Wet · BWBR0001888
Ziektewet
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering bij ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de voorziening tegen ziekte van arbeiders;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo den 5den Juni 1913 WILHELMINA. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, A. S. TALMA. den negenden Juni 1913. De Minister van Justitie ad interim, HEEMSKERK.Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
- a.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- b.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- c.
lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
- d.
vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
- e.
onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer overeengekomen periode van verlof, waarbij op grond van artikel 6, tweede lid, geen dienstbetrekking aanwezig is;
- f.
rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- g.
justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
- h.
eigenrisicodrager: de werkgever aan wie de toestemming is verleend, bedoeld in artikel 63, eerste lid.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
- a.
echtgenoot: geregistreerde partner;
- b.
echtgenoten: geregistreerde partners;
- c.
gehuwd: als partner geregistreerd.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
- a.
als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
- b.
als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
- a.
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
- b.
uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
- c.
zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
- d.
zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen, die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
Vervallen
Vervallen
Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
- a.
in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
- b.
in Nederland een of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen, wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat:
- a.
personen, die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
- b.
personen, die in Nederland wonen, ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
- a.
vreemdelingen;
- b.
personen, op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid, of van een volkenrechtelijke organisatie; en
- c.
personen, die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
Bij een maatregel, als bedoeld in het vijfde lid, kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
- a.
vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
- b.
vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
- a.
wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
- b.
wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding van:
- a.
degene, die anders dan als zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 1639 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
- b.
degene, die de onder a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
- c.
degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
- d.
degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
- e.
vervallen;
- f.
degene, die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij
- 1°.
als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij of
- 2°.
exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
- 1°.
- g.
degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht;
- h.
degene, die als bestuurder werkzaam is ten behoeve van een coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van de coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van de vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Het bepaalde in het vorige lid, onder a en b, blijft buiten toepassing, indien de onder a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de vereisten, dat:
- a.
doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal van de personen met wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
- b.
het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
- c.
de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
- d.
de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen in de desbetreffende bedrijfstak;
- e.
een lid van de coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofde aan de coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid genoemde vereisten
- a.
nader worden bepaald;
- b.
worden aangevuld met andere vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt met een zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen gelijkgesteld:
- a.
een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, die het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is;
- b.
de directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, voor wie met betrekking tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, een beschikking geldt als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, waarin hij wordt gelijkgesteld met een zelfstandige.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
- a.
degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
- b.
degene, die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
- c.
degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
- d.
degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van:
- a.
degene, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a of d, van de Ambtenarenwet;
- b.
degene, die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van ’s lands verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der bevolking, alsmede van degene, die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij een gemeentelijke brandweer;
- c.
degene, die ten behoeve van de natuurlijke persoon, tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht;
- d.
de directeur-grootaandeelhouder.
Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
- a.
een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan een maand heeft geduurd;
- b.
weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
- c.
vervallen;
- d.
de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
- e.
de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht, indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden;
- f.
arbeidsongeschiktheid, terzake waarvan ziekengeld op grond van deze wet of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend.
Het bepaalde in de vorige leden is alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan.
De beschikking, bedoeld in artikel 3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de werkzaamheden, die voortvloeien uit een arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als werkzaamheden uitsluitend verricht voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan de belastingplichtige aanmerkelijk belanghouder is, heeft voor de termijn waarvoor deze beschikking geldt als gevolg dat de directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, met betrekking tot die arbeidsrelaties, voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder a, en de regels bij of krachtens artikel 5, wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Voor de toepassing van artikel 73a wordt de beschikking, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen waarin de directeur-grootaandeelhouder wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van die wet.
Indien de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt herzien, laat dat het in het eerste en tweede lid bedoelde gevolg onverlet, voor de termijn waarvoor die beschikking gold.
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
- a.
degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
- b.
in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van die wet of van het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
- a.
degene, die krachtens de verplichte verzekering ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt;
- b.
in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling van deze wet.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering ontvangt.
Tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip:
- a.
wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, alsmede
- b.
is artikel 8a niet van toepassing op degene die uitsluitend uit hoofde van een of meer arbeidsverhoudingen als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van een of meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen overheidswerknemer een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in onderdeel b van dat lid, verschillend worden vastgesteld.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig, tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
- a.
de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg aan wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van die wet;
- b.
in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die in verband met zwangerschap en bevalling niet werkt, anders dan bedoeld in artikel 29a, doch aan wie geen uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie, of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Als werkgever wordt beschouwd:
- 1°.
in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene, met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene, bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
h: de coöperatie;
- 2°.
in de gevallen, bedoeld in artikel 5, onder: a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt als werkgever beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, artikel 8, onderdeel a, artikel 8a en artikel 8c, onderdeel a.
In de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel b, artikel 8, onderdeel b, en artikel 8c, onderdeel b, wordt als werkgever beschouwd degene, die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de uitkering bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of 12, teneinde deze uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid, deze in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
Het ziekengeld van de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, ter zake waarvan ziekengeld wordt uitgekeerd, in dienstbetrekking stond tot een werkgever die het in artikel 75a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bedoelde risico zelf draagt, wordt uitbetaald door tussenkomst van deze werkgever.
In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, waarbij de werkgever, bedoeld in het eerste lid, de onderneming overdraagt is het eerste lid niet langer van toepassing.
Indien de onderneming van de werkgever, bedoeld in het eerste lid, wordt overgenomen, als bedoeld in het tweede lid, en de werkgever die de onderneming verkrijgt het in het eerste lid bedoelde risico zelf draagt, wordt de uitbetaling van het ziekengeld voortgezet door tussenkomst van laatstbedoelde werkgever.
Indien slechts een deel van een onderneming wordt overgenomen, als bedoeld in het tweede lid, blijft, in afwijking van het tweede lid, het eerste lid van toepassing als de werknemer bedoeld in dat lid in dienstbetrekking blijft staan tot de werkgever bedoeld in dat lid. Indien de werknemer in dienstbetrekking komt te staan tot de werkgever die een deel van de onderneming verkrijgt en die werkgever het in het eerste lid bedoelde risico zelf draagt, wordt de uitbetaling van het ziekengeld voortgezet door tussenkomst van die werkgever.
Artikel 11, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9 en 10 een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
- a.
degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
- b.
degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
- c.
degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
Voor de berekening van het ziekengeld, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd: hetgeen de werknemer tijdens het genot van het ziekengeld bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou hebben kunnen verdienen in het beroep, dat hij laatstelijk voor het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken uitoefende.
Onze Minister stelt met betrekking tot de vaststelling van het dagloon nadere regels.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo nodig in afwijking van de door Onze Minister op grond van het tweede lid gestelde regels, regels stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer categorieën van werknemers. Deze regels behoeven goedkeuring van Onze Minister.
De in het tweede en derde lid bedoelde regels kunnen bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
De vrouwelijke verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
De vrouwelijke verzekerde heeft geen recht op ziekengeld gedurende de periode dat zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8 van die wet.
Voor de toepassing van deze wet worden onder ziekte mede verstaan gebreken.
Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld kan bestaan.
Indien het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan, wordt betrokkene vanaf de dag:
- a.
dat hij in Nederland woont; of
- b.
waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond waarvan recht op ziekengeld kan bestaan; weer als verzekerde aangemerkt indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 19, voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet. Artikel 44, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
- a.
de verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
- b.
de verzekerde, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
- c.
de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met wonen in Nederland onderscheidenlijk niet wonen in Nederland gelijkgesteld het langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijven onderscheidenlijk het langer dan drie maanden onafgebroken niet in Nederland verblijven. Voor de toepassing van de eerste zin worden perioden van verblijf samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Onze Minister maakt de landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld kan bestaan.
Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Indien de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid is gelegen in een periode dat de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ontstaat geen recht op ziekengeld.
Indien het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan wordt betrokkene vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt, indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 19, voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet. Artikel 44, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
In afwijking van artikel 20 wordt voor de toepassing van de tweede afdeling, hoofdstuk II en van artikel 64, de werknemer niet als verzekerde beschouwd voor zover hij werknemer is als bedoeld in artikel 8a.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan nadere regelen geven in geval van samenloop van verzekering ingevolge deze wet uit meerderen hoofde.
