Ministeriële regeling · BWBR0043066
Regeling leerresultaten PO 2020
Gelet op de artikelen 34.4 en artikel 34.6 van het Besluit bekostiging WPO;
Gelet op het voorstel als bedoeld in artikel 34.5, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO van de Inspecteur-generaal van het onderwijs;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.SlobIn bijlage A bij deze regeling wordt geregeld:
- a.
De wijze waarop de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de WPO tot stand komt, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van het Inrichtingsbesluit WPO, in deel 1 van bijlage A.
- b.
De wijze waarop en omstandigheden waarin bij kleine scholen de leerresultaten worden gewogen, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, van het Inrichtingsbesluit WPO, in deel 2 van bijlage A.
- c.
De wijze van correctie van de meting voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, van het Inrichtingsbesluit WPO, in deel 3 van bijlage A.
- d.
De normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, van het Inrichtingsbesluit WPO, in deel 4 van bijlage A.
Bijlage B regelt de wijze waarop de inspectie het aanvullend onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingsbesluit WPO, verricht.
Deze regeling is gebaseerd op de artikelen 2.2 en 2.4 van het Inrichtingsbesluit WPO.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2020.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling leerresultaten PO 2020.
De gegevens, die de inspectie gebruikt bij de beoordeling van de leerresultaten, ontvangt zij jaarlijks op vooraf afgesproken momenten van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De behaalde leerresultaten leveren de scholen aan DUO. DUO verwerkt de gegevens in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD). De inspectie ontvangt de geanonimiseerde gegevens van de individuele leerlingen uit ROD.
Tevens ontvangt de inspectie jaarlijks de geanonimiseerde schoolweging van het CBS. CBS berekent voor elke leerling op school de verwachte onderwijsscore op basis van het opleidingsniveau van de ouders, het land van herkomst, de verblijfsduur in Nederland en gegevens over het al dan niet in de schuldsanering zitten. De schoolweging is het gemiddelde van de verwachte onderwijsscores van alle leerlingen op de school, waarbij is gekozen voor een schaal die in de praktijk loopt van ongeveer 20 tot 40: hoe hoger de schoolweging, des te meer leerlingen met een lage verwachte onderwijsscore.
Voor een beperkt aantal scholen is het noodzakelijk dat de inspectie een extra berekening uitvoert op de door CBS geleverde schoolweging. Dit geldt voor scholen met twee of meer vestigingen die door de inspectie als afzonderlijke objecten van toezicht worden gezien. De inspectie publiceert jaarlijks de lijst met de schoolweging van alle scholen, die zij bij haar beoordeling hanteert, op de inspectiewebsite.
De beoordeling van de leerresultaten is gebaseerd op twee indicatoren die de behaalde referentieniveaus betreffen:
- 1.
behalen voldoende leerlingen het fundamenteel niveau (% ≥1F)?
- 2.
behalen voldoende leerlingen het streefniveau (% ≥1S/2F)?
Bij de beoordeling kijkt de inspectie naar de behaalde referentieniveaus op de eind- of doorstroomtoets in de laatste drie schooljaren. De leerresultaten van leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden, zoals bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de WPO, laat de inspectie hierbij buiten beschouwing. Voor alle leerlingen die in de laatste drie schooljaren een eindtoets hebben gemaakt, beschikt de school over de behaalde referentieniveaus (1F of 1S/2F) voor lezen, taalverzorging en rekenen. De inspectie kijkt vervolgens welk percentage van de behaalde referentieniveaus in deze drie schooljaren op of boven 1F ligt en welk percentage op of boven 1S/2F ligt. Er worden dus twee percentages berekend, die zowel de referentieniveaus voor de drie vakgebieden als de drie schooljaren omvatten. In de toelichting bij deze regeling is een voorbeeld van de berekeningswijze opgenomen.
De signaleringswaarden voor beide indicatoren staan in Tabel 1. Als het behaalde percentage referentieniveaus onder de signaleringswaarde van één of beide indicatoren ligt, duidt dit op mogelijke kwaliteitsrisico’s. De signaleringswaarde voor de eerste indicator (% >1F) is voor alle scholen gelijk, omdat van alle scholen verwacht mag worden dat zij er naar streven hun leerlingen minimaal op het fundamenteel niveau te laten uitstromen. De signaleringswaarde voor het percentage behaalde streefniveaus 1S/2F is afhankelijk van de schoolweging.
Schoolweging | Signaleringswaarde % ≥ 1F | Signaleringswaarde % ≥ 1S/2F |
20–21 | 85 | 68,3 |
21–22 | 85 | 65 |
22–23 | 85 | 61,9 |
23–24 | 85 | 58,9 |
24–25 | 85 | 56,2 |
25–26 | 85 | 53,8 |
26–27 | 85 | 51,8 |
27–28 | 85 | 50,1 |
28–29 | 85 | 48,6 |
29–30 | 85 | 47,1 |
30–31 | 85 | 45,5 |
31–32 | 85 | 43,5 |
32–33 | 85 | 41,2 |
33–34 | 85 | 38,7 |
34–35 | 85 | 36,3 |
35–36 | 85 | 34,3 |
36–37 | 85 | 32,8 |
37–38 | 85 | 32 |
38–39 | 85 | 31,7 |
39–40 | 85 | 30,3 |
Als scholen fuseren dan vindt de beoordeling van de leerresultaten plaats op basis van de leerresultaten behorend bij het BRIN van de fusieschool. In de schooljaren voor de fusie worden de leerresultaten van de oorspronkelijke school die niet wordt opgeheven beschouwd en in de schooljaren na de fusie de leerresultaten van de fusieschool.
