Ministeriële regeling · BWBR0030762
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012
Gelet op:
de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies, en
de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15 en 1:17 van de Regeling LNV-subsidies,
Besluit:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,H.BlekerIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
Minister: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
- b.
regeling:Regeling LNV-subsidies;
- c.
verordening (EG) nr. 2200/96:verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
- d.
verordening (EG) nr. 73/2009:verordening (EG) Nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30).
De subsidies, bedoeld in artikel 1:3, vijfde lid, van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende hoofdstukken en titels van dit besluit:
- a.
- b.
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit: titel 1 tot en met 5.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 april 2012 tot en met 14 mei 2012 door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 ontvangen.
Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies en ten minste € 250.
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
- a.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen;
- b.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste twee jaar.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste tweeënhalf jaar.
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 mei 2012.
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling, kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 250.000.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, € 1.800.000;
- b.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, € 3.000.000.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 7, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
- a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
- b.
het project een meer duurzaam karakter heeft;
- c.
de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;
- d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid;
- e.
het project beter aansluit bij de agenda’s van de topsectoren agro & food onderscheidenlijk tuinbouw & uitgangsmaterialen.
Artikel 1:19, derde lid, van de regeling is van toepassing.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op de thema’s, bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g of onderdeel v, voor zover deze projecten zich richten op vernieuwingen die een bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend door landbouwondernemingen of een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen onderling, dan wel met agro-MKB ondernemingen, bosbouwondernemingen of MKB ondernemingen werkzaam in de voedselindustrie, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de sectoren: veehouderij, akkerbouw, tuinbouw open teelt, bloembollen, bolbloemen, paddenstoelen of glastuinbouw.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 2 april 2012 tot en met 14 mei 2012.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen advies uit in de vorm van een rangschikking.
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een project als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, hoger gerangschikt, naarmate het project:
- a.
meer bijdraagt aan de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren;
- b.
meer bijdraagt aan de voor de sectoren, genoemd in artikel 11a, tweede lid, relevante convenantafspraken als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 8 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren;
- c.
een gunstigere verhouding heeft tussen de kosten en de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren.
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
Indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van uitsluitend landbouwondernemingen, bedraagt de subsidie voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in afwijking van het eerste lid ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, bedraagt € 4.200.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond van het Productschap Tuinbouw van € 202.000 voor projecten ingediend door glastuinbouwondernemingen, met dien verstande dat per project ten hoogste 20% van het subsidiebedrag ten laste komt van het additionele subsidieplafond.
Artikel 1:19, derde lid, van de regeling is van toepassing.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2012 tot en met 24 februari 2012.
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling, kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, € 8.000.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, niet zijnde aardwarmteprojecten, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van:
- a.
1 februari 2012 tot en met 15 maart 2012, of
- b.
24 september 2012 tot en met 29 oktober 2012.
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 3.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 4.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van:
- a.
1 februari 2012 tot en met 15 maart 2012, of
- b.
24 september 2012 tot en met 29 oktober 2012.
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 opervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 2.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 3.500.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel b.
In afwijking van artikel 17, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 19 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 20, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energie-innovatie naar het oordeel van de commissie:
- a.
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO2 -uitstoot;
- b.
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
- c.
gericht op teelttechnische of economische inpasbare systemen. een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 26 oktober 2012.
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
Er worden geen voorschotten verleend.
Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.
De subsidiabele kosten bedragen niet meer dan € 80.000.
De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.
Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor een investering als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorieën 1 en 2 van de regeling kan worden ingediend in de periode van 2 juli 2012 tot en met 27 juli 2012.
Een aanvraag tot verlening van een subsidie voor een investering als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorieën 3, 4 en 5 van de regeling kan worden ingediend in de periode van 3 december 2012 tot en met 28 december 2012.
Per landbouwonderneming, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B, wordt één aanvraag ingediend per categorie, die betrekking kan hebben op één of meerdere apparaten, installaties of machines onderscheiden in de categorieën 1, 2, 3, 4 en 5, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling.
