Wijzigingen Officiële bron
Registratie-eisen en toetsingsprocedure 005.1 Verdovende Middelen – analyse en interpretatie – Versie 1.0Registratie-eisen en toetsingsprocedure 005.1 Verdovende Middelen – analyse en interpretatie – Versie 1.0

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensische deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) is gebaseerd. Het College gerechtelijk deskundigen (College) formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van algemene criteria nadere eisen die specifiek zijn voor het deskundigheidsgebied. Tevens specificeert het College de toetsingsprocedure voor elk deskundigheidsgebied.

Dit document verduidelijkt de professionele eisen waaraan deskundigen Verdovende Middelen – analyse en interpretatie moeten voldoen en de specifieke toetsingsprocedure gebruikt door de toetsingsadviescommissies om deskundigen Verdovende Middelen – analyse en interpretatie die een aanvraag doen voor registratie in het NRGD te toetsen.

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van informatie, waaronder documenten (zoals zaaksrapporten en bewijsstukken), in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken.

De algemene eisen van het tweede lid van artikel 12 Brdis zijn in onderstaande tekst letterlijk opgenomen (in cursief) met verwijzing naar hun respectieve aanduiding van de subleden. Bij elke algemene eis volgen de nadere, specifieke eisen voor het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen – analyse en interpretatie. Wanneer geen nadere specificaties zijn aangegeven, zijn de algemene eisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 Brdis vooralsnog voldoende bevonden voor dat onderdeel van het artikel en zijn geen nadere eisen nodig.

Het tweede lid van artikel 12 Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

12(2) a. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Een aanvrager dient:

12(2) b. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

12(2) c. (...) in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

Een aanvrager dient:

12(2) d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren.

12(2) e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen.

Een aanvrager dient:

12(2) f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Een aanvrager dient:

12(2) g. (...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn.

12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

Om te beoordelen of een aanvrager voldoet aan de eisen voor Verdovende Middelen – analyse en interpretatie en in aanmerking komt voor registratie in het register schrijft het College NRGD een toetsingsprocedure voor die bestaat uit verplichte en optionele elementen. De toetsingsadviescommissies hebben een discretionaire bevoegdheid te bepalen of en zo ja, welke optionele onderdelen in de toetsingen worden opgenomen.

Verplichte elementen:

De beoordeling geschiedt op basis van:

Optionele elementen:

Voorts kan de beoordeling ook geschieden op basis van:

Aanvragers worden getoetst door een toetsingsadviescommissie van tenminste drie personen. Een toetsingsadviescommissie bestaat uit een jurist en twee vakinhoudelijk deskundigen.

‘Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines, deel I-VI (serie)’:

Aalberg, L. Andersson, K., Bertler, C. Borén, H. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines I: Synthesis of standards and compilation of analytical data. Forensic Science International (149) 2-3, p. 219-229.

Aalberg, L., Andersson, K., Bertler, C., Cole, M.D. e.a. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines II: Stability of impurities in organic solvents. Forensic Science International (149) 2-3, p. 231-241.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E., Finnon, Y. e.a.(2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines III: Development of the gas chromatographic method. Forensic Science International, (169) 1, p. 50-63.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E. Huizer e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines IV: Optimisation of sample preparation. Forensic Science International (169) 1, p. 64-76.

Aalberg, L., Andersson, K., Dahlén, J., Lock, E. e.a. (2007) Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines V: Determination of the variability of the optimised method. Forensic Science International (169) 1 , p. 77-85.

Andersson, K., Lock, E., Jalava, K., Huizer H. e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines VI: Evaluation of methods for comparison of amphetamine. Forensic Science International, (169) 1, p. 86-99.

Deursen, M.M. van, Lock, E.R.A., Poortman- van der Meer, A.J. (2006). Organic impurity profiling of 3,4-methylenedioxymethamphetamine (MDMA) tablets seized in the Netherlands. Science & Justice (46), p. 135-152.

Donnell jr., C. R. (2003), Forensic Investigation of Clandestine Laboratories. Professional Business Solutions, USA: O'Fallon.

International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) (2002). Guidelines for Forensic Science Laboratories. ILAC, Rhodes, Australia.

Moffat, A.C., Osselton, D. M. and Widdop, B., (2011). Clarke’s Analysis of Drugs and Poisons: in pharmaceuticals, body fluids, and postmortem material. London: Pharmaceutical Press.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1986). Recommended Methods for Testing Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1989). Recommended Methods for Testing Lysergide (LSD). New York; United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2006). Recommended Methods for the Identification and Analysis of Amphetamine, Methamphetamine and their Ring-Substituted Analogues in Seized Materials. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2009). Recommended methods for the identification and analysis of cannabis and cannabis products. New York: United Nations.

United Nations in cooperation with the Drugs Working Group of the European Network of Forensic Science Institutes (2009). Guidelines on Representative Drug Sampling. New York: United Nations.

United Nations International Drug Control Programme (1998). Recommended Methods for Testing Opium, Morphine and Heroin. New York: United Nations

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Office for Drug Control and Crime Prevention (2001). Drug Characterization/Impurity Profiling: Background and Concepts. New York: United Nations.

Website:

http://www.unodc.org/unodc/en/scientists/publications.html