen van extreme armoede. De opzet van kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten zal op de lokale of landelijke economie van ontwikkelingslanden een stimulerend effect hebben, niet alleen door de spin off van de toegenomen beschikbaarheid van energie, maar ook door de toename van de werkgelegenheid die de uitvoering en de exploitatie van de projecten met zich mee zal brengen. Voorts dragen de toepassing van kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten bij aan millenniumdoel 7: zorgen voor een duurzaam leefmilieu.

Armoedebestrijding is het hoofddoel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. In Afrika bedraagt het inkomen voor 300 miljoen mensen niet meer dan 1 euro per dag. Daaruit blijkt hoe serieus de armoede is.

Het doel van de subsidieverstrekking uit het Daey Ouwens Fonds is om meer mensen in een aantal van de Minst Ontwikkelde Landen in sub Sahara Afrika toegang tot energie te geven door de bevordering van kleinschalige energieprojecten op het gebied van hernieuwbare- en arbeidsgenererende vormen van energievoorziening. Daarmee wordt een bijdrage aan de armoedebestrijding in deze landen gegeven. Het betreft de landen Tanzania, Oeganda, Rwanda, Mozambique, Senegal en Mali.

Onder hernieuwbare energie wordt in het kader van deze beleidsregels verstaan: zonne-energie, windenergie, energie uit duurzame biomassa voor lokaal gebruik, energie uit mini-waterkrachtopwekking en energie opgewekt door spierkracht.

De subsidie op grond van het Daey Ouwens Fonds wordt verleend binnen het raam van de geldende Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. De subsidieverstrekking wordt in mandaat namens de Minister van Buitenlandse Zaken uitgevoerd door Agentschap NL, agentschap van het Ministerie van Economische Zaken.

Het totaal voor het Daey Ouwens Fonds beschikbare subsidieplafond is opgehoogd naar € 22.475.000,− (was € 18.500.000,−). Van het voor de eerste twee tenders beschikbare bedrag van € 18.500.000,− is € 4.395.783,− niet benut of vrijgevallen, zodat het resterende bedrag voor de derde tender € 8.370.783,− bedraagt.

In aanvulling op het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 geldt voor subsidiëring uit deze middelen de navolgende bepalingen.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit het Daey Ouwens Fonds dient een project een samenhangend geheel van activiteiten te zijn, passend binnen de doelstelling van deze beleidsregels zoals hiervoor beschreven. De subsidie staat open voor alle beschikbare technologieën, maar bij de verdeling van de subsidiemiddelen over de ingediende projecten wordt een evenwichtige spreiding van de verschillende technologieën nagestreefd (zie het rangschikkingscriterium in paragraaf 10, onder e).

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een project direct en blijvend toegang tot hernieuwbare energie te verschaffen aan huishoudens, kleinschalige bedrijven, scholen, medische centra, telecommunicatie of IT installaties en vergelijkbare afnemers. Het enkel investeren in hernieuwbare-energievoorzieningen is dan ook niet voldoende, maar dient onderdeel te zijn van een groter geheel waarin ook zaken als toegang, onderhoud en beheer van de hernieuwbare-energievoorziening worden geregeld.

Ook de hierna genoemde ondersteunende activiteiten zijn op zichzelf genomen niet voldoende om voor subsidie in aanmerking te komen, maar kunnen wel een belangrijke bijdrage aan het project leveren en er als zodanig deel van uitmaken:

Aanvragers van subsidie kunnen ondernemingen, NGO’s, kennisinstellingen of lagere overheden zijn. Een aanvrager of een samenwerkingsverband waar die aanvrager deel van uitmaakt, kan per openstellingsperiode slechts één aanvraag voor één project indienen.

Een NGO, een non-gouvernementele organisatie, is een organisatie met rechtspersoonlijkheid, onafhankelijk van de overheid, die zich richt op een of meer maatschappelijk belangen in het kader van het bevorderen van ontwikkelingswerk in ruime zin. In het kader van de onderhavige beleidsregels dient de NGO zich (mede) te richten op armoedebestrijding en/of milieudoelstellingen.

Het begrip ‘kennisinstelling’ omvat de Nederlandse universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de onderwijsinstellingen bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede de geheel of gedeeltelijk met overheidsgelden gefinancierde onderzoeksinstituten, voor zover niet reeds bedoeld in de WHW, zoals de grote technologische instituten, TNO, NWO e.d. Ook andere instellingen buiten Nederland kunnen door de Minister als kennisinstelling in de zin van deze beleidsregels worden aangemerkt. Dat kan elke andere instelling betreffen die relevante en kwalitatief gelijkwaardige onderwijs- of onderzoeksactiviteiten ontplooit als Nederlandse kennisinstellingen.