Landbouwondernemingen die in het jaar 2010 en 2011 voor apparatuur, installaties of machines onderscheiden in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, subsidie toegewezen hebben gekregen voor één of meer categorieën komen niet voor subsidie in aanmerking.
Landbouwondernemingen die in het jaar 2012 subsidie toegewezen hebben gekregen op grond van hoofdstuk 2a, paragraaf 11, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, komen niet in aanmerking voor subsidie.
Artikel 1:5 is van toepassing.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015 en per landbouwonderneming bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B kan in die periode maximaal één aanvraag per categorie gedaan worden.
De subsidie voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt:
- a.
35% van de subsidiabele kosten voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in categorie 1, onderdelen b tot en met g, categorie 4, onderdelen a tot en met e, en categorie 5.
- b.
25% van de subsidiabele kosten voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in categorie 1, onderdeel a, categorie 2, categorie 3 en categorie 4, onderdeel f.
De subsidie per categorie bedraagt ten minste € 5.000 en ten hoogste € 100.000.
Het subsidieplafond voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt:
- a.
€ 3.750.000 voor categorie 1;
- b.
€ 3.750.000 voor categorie 2;
- c.
€ 3.750.000 voor categorie 3;
- d.
€ 3.750.000 voor de categorieën 4 en 5.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
- a.
€ 315.000 voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorie 1, die integraal onderdeel uitmaken van een co-vergistingsinstallatie of een vergistingsinstallatie, voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Utrecht;
- b.
€ 925.000 voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorieën 4 en 5, voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Utrecht.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de:
- a.
melkveehouderij;
- b.
vleesveehouderij;
- c.
schapenhouderij;
- d.
geitenhouderij;
- e.
varkenshouderij;
- f.
kalverenhouderij
- g.
pluimveehouderij, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of
- h.
konijnenhouderij,
Het eerste lid is niet van toepassing op varkens- en pluimveehouderijen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
De landbouwondernemingen, bedoeld in het eerste lid, zijn ten hoogste 3.000 meter verwijderd van een gebied als beschreven in bijlage 2 bij dit besluit.
De investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in het eerste lid leidt tot een emissiewaarde van ten hoogste 75% ten opzichte van:
- a.
de maximale emissiewaarde voor de specifieke diercategorie als bedoeld in Bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij;
- b.
de emissiefactor voor overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij, indien er voor de betreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld in Bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 25k, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt:
- a.
indien de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
- b.
naarmate de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
- c.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn;
- d.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden;
- e.
naarmate de vermindering van de uitstoot van ammoniak hoger is, en
- f.
naarmate de landbouwonderneming al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot subsidieverlening.
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het tweede lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.
In aanvulling op het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie voor aanvragers gevestigd in het gebied Groot Wilnis Vinkeveen in de provincie Utrecht ten hoogste € 50.000.
Het subsidieplafond bedraagt € 8.000.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 678.000 voor aanvragers gevestigd in Limburg.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 200.000 voor aanvragers gevestigd in het gebied Groot Wilnis Vinkeveen in de provincie Utrecht.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 908.000 voor aanvragers gevestigd in Gelderland.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Geen subsidie wordt verleend voor een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de regeling indien voor dezelfde subsidiabele activiteit eerder op grond van artikel 29 van de Regeling GLB-Inkomenssteun 2006 subsidie is verleend.
De extra kosten, bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
- a.
een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling;
- b.
een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling;
- c.
een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling;
- d.
verticale ventilatoren als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel B, van de regeling;
- e.
energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling;
- f.
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
- g.
een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling;
- h.
een energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmteterugwinning als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling;
- i.
diffuus glas als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk1, paragraaf 11, onderdeel A van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel B van de regeling;
- j.
een biomassa gestookte ketelinstallatie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 12, onderdeel A, van de regeling kan worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 12, onderdeel B, van de regeling;
- k.
de aansluiting op een energie- of CO2netwerk als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel B, van de regeling.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 9 november 2012.
