Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 28 juni 2012, nr. DJZ/BR/0501-12, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Opstap Fonds)Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Opstap Fonds)De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,namens deze:de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,R.Swartbol

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten op de gebieden van mensenrechten, veiligheid, weerbaarheid en toegang tot zorg inclusief HIV preventie ten behoeve van sekswerkers en die strekken tot structurele armoedebestrijding, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Voor subsidieverlening in het kader van het Opstap Fonds geldt voor de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2015 een subsidieplafond van € 6 miljoen.

Voor subsidieverlening in het kader van het Opstap Fonds komen in aanmerking samenwerkingsverbanden van Nederlandse maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor sekswerkers ten aanzien van de verbetering van mensenrechten, veiligheid, weerbaarheid en toegang tot gezondheidsfaciliteiten inclusief HIV preventie.

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Opstap Fonds worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 30 augustus 2012.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2016 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) inclusief HIV/AIDS, is één van de prioriteiten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. In de Basisbrief Ontwikkelingssamenwerking van 26 november 20101, de Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking van 18 maart 20112 en de Kamerbrief van 18 april 2011 met kenmerk AMBA-12/2011 en de Kamerbrief van 7 mei 2012 ‘Beleid voor Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten, inclusief hiv/AIDS’ met kenmerk DSO/GA-083/2012 over de nadere uitwerking van het beleid op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/AIDS zijn de beleidsprioriteiten voor ontwikkelingssamenwerking en de samenhang tussen seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/AIDS toegelicht. Eén van de doelstellingen is het wegnemen van belemmeringen voor gemarginaliseerde groepen in diverse landen.

In veel landen is ‘prostitutie’, in dit kader ook aangeduid als ‘sekswerk’, gemarginaliseerd of zelfs gecriminaliseerd en worden sekswerkers door de autoriteiten actief vervolgd. In veel landen heeft de zich stabiliserende HIV epidemie zich vooral genesteld in o.a. deze gemarginaliseerde groep binnen de samenleving (concentrated epidemic). Daardoor komen niet alleen de mensenrechten van sekswerkers in het geding (recht op menselijke waardigheid/bescherming en veilige werkomstandigheden) maar ook de gezondheid.

In Nederland worden seksualiteit en prostitutie openbaar besproken. Sekswerk is dan ook bij de wet geregeld. De rechten en plichten van sekswerkers verschillen niet met die van andere Nederlanders. De veiligheid en (w)eerbaarheid van sekswerkers staan daarbij centraal, waarbij discriminatie en marginalisatie actief worden bestreden. Dat is in andere landen vaak niet het geval. De Nederlandse aanpak is in veel opzichten uniek en wordt internationaal als een ‘best practice’ gewaardeerd.

De beslissing om in de seksbranche te gaan werken is niet eenvoudig. Vaak ligt er een ingewikkeld complex aan factoren aan ten grondslag, waarbij armoede en economische malaise de boventoon voeren. Naast deze factoren zijn gebrek aan scholing en werkgelegenheid van groot belang. Door marginalisatie en stigmatisering zijn sekswerkers extra kwetsbaar.

Er wordt veel aandacht besteed aan mogelijkheden voor sekswerkers om uit dit werk te kunnen stappen. Uitstappen is voor de meesten niet makkelijk. Naast economische afhankelijkheid (schulden) en sociaal isolement (discriminatie) is het ontbreken van een toekomstperspectief door gebrek aan scholing en alternatieve werkgelegenheid te lastig om alleen de stap te kunnen maken. Ervaringen hebben geleerd dat de ‘opstap’ (emancipatie) de basis is voor een eventuele ‘uitstap’.

Gedwongen prostitutie en seksuele uitbuiting van minderjarigen vallen overal onder het strafrecht en worden actief bestreden. Deze sekswerkers zijn in eerste instantie slachtoffers van mensenhandel en worden specialistisch opgevangen. Het gaat hier dus niet om uitstappen, want deze gedwongen sekswerkers worden bevrijd uit hun gijzeling.

Door de mensenrechten van sekswerkers te verbeteren worden zij uit een sociaal economisch isolement gehaald. Hierdoor verbetert niet alleen hun veiligheid, maar ook zijn zij beter in staat hun fysieke gezondheid te beschermen door bijvoorbeeld de weigering van onveilige seks. De opstap verwijst naar de emancipatie waardoor zij een beter inzicht en daadwerkelijke controle over hun eigen leven krijgen en op basis waarvan zij zelf keuzes voor de toekomst kunnen maken.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken financierde in de periode 2009–2011 uitstap programma’s voor sekswerkers (2 miljoen Euro). Deze programma’s werden uitgevoerd door Soa AIDS Nederland en ICCO in Bolivia, Brazilië, Egypte, Macedonië, Nicaragua, Oeganda en Vietnam. Hoewel een gering aantal sekswerkers wel is uitgestapt, blijkt de opstap naar betere keuze mogelijkheden van essentieel belang te zijn geweest.