Een voorbeeld: als school A en B per 1-8-2019 fuseren en doorgaan onder het BRIN van school A, dan baseren we het oordeel over de leerresultaten van 2018, 2019 en 2020 op de referentieniveaus van school A in 2018 en 2019 en de referentieniveaus behaald door de fusieschool (A+B) in 2020.
In artikel 10a, tweede lid, van de WPO is geregeld dat er sprake is van onvoldoende leerresultaten als de leerresultaten gemeten over een periode van drie schooljaren onder de norm liggen. Dit betekent dat de leerresultaten van nieuwe scholen pas als onvoldoende beoordeeld kunnen worden als er ten minste leerresultaten van drie schooljaren beschikbaar zijn.
Er kan sprake zijn van een onbetrouwbare schoolweging, bijvoorbeeld in de volgende gevallen:
- •
Als er sprake is van een kleine school. Het CBS kan de schoolweging minder betrouwbaar bepalen bij minder dan 40 leerlingen op de hele school.
- •
Als een school meerdere vestigingen heeft die door de inspectie als afzonderlijke objecten van toezicht worden gezien, maar er is in ROD niet duidelijk aangegeven op welke locatie de leerlingen zijn ingeschreven.
Dit betekent niet automatisch dat de schoolweging geen goede afspiegeling van de leerlingenpopulatie is. Vaak zal dat wel het geval zijn. Tijdens het onderzoek op de school kan de inspecteur tot de conclusie komen dat er sprake is van een onbetrouwbare schoolweging, die het onmogelijk maakt om een oordeel over de leerresultaten te geven.
Bij kleine scholen beschouwt de inspectie bij de beoordeling de behaalde referentieniveaus in de laatste vijf schooljaren. Een school is een kleine school als er in de laatste drie schooljaren minder dan 15 leerlingen in totaal in het achtste leerjaar zaten.
Bij de beoordeling van de leerresultaten houdt de inspectie rekening met de schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen. Dit doet zij op twee manieren:
- 1.
Door rekening te houden met schoolkenmerken op basis van de schoolweging. Deze geeft de complexiteit van de leerlingenpopulatie weer: hoe lager de schoolweging hoe minder complex de leerlingenpopulatie en hoe hoger de resultaten die we van de school mogen verwachten. De inspectie gebruikt bij de beoordeling van de leerresultaten de gemiddelde schoolweging van de drie voorgaande schooljaren, bijvoorbeeld: bij de beoordeling van de leerresultaten van 2021–2022, 2022–2023 en 2023–2024 wordt de gemiddelde schoolweging van de schooljaren 2020–2021, 2021–2022 en 2022–2023 gebruikt. Als de schoolweging van minder schooljaren bekend is, dan gebruikt de inspectie de gemiddelde schoolweging van de beschikbare jaren;
- 2.
Door rekening te houden met een concentratie van leerlingen met bijzondere individuele kenmerken. Het kan voorkomen dat een school leerresultaten behaalt die onder één of beide signaleringswaarden van de hierboven beschreven indicatoren liggen. Het is mogelijk dat dit wordt veroorzaakt door een concentratie van leerlingen met bijzondere individuele kenmerken. De inspectie kan in dit geval toch tot een voldoende oordeel komen, als de school zich hierover op een controleerbare wijze verantwoordt, waarbij er redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
Het oordeel over de leerresultaten komt aan de hand van de twee indicatoren tot stand:
Voldoende
- A.
als de percentages ≥1F en ≥1S/2F beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen; of
- B.
als de percentages ≥1F en ≥1S/2F niet beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen en de verantwoording van de school aan de hand van de leerlingkenmerken kan niet leiden tot een andere conclusie dan dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
Onvoldoende
- C.
als de percentages ≥1F en ≥1S/2F niet beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen en de verantwoording van de school aan de hand van de leerlingkenmerken leidt niet tot de conclusie dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
Niet te beoordelen
- D.
als de normering niet leidt tot het oordeel Voldoende of Onvoldoende en uit het aanvullend onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingsbesluit WPO en Bijlage B van deze regeling, niet volgt dat het oordeel Voldoende is.
Aanvullend onderzoek
Indien er geen of onvoldoende gegevens zijn voor een betrouwbaar oordeel over de leerresultaten, zal de inspectie een aanvullend onderzoek naar de leerresultaten (laten) verrichten. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit:
- •
het verkrijgen van nadere gegevens van de school over de leerresultaten voor zover ze wel beschikbaar zijn;
- •
analyse van de beschikbare leerresultaten en beoordeling door de inspecteur ter plekke.
Als uit het onderzoek niet geconcludeerd kan worden dat de leerresultaten voldoende zijn, kunnen de leerresultaten niet worden beoordeeld.