De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling.
Per glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag voor subsidieverlening worden ingediend. De aanvraag kan meerdere investeringen als bedoeld in het eerste lid bevatten.
In afwijking van het vierde lid, mag een glastuinbouwonderneming geen aanvraag voor subsidieverlening indienen voor zowel een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, als een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel k.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie voor de investeringen, bedoeld in artikel 25q, eerste lid, wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 3 met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt binnen een jaar na subsidieverlening ingediend.
Indien een vergunning die op grond van een wettelijk voorschrift vereist is voor een investering als bedoeld in artikel 25q, eerste lid, vanwege omstandigheden die aantoonbaar buiten de invloedssfeer van de subsidieaanvrager liggen, niet tijdig is verkregen om voor de investering binnen een jaar na subsidieverlening een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen, kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de subsidieaanvrager met een jaar verlengd worden.
Voor de toepassing van het derde lid, dient de subsidieaanvrager een verzoek tot uitstel van het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling in bij de Minister, waarbij de subsidieaanvrager aantoont dat de vergunning, bedoeld in het derde lid, niet tijdig is verkregen vanwege omstandigheden die buiten zijn invloedssfeer liggen. De subsidieaanvrager draagt er zorg voor dat het verzoek binnen een jaar na subsidieverlening in het bezit is van Dienst Regelingen.
Het subsidieplafond bedraagt € 3.000.000.
Aanvragen voor garantstellingen als bedoeld in hoofdstuk 2, titel 12, paragraaf 1, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 januari 2012 tot en met 28 december 2012.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 50.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:70, eerste lid, van de regeling;
- b.
€ 80.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:80, tweede lid, van de regeling.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2012 tot en met 31 december 2012.
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.478.444,09;
- b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling in de periode van 2 januari 2012 tot en met 14 februari 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 150.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2012 tot en met 24 februari 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:67 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 26 september 2012, 17.00 uur.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.500.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:74 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 september 2012 tot en met 1 oktober 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000,00.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 3:79 van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 9 november 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 610.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012.
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 250.000.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van betaalde kosten.
In afwijking van artikel 4:18, eerste lid, van de regeling voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid van de regeling komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012.
De subsidie bedraagt:
- a.
60% van de subsidiabele kosten voor aanvragen als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt;
- b.
80% van de subsidiabele kosten voor aanvragen als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.250.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van betaalde kosten.
In afwijking van artikel 4:24, eerste lid, van de regeling voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid van de regeling komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:33c, eerste lid, kunnen voor de visserijgebieden opgenomen in bijlage 5, onderdeel A, onder 3, 4, 5 en 6, van de regeling worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012.
Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:
- a.
- b.
- c.
- d.
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 43a met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van de gemaakte en betaalde kosten.
In afwijking van artikel 4:33f, eerste lid, van de regeling voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, van de regeling komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen voor de vaststelling van subsidie voor de aanschaf en installatie van elektronische weegapparatuur als bedoeld in artikel 4:39a, eerste lid, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2011 tot en met 1 november 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000,-.
In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de regeling kan subsidie worden verleend voor activiteiten die zijn aangevangen voor de subsidievaststelling met dien verstande dat de activiteiten zijn aangevangen na 1 juni 2011.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:40 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 september 2012 tot en met 28 september 2012.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.800.000.
In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, en artikel 4:43, eerste lid, van de regeling, kan subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, worden verleend in verband met kosten als bedoeld in artikel 4:45, eerste lid, onderdelen e en f, die zijn gemaakt voor activiteiten ter voorbereiding van het project voorafgaand aan de subsidieverlening, met dien verstande dat deze activiteiten zijn aangevangen na 1 januari 2007.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van betaalde kosten.
In afwijking van artikel 4:43, eerste lid, van de regeling voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.
In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid van de regeling komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:68 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober tot en met 31 oktober 2012.
Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 400.000.
