Ministeriële regeling · BWBR0032443

Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ/12367047, houdende de openstelling van subsidieaanvragen en de vaststelling van subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013)Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013De Minister van Economische Zaken;

Gelet op:

  • de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies, en

  • de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15, 1:17, en bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b van de Regeling LNV-subsidies;

  • Besluit:

    Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

    's-Gravenhage12 december 2012De Minister van Economische Zaken,

    In dit besluit wordt verstaan onder:

    Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, worden uitsluitend ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:

    Per landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming kan per activiteit slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.

    Er worden geen voorschotten verleend.

    De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, de opleiding, de training of de voorlichtingsbijeenkomst, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1.500 bedraagt.

    Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.

    In afwijking van artikel 2:29, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling start het innovatieproject uiterlijk binnen drie maanden na de datum van subsidieverlening op de opgegeven bedrijfslocaties.

    In afwijking van artikel 2:31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, van de regeling bedraagt de subsidie ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.

    Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:31, eerste lid, van de regeling worden ingediend in de periode van 16 september 2013 tot en met 15 oktober 2013.

    Er worden geen voorschotten verleend.

    Het subsidieplafond bedraagt:

    Per samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag worden ingediend.

    De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.

    Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden ingediend.

    De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.

    Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedraagt € 3.500.000.

    Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden ingediend.

    De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.

    Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, bedraagt € 5.500.000.

    In afwijking van artikel 13, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 122 van Verordening (EG) nr. 1234/2007, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 103 ter of 103 quater van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.

    Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 19 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.

    De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en 17, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energie-innovatie naar het oordeel van de commissie:

    Er worden geen voorschotten verleend.

    In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling kunnen aanvragen tot subsidievaststelling worden ingediend tot 1 april 2016.

    Het subsidieplafond bedraagt € 10.000.000.

    Artikel 1:20, vijfde lid, van de regeling is van overeenkomstige toepassing.

    Er worden geen voorschotten verleend.

    De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.

    De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling, betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing, met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.

    Er worden geen voorschotten verleend.

    De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten ten minste € 3.000 bedragen en de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.

    Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 23s bedraagt: € 1.000.000.

    Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015.

    Er worden geen voorschotten verleend.

    Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.

    Het subsidieplafond bedraagt:

    Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 31 december 2013.

    Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:

    Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 28 februari 2013.

    Het subsidieplafond bedraagt € 160.000.

    Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, onderdeel a, van de regeling in de periode van 1 april 2013 tot en met 15 mei 2013.

    Het subsidieplafond bedraagt € 75.000.

    Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:67 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2013 tot en met 3 september 2013, 12.00 uur.

    Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 3:79 van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 november 2013.

    Het subsidieplafond bedraagt € 750.000.

    Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:26a, eerste lid, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 2 december 2013.

    Het subsidieplafond bedraagt € 4.500.000.

    Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.

    In afwijking van artikel 4:24, eerste lid, van de regeling, voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.

    In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, van de regeling, komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.

    Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 34j met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.

    Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van de gemaakte en betaalde kosten.

    In afwijking van artikel 4:33f, eerste lid, van de regeling, voert de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend uit voor 1 januari 2016.

    In aanvulling op artikel 1:15, eerste lid, van de regeling, komen kosten die betaald zijn na 31 december 2015 niet voor subsidie in aanmerking.

    De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing , naar rato verhoogd:

    Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 6, 12 en 23 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.

    Als rekenmodel bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling (Marktintroductie energie-innovaties) wordt vastgesteld de bij dit besluit horende bijlage.

    Wijzigt de Regeling LNV-subsidies.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013.

    Bedrijfsnaam:

    Eigenaar/indiener:

    Bedrijfsadres:

    Postcode/plaats:

    Bedrijfswebsite:

    Correspondentieadres:

    Postcode/plaats:

    Telefoonnummer:

    E-mailadres:

    Aanvraagnummer:

    De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.

    Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.

    Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.

    Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.

    In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).

    De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.

    Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.

    In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.

    De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.

    De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.

    Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.

    De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.

    Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.

    In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.

    Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).

    Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).

    In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.

    Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).

    Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.

    Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.

    Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.

    Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.

    Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.

    Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.

    Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).

    Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.

    Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.

    Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).

    De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:

    Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.