Soa AIDS Nederland en ICCO organiseerden een afsluitende conferentie om de uitkomsten van uitstapprogramma’s met sekswerkers en zuidelijke partners te inventariseren. De uitkomsten van de besprekingen werden op 25 april 2012 gepresenteerd:

Dit subsidiebeleidskader voor het Opstap Fonds steunt op de beleidsprioriteit SRGR inclusief HIV/AIDS en de motie-Van der Staaij/Ferrier3 met betrekking tot het behoud van de unieke Nederlandse aanpak onder kwetsbare groepen.

Naar aanleiding van bovengenoemde motie is € 6 miljoen beschikbaar ten behoeve van het subsidiëren van activiteiten onder Opstap Fonds. Met het oog op duurzaamheid en effectiviteit van activiteiten en van inzet van middelen wordt dit bedrag meerjarig beschikbaar gesteld. Het totale subsidietijdvak is van 1 september 2012 tot en met 31 december 2015. Deze middelen zijn beschikbaar naast het Medefinancieringsstelsel voor de periode 2011–2015 (MFS II), het Fonds Keuzes en Kansen 2011–20144, het Key Populations Fonds (2011–2015) en het NGO Coördinatie Fonds (2012–2014). Beoogd wordt activiteiten te financieren die complementair zijn aan activiteiten die uit deze fondsen worden gefinancierd.

De beschikbaar gestelde middelen zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden van Nederlandse maatschappelijke organisaties die zich gezamenlijk inzetten voor de emancipatie en verbetering van uitstapmogelijkheden van sekswerkers. Gekozen is een samenwerkingsverband in plaats van individuele organisaties te steunen omdat de expertise van deze Nederlandse toegevoegde waarde verdeeld is over diverse organisaties. Samenwerking kan leiden tot een beter palet van mogelijke interventies.

Bij voorkeur zal subsidie worden verleend aan één samenwerkingsverband van Nederlandse maatschappelijke organisaties die gezamenlijk via één penvoerder een aanvraag indienen waarmee wordt beoogd invulling te geven aan de unieke Nederlandse aanpak in ontwikkelings- en transitielanden5. De kwaliteit van de aanvragen, van de aanvrager en van de samenwerkingsverbanden namens welke subsidie wordt aangevraagd, zoals beoordeeld volgens de hierna volgende criteria, zal leidend zijn.

Met het verstrekken van subsidie aan een samenwerkingsverband van Nederlandse maatschappelijke organisaties voor activiteiten gericht op emancipatie van sekswerkers worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

In aanvulling op de bepalingen van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking6 gelden, gelet op het voorgaande, in het kader van het Opstap Fonds de volgende bepalingen. Daarbij geldt dat waar de beleidsregels voor het Opstap Fonds afwijken van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking, deze beleidsregels voorrang hebben.

In aanvulling op en ter nadere invulling van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking zijn de volgende criteria van toepassing:

Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer van deze criteria, wordt deze afgewezen en niet verder beoordeeld.

In aanvulling op en ter nadere invulling van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking wordt de aanvraag beoordeeld op de volgende criteria:

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Fonds dienen in zesvoud uiterlijk 30 augustus 2012 schriftelijk, en rechtsgeldig ondertekend te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Sociale Ontwikkeling, Afdeling Gezondheid en AIDS, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag. De stukken vermeld onder X.1, 6 en 7 kunnen in tweevoud worden gestuurd. Bij voorkeur wordt de aanvraag ook op een DVD ingediend. De staatssecretaris zal besluiten over de ingediende aanvragen uiterlijk op 23 oktober 2012.

Voor informatie over dit subsidiekader kan via e-mail contact worden opgenomen met de Directie Sociale Ontwikkeling, Afdeling Gezondheid en AIDS, DSO-GA@minbuza.nl. Ten behoeve van een transparant proces worden geen mondeling inlichtingen of toelichtingen gegeven. Vragen worden schriftelijk beantwoord en in geanonimiseerde versie op www.minbuza.nl gepubliceerd.