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari 2012 tot en met 20 juli 2012.
Het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4:57, eerste lid, van de regeling, wordt voor 2012 vastgesteld op € 8.000.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 2 juli 2012 tot en met 14 september 2012.
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.
De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:
- a.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 9, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
- b.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 19 en 22 met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
- c.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 19, onderdeel b, en artikel 22, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 25t;
- d.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 25j, eerste lid, onderdelen c of d, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 25j, eerste lid, onderdeel a, b, c of d;
- e.
het subsidieplafond, bedoeld in artikel 25j, tweede lid, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 25j, tweede lid, onderdeel a.
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 10, 11b, 13 en 25 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
De beoordelingscommissie, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Wijzigt het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2001.
Wijzigt de Regeling LNV-subsidies.
Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011 wordt ingetrokken.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 51, onderdelen A en B, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 51, onderdeel C, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 december 2011.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 52, onderdelen B en C, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 7 november 2011.
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012.
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie bedraagt.
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
Omschrijving | Eenheid | Geconditioneerde afdeling | Referentie | Niet geconditioneerd deel | |
1 | Gesloten kas fractie | % | 50 | n.v.t. | 50 |
2 | Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem) | groente | groente | groente | |
3 | Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple) | enkelglas | enkelglas | enkelglas | |
4 | Stooktemperatuur dag | °C | 18 | 18 | 18 |
5 | Stooktemperatuur nacht | °C | 17 | 17 | 17 |
6 | Koel- of ventilatietemperatuur | °C | 27 | 27 | 27 |
7 | Pband ventilatie/koeling | °C | 2 | 2 | 2 |
8 | Maximale ventilatie met buitenlucht | m3/(m2 hr) | 0 | n.v.t. | n.v.t. |
9 | Toegestane RV in de kas | % | 85 | 85 | 85 |
10 | Deksproeiers (kies ja of nee) | nee | nee | nee | |
11 | Minimumbuistemperatuur | °C | 40 | 40 | 40 |
12 | VO van het minimumbuisnet | m2 buis/m2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |
13 | Streefwaarde CO2 | ppm | 900 | 900 | 900 |
14 | Maximale doseercapaciteit | kg/(ha hr) | 120 | 180 | 180 |
15 | Stralingscrit. voor schaduwscherm | W/m2 | 1000 | 1000 | 1000 |
16 | Schaduwfactor schaduwscherm | % | 30 | 30 | 30 |
17 | Buitentemp sluiten energiescherm | °C | 12 | 12 | 12 |
18 | Besparingspercentage v.h. scherm | % | 45 | 45 | 45 |
19 | Belichtingsintensiteit | Wel/m2 | 0 | 0 | 0 |
20 | Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3) | 2 | 2 | 2 |
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema 1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1 | DagnrStartBel | 280 | (→ dit is 6 oktober) | |
2 | DagnrStopBel | 80 | (→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 2 uur uit) |
5 | SavondsAan | 22 | uur |
[Schema 2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1 | DagnrStartBel | 260 | (→ dit is 16 september) | |
2 | DagnrStopBel | 91 | (→dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 22 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 2 | uur |
