Beleidsregel · BWBR0027410

Dividendbelasting, verzamelbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Dividendbelasting, verzamelbesluitDividendbelasting, verzamelbesluit

De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.

In dit besluit is beleid op het terrein van de Wet op de dividendbelasting 1965 opgenomen. Het betreft een actualisering van het verzamelbesluit dividendbelasting, nr. CPP2009/354M, en bevat een nieuw onderdeel over de dividendnota.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag15 maart 2010De Minister van Financiën, J.C. deJager

Het verzamelbesluit dividendbelasting is waar nodig aangepast aan de wetswijzigingen per 1 januari 2010 (Belastingplan 2010 c.a.). Onderdeel 2 betreffende de positie van certificaathouders is vervallen, omdat de Wet DB op dit punt anders is vormgegeven. Een nieuw onderdeel 2 bevat goedkeuringen met betrekking tot de dividendnota.

Artikel 9 Wet DB bepaalt dat in samenhang met een dividenduitkering aan de rechthebbende een gedagtekende nota wordt uitgereikt. Tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer van het Belastingplan 2010 c.a. heb ik aangekondigd dat ik voornemens ben om, vooruitlopend op wetgeving, goed te keuren dat de dividendnota ook elektronisch kan worden verstrekt. Tevens is aangegeven dat bij de vormgeving van die wetgeving zal worden bezien of verdergaande versoepelingen mogelijk zijn (Belastingplan 2010 c.a., Handelingen EK, nr. 14, blz. 513 rk). Inmiddels is duidelijk dat enkele versoepelingen nu al kunnen worden ingevoerd. Op 9 maart 2010 is in antwoord op kamervragen van de leden De Nerée tot Babberich en Omtzigtreeds aangegeven dat geen dividendnota meer hoeft te worden uitgereikt aan de directeur-grootaandeelhouder en in de situaties dat inhouding van dividendbelasting achterwege kan blijven, omdat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is of sprake is van een fiscale eenheid.

Ik keur, vooruitlopend op wetgeving waarbij artikel 9 Wet DB zal worden aangepast, het volgende goed:

Artikel 10, eerste lid, Wet DB bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van de in een kalenderjaar ingehouden dividendbelasting. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 10, tweede lid, Wet DB, genoemde lichamen.

Tijdens de parlementaire behandeling van het belastingplan 1998 en het wetsvoorstel Werken aan winst (EK 2006/07, 30572, C en E) is de frequentie van het aantal verzoeken om tussentijdse teruggaaf aan de orde geweest. Gebleken is dat een frequentie van ten hoogste vier verzoeken om tussentijdse teruggaaf in een jaar niet tot bezwaren in de uitvoering leidt.

Ik keur goed dat vooruitlopend op de teruggaaf van artikel 10 Wet DB, ten hoogste vier maal in het jaar van inhouding een verzoek tot tussentijdse teruggaaf kan worden ingediend.

Als een internationaal concern zijn Europese hoofdkantoor uitoefent in een vaste inrichting in Nederland, bestaat er behoefte aan zekerheid of aandelen in een Nederlandse houdstermaatschappij kunnen worden toegerekend aan een dergelijke vaste inrichting. Immers, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij de vaste inrichting ten aanzien van de Nederlandse houdstermaatschappij, is geen dividendbelasting verschuldigd over de uitkering van dividend vanuit de Nederlandse houdstermaatschappij naar de vaste inrichting.

Hierna geef ik de kaders weer waarbinnen de Belastingdienst zekerheid vooraf geeft over het toerekenen van aandelen aan een vaste inrichting (zie ook het besluit van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662M en het besluit van 11 augustus 2004, nr. DGB2004/1337M). Zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling vergt een afzonderlijke beoordeling.

De Belastingdienst verleent geen zekerheid vooraf als het opzetten van de structuur erop is gericht de bestaande dividendbelastingclaim op winstreserves bij de Nederlandse houdstermaatschappij buiten het bereik van de dividendbelasting te brengen. Belastingplichtige moet aannemelijk maken dat de opzet van de structuur niet daarop is gericht. Als belastingplichtige aannemelijk kan maken dat overwegend zakelijke overwegingen aan de opzet van de structuur ten grondslag liggen, zal de opzet van de structuur veelal niet gericht zijn op ontgaan van de bestaande dividendbelastingclaim. Indien hoofdkantooractiviteiten vanuit de Nederlandse houdstermaatschappij worden overgebracht naar de vaste inrichting in Nederland, is naar mijn mening in ieder geval sprake van het gericht zijn op het ontwijken van de bestaande dividendbelastingclaim.

