Wijzigingen Officiële bron
Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, behandeling van verzoeken om zekerheid vooraf in de vorm van een Advance Tax Ruling (ATR)Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, behandeling van verzoeken om zekerheid vooraf in de vorm van een Advance Tax Ruling (ATR)

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/125M. In dit besluit wordt het voorgaande besluit geactualiseerd.

De Staatssecretaris van Financiën,namens deze,T.W.M.PoolenLid van het managementteam Belastingdienst

In dit besluit worden de procedures beschreven die dienen te worden gevolgd teneinde een advance tax ruling te kunnen afgeven. Een advance tax ruling geeft zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van een voorgenomen transactie of samenstel van transacties.

Het verzoek tot afgifte van een ATR dient te worden gericht aan de competente inspecteur, waarbij de verzoeker tegelijkertijd een kopie verstuurd aan het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam). Om de coördinatie van de uitvoering te waarborgen legt de inspecteur in de hierna genoemde situaties het verzoek om zekerheid vooraf voor aan het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/ Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) voor een bindend advies. Waar nodig stemt het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) het verzoek af met de relevante kennisgroepen of coördinatiegroepen om de eenheid van beleid en uitvoering te waarborgen.

De inspecteur dient de volgende verzoeken tot zekerheid voor bindend advies voor te leggen:

Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval zal door de (mogelijke) belastingplichtige in ieder geval de volgende informatie verstrekt dienen te worden aan de Belastingdienst.

De verzoeker zal in eerste instantie aan dienen te geven voor welke termijn het redelijk is goedkeuring vooraf te geven. Hierbij kan in beginsel worden gedacht aan een periode van vier tot vijf jaren. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld denkbaar bij langlopende contracten.

Na afloop van de overeengekomen periode zal op verzoek van belastingplichtige opnieuw worden bezien of onder dezelfde voorwaarden een nieuwe ATR kan worden overeengekomen.

De Belastingdienst zal bij de beoordeling van het verzoek rekening houden met alle relevante feiten en omstandigheden die samenhangen met de transactie(s) waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd.

Om de gevolgen van de ATR vast te leggen zal de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek sluiten met het verzoekende lichaam. De Belastingdienst dient daarbij de kaders voor vaststellingsovereenkomsten, zoals opgenomen in het BFB, in acht te nemen. In het BFB is een procedure opgenomen met betrekking tot de verslaglegging van een negatieve beslissing op een verzoek om zekerheid vooraf. In dit kader wordt het volgende opgemerkt. In de oriënterende fase kan nog niet worden gesproken van overleg zoals bedoeld in het BFB. Er is eerst sprake van een overleg waarvan een verslag moet worden opgemaakt als het voorliggende verzoek vrijwel past binnen de kaders van het bestaande beleid waarbinnen ATR’s worden overeengekomen. De beslissing van de inspecteur om in dat specifieke geval geen vaststellingsovereenkomst te sluiten wordt schriftelijk meegedeeld aan belanghebbende. In die gevallen wordt een verslag opgesteld, zoals bedoeld in het hiervoor genoemde besluit.

De vaststellingsovereenkomst zal in ieder geval de volgende elementen bevatten:

In het BFB zijn de algemene kaders aangegeven waarbinnen de Belastingdienst kan weigeren zekerheid vooraf te verstrekken. Daarnaast worden in het besluit nr. DGB 2014/3101 specifieke situaties weergegeven waarin geen zekerheid vooraf wordt verstrekt. De betreffende besluiten zijn van overeenkomstige toepassing bij het afsluiten van ATR’s.

Verzoeken om zekerheid vooraf over de in onderdeel 3 genoemde onderwerpen van tussenhoudsters en tophoudsters in internationale structuren worden slechts in behandeling genomen indien:

Onder ‘een concern’ wordt in dit verband verstaan: de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen, bedoeld in artikel 10a, vierde lid, in verbinding met het zesde lid, van de Wet VPB, en de met hem verbonden natuurlijke personen, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Wet VPB. In het geval een Nederlands lichaam bestuurder is van het lichaam waarvoor zekerheid vooraf gevraagd wordt, dienen beide lichamen te voldoen aan alle in de bijlage opgenomen vereisten op het gebied van de reële aanwezigheid.

Het beleid dat ten grondslag ligt aan de afgesloten dan wel – onder omstandigheden – niet tot stand gekomen ATR’s zal worden gepubliceerd met inachtneming van het BFB tenzij sprake is van reeds eerder gepubliceerd beleid. De publicatie zal bestaan uit een samenvatting die alle elementen dient te bevatten die bepalend zijn voor het gevoerde beleid.

Op grond van het besluit van 16 december 2013, nr. IFZ/2013/229, is het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) gemandateerd om, namens de in die regelingen bedoelde bevoegde autoriteit in Nederland, te beslissen op verzoeken over de toepassing van de zogenoemde vangnetbepaling in de ‘limitation on benefitsbepaling’ opgenomen in Nederlandse bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, zoals bij voorbeeld artikel 26, zevende lid, van het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, of vergelijkbare bepalingen opgenomen in (het protocol bij) de belastingverdragen met Bahrein, Hong Kong, Japan en Koeweit.

Het verzoek tot het nemen van een dergelijke beslissing dient rechtstreeks te worden gericht aan het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam), waarbij de verzoeker tegelijkertijd een afschrift verstuurt aan de ten aanzien van het verzoekende lichaam competente inspecteur en het APA-/ATR team daarover in het verzoek wordt geïnformeerd. Een dergelijke beslissing heeft niet het karakter van een ATR. De procedures volgens de desbetreffende regeling ter voorkoming van dubbele belasting gelden onverkort, waarbij het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) handelt als de bevoegde autoriteit in Nederland.

Dit besluit treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/125M, dat hierbij wordt ingetrokken.

Lijst van minimum vereisten als bedoeld in onderdeel 10 van het onderhavige besluit

Voor de uitleg van deze vereisten is hoofdstuk III van het besluit nr. DGB 2014/3102 van overeenkomstige toepassing.