[Schema 3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1 | DagnrStartBel | 330 | (→ dit is 25 november) | |
2 | DagnrStopBel | 300 | (→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 24 | uur |
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis | |||||
1 | Kasoppervlak | 1 | ha | ||
Geconditioneerd oppervlak | 0,5 | ha | Niet geconditioneerd opp. 0,5 ha | ||
2 | Buffercapaciteit | 200 | m3 | 200 | m3/ha |
3 | Thermisch warmtepompvermogen | 700 | kW th | 700 | kW/ha |
4 | Efficientie v.d. warmtepomp | 45 | % | ||
5 | Capaciteit aquifer | 200 | m3/uur | 400 | m3/ha gecond. kas per uur |
6 | Temp verlies scheidingswisselaar | 1 | °C | ||
7 | Bufferinhoud koudebuffer | 1500 | m3 | 3000 | m3/ha gecond. kas |
8 | Koude bron laden op | 8 | °C | ||
9 | WK-vermogen | 60 | kW el. | 60 | kW/ha |
10 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | ||
11 | thermisch WK-rendement | 55 | % | ||
12 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | ja | |||
13 | Zomerse WK-warmte oversch. in aquif. | nee | |||
Referentie ketelhuis | |||||
14 | Kasoppervlak | 1 | ha | ||
15 | Buffercapaciteit | 100 | m3 | 100 | m3/ha |
16 | WK-vermogen | 0 | kW el. | 0 | kW/ha |
17 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | ||
18 | thermisch WK-rendement | 55 | % | ||
19 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | nee |
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Koelen | Lege Velden | |||||
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt. | Benchmark punten v.d. Koelunit | 0 | ||||
1 | Koelvermogen[kW] | 20 | kW | 0 | ||
2 | Watertemp in [°C] | 12 | °C | 17 | 0 | |
3 | Watertemp uit [°C] | 22 | °C | 0 | 0 | |
4 | Luchttemperatuur in [°C] | 26 | °C | 21 | 0 | |
5 | Luchttemperatuur uit [°C] | 16 | °C | 0 | 0 | |
6 | Koelvermogen geldt bij een RV van | 85 | % | 0 | ||
7 | Maximaal luchtdebiet [m3/uur] | 2000 | m3/uur | 0 | ||
8 | Electr.gebr.vent bij max luchtdeb. | 0,3 | kW | 0 | ||
9 | Waterzijdige drukval | 1,2 | bar | 0 |
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
Elektriciteitsverbruik ventilator | Approach temperatuur als functie van koelvermogen | ||
belasting | Elekverbruik [W/m2] | koelverm | Approachtemperatuur |
-1,00 | 0,00 | 0,00 | 0,20 |
0,10 | 1,36 | 32,57 | 2,42 |
0,15 | 1,67 | 48,86 | 3,06 |
0,20 | 1,92 | 65,14 | 3,52 |
0,25 | 2,15 | 81,43 | 3,87 |
0,30 | 2,36 | 97,71 | 4,14 |
0,35 | 2,55 | 114,00 | 4,36 |
0,40 | 2,72 | 130,29 | 4,53 |
0,45 | 2,89 | 146,57 | 4,67 |
0,50 | 3,04 | 162,86 | 4,77 |
0,55 | 3,19 | 179,14 | 4,85 |
0,60 | 3,33 | 195,43 | 4,91 |
0,65 | 3,47 | 211,71 | 4,95 |
0,70 | 3,60 | 228,00 | 4,97 |
0,75 | 3,60 | 244,29 | 4,98 |
0,80 | 3,60 | 260,57 | 4,98 |
0,85 | 3,60 | 276,86 | 4,96 |
0,90 | 3,60 | 293,14 | 4,93 |
0,95 | 3,60 | 309,43 | 4,90 |
1,00 | 3,60 | 325,71 | 4,85 |
100,00 | 3,60 | 800,00 | 19,90 |
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Omschrijving | Eenheid | Nieuwe situatie | Referentie- situatie |
Gem. teelttemperatuur winterperiode | °C | 17,9 | 17,8 |
Gem. teelttemperatuur zomerperiode | °C | 0,0 | 0,0 |
Gem. CO2 concentratie zomerperiode | ppm | 677 | 405 |
Jaarlijkse CO2-gift | kg/m2 | 25 | 37 |
Jaarlijks aantal energieschermuren | uur | 2291 | 2291 |
Jaarlijks aantal schaduwschermuren | uur | 0 | 0 |
Jaarlijks aantal belichtingsuren | uur | 0 | 0 |
Resultaten warmte, koude en elektra | |||
Jaarlijkse warmtevraag | MJ/m2 | 1486 | 1542 |
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer | MJ/m2 | 372 | n.v.t. |
Gemiddelde temperatuur naar warme bron | °C | 22,3 | |
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer | MJ/m2 | 361 | n.v.t. |
Hoogwaardig warmte-overschot | MJ/m2 | 0 | 0 |
Elektriciteit voor belichting | kWh/m2 | 0 | 0 |
Electriciteit voor koeling en verwarming | kWh/m2 | 12 | n.v.t. |
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp | kWh/m2 | 45 | n.v.t. |
Effectieve COP Warmtepomp | - | 2,9 | n.v.t. |