Het verkrijgen van zekerheid vooraf over de toerekening van aandelen van een Nederlandse houdstermaatschappij aan een vaste inrichting in Nederland vergt een beoordeling van geval tot geval. Bij die beoordeling is onder meer van belang de verdeling van de handelings- en beslissingsbevoegdheid tussen hoofdhuis en vaste inrichting enerzijds en vaste inrichting en Nederlandse houdstermaatschappij anderzijds. In ieder geval moet zijn voldaan aan de onderstaande voorwaarden.

Wellicht ten overvloede merk ik nog het volgende op. Er kan slechts sprake zijn van een vaste inrichting in Nederland van het naar buitenlands recht opgerichte lichaam als op basis van het van toepassing zijnde verdrag ter voorkoming van dubbele belasting de woonplaats van het desbetreffende lichaam niet in Nederland is gelegen. In belastingverdragen sluit de bepaling van de woonplaats veelal aan bij de plaats waar de feitelijke leiding plaatsvindt. Als de concernleiding of de leiding van de concerndivisie plaatsvindt vanuit het desbetreffende lichaam en gesitueerd is in het buitenland, wordt het lichaam over het algemeen niet feitelijk vanuit Nederland geleid.

Gezien de nauwe samenhang met het antwoord op de vraag of er sprake is van een vaste inrichting van het buitenlandse lichaam in Nederland, behandelt de Belastingdienst verzoeken om zekerheid vooraf op basis van het besluit van 11 augustus 2004, IFZ2004/125M. Dit betekent onder andere dat de competente inspecteur verzoeken om zekerheid vooraf voor een bindend advies voorlegt aan het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/Rijnmond.

In artikel 4, zevende en achtste lid, Wet DB, zijn maatregelen getroffen tegen dividendstripping. Deze maatregelen bepalen onder welke omstandigheden de ontvanger van het dividend niet wordt beschouwd als uiteindelijk gerechtigde, zodat onder die omstandigheden inhouding van dividendbelasting niet achterwege mag blijven of teruggaaf, vermindering of verrekening van dividendbelasting niet wordt verleend (in artikel 25, tweede en derde lid, Wet VPB, artikel 9.2, tweede en derde lid, Wet IB 2001 en artikel 16 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn vergelijkbare maatregelen getroffen).

Wanneer ten onrechte is afgezien van inhouding van dividendbelasting of tot een te laag bedrag is ingehouden, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen aan de inhoudingsplichtige. Als de te lage heffing echter te wijten is aan het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de inhoudingsplichtige, kan de naheffingsaanslag worden opgelegd aan die ander. Deze situatie kan zich voordoen indien de dividendontvanger onjuiste informatie heeft verstrekt.

In een situatie waarin de inhoudingsplichtige te weinig dividendbelasting heeft afgedragen ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door de dividendontvanger, hanteert de Belastingdienst als uitgangspunt dat de naheffingsaanslag niet wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige indien:

In geval van portfoliodividenden kan de dividendontvanger voor de onder 1 genoemde verklaring het formulier gebruiken, dat behoort bij de Nederlandse uitvoeringsvoorschriften bij de belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting of de Belastingregeling voor het Koninkrijk. In de overige gevallen moet de inhoudingsplichtige over een afzonderlijke verklaring beschikken waarin de onder 1 genoemde verklaring is opgenomen.

De maatregelen tegen dividendstripping kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, van toepassing zijn op interne reorganisaties. Het hangt echter van verschillende factoren af of een interne reorganisatie onder de maatregelen tegen dividendstripping valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering, het karakter van de dividenduitkering (regulier, incidenteel of liquidatie-uitkering) en de duurzaamheid van de verhanging.

De maatregelen inzake dividendstripping zijn er niet op gericht duurzame, niet fiscaal gedreven, reorganisaties binnen concern te bemoeilijken. Als leidraad geldt hierbij dat geen sprake is van dividendstripping als zich een duurzame reorganisatie voordoet in combinatie met een reguliere dividenduitkering. Dit geldt ongeacht het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering.

Het ligt anders bij een duurzame reorganisatie in combinatie met een dividenduitkering met een niet-regulier karakter, bijvoorbeeld uitdeling van een zogenoemd superdividend. In een dergelijk geval spelen ook de hiervoor genoemde factoren een rol voor de bepaling of sprake is van dividendstripping, zoals het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering. Daarbij is het niet wenselijk om een safe haven aan te geven in de vorm van een termijn waarbuiten juist geen sprake is van dividendstripping. Een transactie in aandelen, winstbewijzen of dividendbewijzen met als doel gebruik te maken van het feit dat het op de koper van toepassing zijnde regime van de dividendbelasting gunstiger is dan voor de verkoper zou dan immers worden ontzien als die transactie (net) buiten die termijn plaatsvindt.