Het begrip ‘lagere overheden’ omvat alle op lokaal of regionaal niveau opererende overheidsstructuren, derhalve niet de nationale structuren.

De subsidie aan een aanvrager die op het moment van de aanvraag niet reeds tenminste twee jaar gevestigd is in het land waar het project wordt uitgevoerd, wordt uitsluitend verleend indien ten minste één lokale partner actief bij het project is betrokken. Een lokale partner is een partij die:

Aanvragers als bedoeld in de vorige paragraaf kunnen besluiten een project gezamenlijk met andere partners in een samenwerkingsverband uit te voeren. Onder samenwerkingsverband wordt hier verstaan: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband zonder winstoogmerk, bestaande uit ten minste twee rechtspersonen of lagere overheden.

Ingeval er sprake is van een project dat door een samenwerkingsverband zal worden uitgevoerd geldt ten aanzien van subsidieaanvragen en subsidieverstrekking het volgende:

De subsidie wordt door één deelnemer van het samenwerkingsverband aangevraagd. Per samenwerkingsverband kan er slechts één aanvrager/subsidieontvanger zijn. Deze subsidieontvanger, tevens penvoerder, is jegens de Minister ten volle aansprakelijk voor de naleving van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ook indien de subsidie mede strekt tot bekostiging van andere deelnemers in het samenwerkingsverband dan deze aanvrager zelf of de activiteiten (deels) worden uitgevoerd door een andere deelnemer dan de aanvrager. Omdat de subsidieontvanger voor de naleving van die verplichtingen mede afhankelijk is van zijn partners in het samenwerkingsverband, moet die medewerking expliciet in een samenwerkingsovereenkomst gewaarborgd zijn. Op die wijze wordt de nakoming van de verplichtingen van de aanvrager/subsidieontvanger jegens de Minister gewaarborgd.

Voor zover de subsidie mede strekt tot bekostiging van andere partijen in het samenwerkingsverband dan de partij die aanvrager en subsidieontvanger is, moet dat blijken uit de subsidieaanvraag. De aanvraag dient inzicht te bieden in ieders aandeel in de uitvoering van de activiteiten en de daarmee gemoeide kosten. In de beschikking tot subsidieverlening zal worden bepaald dat de subsidieontvanger een deel van de middelen ter beschikking moet stellen aan diens partners. Dat maakt die partners in economische zin tot subsidieontvangers – ook al zijn ze dat in de relatie tot de Minister niet – en niet tot ‘onderaannemers’.

Geen subsidie wordt verleend ten behoeve van activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks of middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken subsidie is of wordt verleend. Dat betekent dat uit het Daey Ouwens Fonds geen subsidies worden verleend voor activiteiten die al door de Minister worden gesubsidieerd of waarvoor reeds een bijdrage is ontvangen van een door de Minister gesubsidieerde organisatie en die bijdrage wordt betaald uit de subsidie van de Minister aan die derde organisatie.

Voor een project waarvoor reeds rechtstreeks subsidie is verstrekt door een ander Nederlands bestuursorgaan of door de Europese Commissie kan slechts aanvullend subsidie worden verkregen tot in totaal het bedrag dat onder deze beleidsregels aan subsidie kan worden verstrekt.

Voorts wordt geen subsidie verstrekt aan een organisatie die reeds een instellingssubsidie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangt als bedoeld in Afdeling 3 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het is de bedoeling dat de aanvragers van subsidie met goed doordachte en uitgewerkte projectideeën komen, waaraan zij zelf substantieel met kennis, geld, netwerken en menskracht bijdragen. De subsidies op grond van deze beleidsregels zijn niet bedoeld als enige dan wel grootste financiële bijdrage aan een concreet project.

De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele projectkosten tot een maximum subsidie van € 1.500.000,− per project. In geval van een samenwerkingsverband wordt 50 procent van de subsidiabele kosten van elke deelnemer van het samenwerkingsverband afzonderlijk in aanmerking genomen tot in totaal, voor alle deelnemers gezamenlijk, de genoemde maximum subsidie per project.

Als subsidiabele projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de aanvrager of door de partijen van het samenwerkingsverband gemaakte kosten:

Alle kosten worden exclusief omzetbelasting in aanmerking genomen, tenzij de partij die de kosten maakt de omzetbelasting niet kan verrekenen of anderszins kan compenseren.