Resultaten gas en elektra | |||
Gasinkoop | m3/m2 | 35 | 49 |
Elektra inkoop | kWh/m2 | 27 | 1 |
Elektra verkoop | kWh/m2 | 12 | 0 |
Netto elektra inkoop | kWh/m2 | 15 | 1 |
Resultaten CO2-emissie | |||
CO2-emissie Ketel | kg/m2 | 42 | 87 |
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik | kg/m2 | 14 | 0 |
CO2-emissie WKK voor netlevering | kg/m2 | 6 | 0 |
kg/m2 | 62 | 87 | |
Conclusie CO2 emissiebeperking | 29% |
Nr. | N2000-gebieden met een significante stikstofproblematiek |
55 | Aamsveen |
47 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek |
13 | Alde Feanen |
17 | Bakkeveense Duinen |
33 | Bargerveen |
63 | Bekendelle |
156 | Bemelerberg & Schiepersberg |
46 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld |
112 | Biesbosch |
65 | Binnenveld |
52 | Boddenbroek |
41 | Boetelerveld |
44 | Borkeld |
144 | Boschhuizerbergen |
83 | Botshol |
128 | Brabantse Wal |
104 | Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein |
155 | Brunssummerheide |
153 | Bunder- en Elsloërbos |
53 | Buurserzand & Haaksbergerveen |
96 | Coepelduynen |
69 | De Bruuk |
139 | Deurnsche Peel & Mariapeel |
49 | Dinkelland |
107 | Donkse Laagten |
25 | Drentse Aa-gebied |
27 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld |
26 | Drouwenerzand |
5 | Duinen Ameland |
84 | Duinen Den Helder en Callantsoog |
2 | Duinen en Lage Land Texel |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek |
6 | Duinen Schiermonnikoog |
4 | Duinen Terschelling |
3 | Duinen Vlieland |
30 | Dwingelderveld |
89 | Eilandspolder |
28 | Elperstroomgebied |
40 | Engbertsdijksvenen |
23 | Fochteloërveen |
67 | Gelderse Poort |
154 | Geleenbeekdal |
157 | Geuldal |
115 | Grevelingen |
80 | Groot Zandbrink |
140 | Groote Peel |
29 | Havelte-Oost |
72 | IJsselmeer |
92 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen |
135 | Kempenland-West |
88 | Kennemerland-Zuid |
81 | Kolland & Overlangbroek |
116 | Kop van Schouwen |
61 | Korenburgerveen |
114 | Krammer-Volkerak |
158 | Kunderberg |
58 | Landgoederen Brummen |
50 | Landgoederen Oldenzaal |
130 | Langstraat |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux |
48 | Lemselermaten |
147 | Leudal |
21 | Lieftinghsbroek |
70 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid |
71 | Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem |
51 | Lonnekermeer |
131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen |
145 | Maasduinen |
117 | Manteling van Walcheren |
31 | Mantingerbos |
32 | Mantingerzand |
97 | Meijendel & Berkheide |
149 | Meinweg |
94 | Naardermeer |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck |
161 | Noorbeemden & Hoogbos |
87 | Noordhollands Duinreservaat |
22 | Norgerholt |
141 | Oeffelter Meent |
37 | Olde Maten & Veerslootlanden |
95 | Oostelijke Vechtplassen |
118 | Oosterschelde |
91 | Polder Westzaan |
134 | Regte Heide & Riels Laag |
150 | Roerdal |
18 | Rottige Meenthe & Brandemeer |
42 | Sallandse Heuvelrug |
146 | Sarsven en De Banen |
160 | Savelsbos |
86 | Schoorlse Duinen |
142 | Sint Jansberg |
159 | Sint Pietersberg & Jekerdal |
99 | Solleveld & Kapittelduinen |
45 | Springendal & Dal van de Mosbeek |
60 | Stelkampsveld |
137 | Strabrechtse Heide & Beuven |
148 | Swalmdal |
59 | Teeselinkven |
38 | Uiterwaarden IJssel |
82 | Uiterwaarden Lek |
66 | Uiterwaarden Neder-Rijn |
68 | Uiterwaarden Waal |
36 | Uiterwaarden Zwarte water en Vecht |
129 | Ulvenhoutse Bos |
15 | Van Oordt’s Mersken |
39 | Vecht en Beneden-Reggegebied |
57 | Veluwe |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek |
100 | Voornes Duin |
1 | Waddenzee |
34 | Weerribben |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven |
98 | Westduinpark & Wapendal |
122 | Westerschelde & Saeftinghe |
35 | Wieden |
43 | Wierdense Veld |
16 | Wijnjeterper Schar |
62 | Willinks Weust |
54 | Witte Veen |
24 | Witterveld |
64 | Wooldse Veen |
90 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder |
143 | Zeldersche Driessen |