Als bij een duurzame reorganisatie behoefte bestaat aan een safe haven, kan belanghebbende deze vinden in een beperking tot reguliere dividenduitkeringen. Daarbij wordt onder reguliere dividenduitkeringen in ieder geval verstaan tweemaal het gemiddeld, volgens een bestendige gedragslijn, uitgekeerde dividend in drie voorafgaande kalenderjaren (nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2001/02, 27 896, nr. 117d, blz. 2).

Onder securities lending wordt in de praktijk verstaan: het tijdelijk inlenen van een bepaald aantal aandelen onder de verplichting tot teruglevering van eenzelfde hoeveelheid aandelen op een later moment in de tijd (verbruikleen, artikel 7a:1791 BW). Vanaf het moment van levering van de aandelen wordt de inlener de juridische eigenaar van de aandelen. De inlener wordt hierdoor de rechthebbende op de dividenden op de desbetreffende aandelen. Gewoonlijk is vastgelegd dat de uitlener een dividendvervangende vergoeding ontvangt van de inlener. De dividendvervangende vergoeding die de uitlener ontvangt kan in beginsel niet gelijk worden gesteld met een dividend.

Dit uitgangspunt houdt in dat, ook onder de belastingverdragen, in beginsel (alleen) over het dividend zelf dividendbelasting wordt geheven, en dat (alleen) de gerechtigde tot het dividend de dividendbelasting kan verrekenen. Ingeval de desbetreffende aandelen door de inlener aan een derde partij zijn geleverd, is uitsluitend die derde partij gerechtigd tot de opbrengst van de desbetreffende aandelen (tenzij sprake is van een late settlement, zie onderdeel 7.4 van dit besluit).

Indien in een door Nederland gesloten belastingverdrag een definitie voor dividenden is opgenomen die overeenkomt met artikel 10, derde lid, van het OESO-modelverdrag, vallen dividendvervangende vergoedingen niet onder deze definitie. De dividendvervangende vergoedingen vallen dan onder artikel 21 (Overige inkomsten). Dit is slechts anders in specifieke situaties, zoals onder het belastingverdrag met de VS. In onderdeel VI, 2e volzin van het Memorandum van Overeenstemming bij het belastingverdrag tussen Nederland en de VS is een speciale regeling voor het uitlenen van aandelen opgenomen.

Een cum/ex transactie betreft een transactie in beursgenoteerde aandelen die wordt aangegaan vóór de ex-datum en waarvan na deze datum settlement plaatsvindt (afwikkelen transactie). Dit kunnen zowel transacties op een gereglementeerde beurs als via de OTC-markt (over-the-counter/buiten de beurs) betreffen. Bij het aangaan van deze transacties zijn de aandelen cum-dividend genoteerd, terwijl bij settlement de aandelen inmiddels ex-dividend zijn genoteerd.

Voor de toepassing van de dividendbelasting is bij cum/ex transacties van belang aan wie de dividendnota als bedoeld in artikel 9 Wet DB moet worden uitgereikt en wie er recht heeft op vermindering, teruggaaf of verrekening van Nederlandse dividendbelasting bij de toepassing van de Wet DB, de Wet VPB, de Wet IB 2001, de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting.

Met ingang van 26 maart 2007 is de afwikkeling van dividendbetalingen binnen de Nederlandse effectenmarkt gewijzigd. De Nederlandse financiële branche heeft besloten om voor dividendbetalingen een nieuwe volgorde van data in de afwikkeling te introduceren als gevolg van de invoering van de record datum. De dividendgerechtigdheid wordt vanaf 26 maart 2007 op de record datum vastgesteld (voorheen de ex-datum).

De record datum is de datum waarop aan het einde van de werkdag door de financiële instelling de gesettlede posities worden vastgesteld en op basis van de aandelendepots van cliënten wordt bepaald wie recht heeft op het dividend.

De ex-datum is de datum waarop aan het begin van de werkdag de handel (zowel via de beurs als de OTC-markt) in het aandeel start exclusief het dividend.

De record datum is gelijk aan de ex-datum plus twee handelsdagen (uitgaande van de gangbare settlement cyclus van transactiedatum plus drie dagen).

De Belastingdienst heeft overleg gevoerd met een aantal belangrijke partijen in de Nederlandse financiële branche over de fiscale gevolgen van cum/ex transacties. Dit overleg heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst voor de fiscale gevolgen van cum/ex transacties zal aansluiten bij de record datum.