Uitdrukkelijk uitgesloten van de subsidiabele projectkosten zijn de voorbereidingskosten van het project voor Clean Development Mechanism als bedoeld in artikel 12 van het Kyoto Protocol in verband met de voorgenomen verkoop van uitstootrechten wegens de door het project verminderde CO2-uitstoot.

Om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Daey Ouwens Fonds voor kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten dient een aanvraag in elk geval te voldoen aan de volgende drempelcriteria:

De Minister rangschikt de aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria als bedoeld in onderdeel 9 en aan de overige voorwaarden uit deze beleidsregels. De rangschikking geschiedt zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen, genoemd in artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en zoals uitgewerkt in deze beleidsregels. Bij de rangschikking worden, onverminderd het bepaalde in artikel 8 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, de hiernavolgende criteria gehanteerd. Een aanvraag dient om in aanmerking te komen voor subsidie bovendien voldoende te scoren op deze criteria.

Indien meerdere projecten van dezelfde technologie kunnen worden gerangschikt, wordt bij de definitieve rangschikking rekening gehouden met een evenwichtige spreiding van technologieën over de toe te wijzen projecten.

Het indienen van een aanvraag geschiedt schriftelijk overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van dit besluit. De aanvraag dient rechtsgeldig te zijn ondertekend en in tweevoud te worden ingediend en dient bij Agentschap NL te zijn ontvangen uiterlijk op 18 januari 2011 te 17:00 uur (Nederlandse tijd). De aanvraag kan in de Nederlandse dan wel Engelse of Franse taal worden gesteld.

Met inachtneming van het voorgaande kan een aanvraag worden ingediend door:

Van de aflevering zal bij de balie in de ontvangsthal een ontvangstbevestiging worden afgegeven.

Voor een efficiënte afhandeling van de aanvraag wordt aan aanvragers verzocht van de schriftelijk ingediende aanvraag tevens een kopie per e-mail te zenden naar het volgende e-mailadres: DaeyOuwensfonds@AgentschapNL.nl. Hiermee wordt echter niet beoogd elektronische indiening van een aanvraag mogelijk te maken. De aanvraag wordt daarom alleen als tijdig ingediend beschouwd, als dat schriftelijk is gebeurd op een van de hiervoor beschreven wijzen. Indien aanvragers niet voldoen aan het verzoek tot verzending van een kopie van de schriftelijke aanvraag per e-mail, heeft dat geen nadelige gevolgen voor een tijdig ingediende schriftelijke aanvraag.

Correspondentie betreffende de aanvraag zal door Agentschap NL in de Nederlandse, Engelse of Franse taal worden gesteld.

Indien een potentiële subsidie-aanvrager twijfelt of er voldoende aansluiting bestaat tussen diens project en de doelstellingen en eisen van de regeling, dan bestaat de mogelijkheid om vooraf advies te vragen. Via www.AgentschapNL.nl/DaeyOuwensfonds kan toegang worden verkregen tot een zogenaamde ‘quick scan’. Dit is een geheel vrijblijvende beperkte projecttoets waarin een aantal vragen beantwoord moet worden over het voorgenomen project. Het ingevulde formulier kan per e-mail worden verzonden naar DaeyOuwensfonds@AgentschapNL.nl. Na ontvangst van het formulier zal een projectadviseur van Agentschap NL zo spoedig mogelijk contact opnemen om de resultaten van de quick scan te bespreken. Het advies is niet bindend en heeft geen rechtsgevolg. Er kunnen geen verwachtingen aan worden ontleend ten aanzien van een later daadwerkelijk ingediende aanvraag. Het staat ieder vrij om een aanvraag in te dienen zonder of ondanks de uitkomst van een quick scan.

De subsidieontvanger dient de resultaten van het project en de kennis die uit het project is verkregen op verzoek van de Minister of op verzoek van derden aan derden ter beschikking te stellen. Indien deze terbeschikkingstelling plaatsvindt aan een onderneming binnen de Europese Unie, geschiedt dit op basis van marktconforme voorwaarden.

Voorts dient de aanvrager op verzoek van de Minister binnen redelijke grenzen zijn medewerking te verlenen om de resultaten van het project en de kennis die uit het project is verkregen te presenteren in het kader van workshops, seminars of andere publieke bijeenkomsten die niet door de aanvrager worden georganiseerd.

Tot slot dient de aanvrager op verzoek van de Minister zijn medewerking te verlenen aan een door of namens de Minister uit te voeren evaluatie van de subsidieverstrekking op grond van deze beleidsregels.