105 | Zouweboezem |
85 | Zwanenwater & Pettemerduinen |
123 | Zwin & Kievittepolder |
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 25q, eerste lid, onderdeel a):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 7,00 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,20 | € 260.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,10 | € 3,90 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,40 | € 3,80 | € 260.000,– |
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 25q ,eerste lid, onderdeel b):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 7,00 | € 70.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,20 | € 260.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,10 | € 3,90 | € 70.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,40 | € 3,80 | € 260.000,– |
Warmtebuffersysteem (artikel 25q, eerste lid, onderdeel c):
Onderneming | Subsidiepercentage | Buffercapaciteit | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 60 m3 | € 50.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 125 m3 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 250 m3 | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | 250 m3 of groter | € 100.000,– |
Verticale ventilatoren (artikel 25q, eerste lid, onderdeel d):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,– | € 40.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,– | € 150.000,– |
Energieclusters (artikel 25q, eerste lid, onderdeel e):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten voor de warmteaansluiting | Maximale subsidiabele investeringskosten voor de CO2-aansluiting |
Per aangesloten energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming | 25% | € 150.000,– | € 50.000,– |
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 25q, eerste lid, onderdeel f):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,50 | € 65.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 25q, eerste lid, onderdeel g):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 15,– | € 50.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 10 | € 150.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd Materieel eigen arbeid forfaitair | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 7,– | € 8,– | € 50.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,– | € 4,– | € 150.000,– |
Energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmte terugwinning (artikel 25q, eerste lid, onderdeel h):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd zonder warmteterugwinning | Maximale subsidiabele investeringskosten zonder warmteterugwinning |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 15,– | € 750.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd met warmteterugwinning | Maximale subsidiabele investeringskosten met warmteterugwinning |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 20,– | € 1.000.000,– |
Diffuus glas (artikel 25q, eerste lid, onderdeel i):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 12.,– | € 120.000 |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 10,– | € 500.000 |
Biomassa gestookte ketelinstallatie (artikel 25q, eerste lid, onderdeel j):
Onderneming | Subsidiepercentage | kW benutbare warmte | Maximale subsidiabele investeringskosten per kW benutbare warmte | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming | 25% | 0 t/m 500 | € 800,–/kW | € 400.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming | 25% | > 500 t/m 1500 | € 600,–/kW | € 900.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming | 25% | > 1500 | € 400,–/kW | € 1.500.000,– |
Aansluiting op een energie- of CO2netwerk (artikel 25q, eerste lid, onderdeel k):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten voor de warmteaansluiting | Maximale subsidiabele investeringskosten voor de CO2/biogas-aansluiting |
per aangesloten energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming | 25% | €150.000,– | € 50.000,– |