Van een gewone of een long cum/ex transactie is sprake indien de eigenaar vóór de ex-datum een aandeel verkoopt en het desbetreffende aandeel uiterlijk op de record datum levert. Van een baisse of een short cum/ex transactie is sprake indien de verkoper een aandeel dat hij nog niet bezit vóór de ex-datum verkoopt en het desbetreffende aandeel, na dit te hebben ingeleend/ingedekt, uiterlijk op de record datum levert. Omdat in beide situaties de record datum ná de ex-datum ligt, vindt de levering dus ook ex-dividend plaats. Voor de vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting is bepalend wie op record datum recht heeft op het dividend. Dit is de kopende partij, omdat op record datum de aandelen zich in zijn depot bevinden. De koper ontvangt daarom van zijn financiële instelling rechtstreeks het dividend minus 15% dividendbelasting tezamen met de dividendnota. De verkoper van het aandeel ontvangt noch het dividend noch de dividendnota.

In de praktijk doen zich incidenteel zogenoemde late settlements of settlement failuresvoor. Hieronder worden in dit verband verstaan de leveringen die afwijken van de gangbare settlement cyclus van drie dagen (transactiedatum plus drie dagen).

De aandelen worden in dit geval na de record datum geleverd aan de kopende partij. Voor de vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting is ook hier bepalend wie op record datum recht heeft op het dividend. Dit is de verkopende partij, omdat op de record datum de aandelen zich nog steeds in zijn depot bevinden. De verkoper ontvangt daarom van zijn financiële instelling het dividend minus 15% dividendbelasting, tezamen met de dividendnota. Voor de koper geldt, dat hij noch het dividend noch de dividendnota ontvangt.

Een afwijkende levering van aandelen na record datum doet zich ook voor indien de verkoper op record datum het aandeel niet bezit (de short cum/ex waarbij niet is ingedekt). In deze situatie ontvangen verkoper noch koper het dividend en de dividendnota.

De koper zal in gevallen van een afwijkende levering van aandelen gecompenseerd willen worden voor het misgelopen dividend. Deze compensatie (in de vorm van een dividendvervangende vergoeding) is niet onderworpen aan dividendbelasting (zie hiervoor onderdeel 6. van dit besluit).

Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de wetgeving met betrekking tot anti-dividendstripping onverkort van toepassing blijft.

Deze regeling zal één jaar na inwerkingtreding van dit besluit door de betrokken partijen worden geëvalueerd met als doel mogelijke knelpunten te achterhalen en waar mogelijk op te lossen.

Bij inkoop van eigen aandelen is dividendbelasting verschuldigd over het verschil tussen de inkoopprijs en het gemiddelde op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Dit geldt ook bij inkoop van eigen aandelen via de beurs. Aangezien in dat geval de aandeelhouder niet bekend is, dient de inkopende vennootschap de dividendbelasting voor haar rekening te nemen. Op basis van artikel 6 Wet DB wordt dan voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/85 (brutering), tenzij de inkoopfaciliteit van artikel 4c Wet DB van toepassing is. Om brutering te vermijden, willen beursvennootschappen eigen aandelen inkopen van bekende aandeelhouders door middel van een zogenoemde Forward Purchase Agreement (hierna: FPA) of een zogenoemde Second Trading Line (hierna: STL). Hierna behandel ik de volgende vragen bij toepassing van de FPA en de STL:

Een FPA is een overeenkomst tussen een inkopende beursvennootschap en een derde partij (doorgaans een financiële instelling), waarbij deze derde partij aandelen van de inkopende beursvennootschap via de beurs verwerft en deze doorlevert aan de inkopende beursvennootschap. In deze overeenkomst worden onder andere afspraken gemaakt met betrekking tot de hoeveelheid, het tempo of de prijs van de af te nemen aandelen ter inkoop.

Naar mijn mening is veelal sprake van het op indirecte wijze inkopen van eigen aandelen op de beurs van onbekende aandeelhouders. De tussengeschoven partij fungeert dan slechts als dienstverlener voor de inkopende beursvennootschap. Om die reden dient de inkopende beursvennootschap in die gevallen bij de inhouding rekening te houden met brutering in de zin van artikel 6 Wet DB. Aangezien de tussengeschoven partij dan niet als (uiteindelijk) gerechtigde van de opbrengst van de aandelen kan worden aangemerkt, bestaat voor deze partij geen recht op verrekening op de voet van artikel 25 Wet VPB.

Bij de STL wordt naast de reguliere handel in aandelen van de beursvennootschap een tweede notering van hetzelfde soort aandeel aangevraagd bij Euronext effectenbeurs te Amsterdam. Via deze lijn kunnen aandeelhouders, die zich als zodanig aan het inkopende lichaam bekend maken, tegen bepaalde voorwaarden aandelen aanbieden ter inkoop. De inkoop wordt doorgaans begeleid door een financiële instelling. Hierbij maak ik onderscheid tussen twee situaties.

Het volgende besluit wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.