Vervallen
De verzekerde is bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen arts, zich op last van de arts tot het ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting, en in het algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder a, een geneeskundig onderzoek te gelasten bij de aanvang der verzekering.
vervallen;
De voor de verzekerde aan een geneeskundig onderzoek verbonden kosten worden aan hem door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergoed. Door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen dienaangaande regelen worden gesteld.
Behoudens het tweede lid, onderdeel e, en de artikelen 29a en 29b wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde:
- a.
uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt;
- b.
bij verhindering wegens ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen recht heeft op bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van een reden overeenkomstig artikel 629, derde, vijfde, zesde of negende lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
Het ziekengeld wordt uitgekeerd over iedere dag van de ongeschiktheid tot werken, doch niet over de zaterdagen en de zondagen, aan:
- a.
de verzekerde van wie de arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5 als dienstbetrekking wordt beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
- b.
degene wiens aanspraak berust op artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
- c.
de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak van 52 weken eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
- d.
de verzekerde die op grond van artikel 7 of 8a als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
- e.
de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
- f.
de vrouwelijke verzekerde, overeenkomstig artikel 29 a;
- g.
de werknemer, bedoeld in artikel 29 b.
Als eerste dag van de ongeschiktheid tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen regels stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.
Geen ziekengeld wordt uitgekeerd op en na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Voor het bepalen van dit tijdvak worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van vier weken blijven perioden, waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, buiten beschouwing. In de gevallen waarin de tweede volzin toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van 52 weken de eerste twee dagen van de ongeschiktheid tot werken, waarover op grond van het tweede lid, onderdelen a en b, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, slechts eenmaal in aanmerking genomen.
Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt gesteld op het dagloon.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid, onderdeel e.
Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vijfde lid, wordt verlengd met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
Het tweede lid, onderdeel a, b of c, is niet van toepassing indien onderdeel g van dat lid van toepassing is.
De vrouwelijke verzekerde heeft, indien zij, voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap, behoudens over de zaterdagen en de zondagen, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid bestaat.
De vrouwelijke verzekerde die in de periode, waarin zij recht had kunnen hebben op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg doch die uitkering nog niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, heeft recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.
De vrouwelijke verzekerde heeft geen recht op ziekengeld over perioden waarover zij uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, eerste lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorggeniet.
Nadat het recht op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, derde lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg is geëindigd, heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 52 aaneengesloten weken. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag nadat het recht op uitkering, bedoeld in de eerste zin, is geëindigd.
Artikel 29, vijfde lid, blijft buiten toepassing ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die, op grond van het tweede of vierde lid van dit artikel, recht heeft op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon.
Artikel 30 blijft buiten toepassing ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die op grond van dit artikel recht heeft op ziekengeld.
De werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, 4 of 5, arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten heeft vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen zijn in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
Het ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
In afwijking van het tweede lid wordt het ziekengeld van de werknemer, bedoeld in artikel 3, op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met dien verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de aanspraak van de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd zou zijn, indien daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn gebracht.
Indien de werknemer, bedoeld in het eerste lid, werkzaam is op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening, wordt het dagloon, bedoeld in het tweede en derde lid, verminderd met het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening.
Dit lid is niet van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of de Wet inschakeling werkzoekenden.
De zieke werknemer die in staat is hem passende arbeid te verrichten is verplicht te trachten deze arbeid te verkrijgen en, indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, deze arbeid te verrichten.
Weigert de werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond de in het vorige lid bedoelde arbeid te verrichten, dan stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld op het bedrag, waarmede het dagloon overtreft het loon dat hij zou hebben ontvangen, indien hij deze arbeid wel verricht had.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde werknemer verplichten zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
- a.
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
- b.
indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
- c.
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
De intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens loon, inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking of ouderdomspensioen ontvangt, is verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.
De verzekerde ontvangt aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft.
Voor de toepassing van het tweede lid worden onder loon mede verstaan inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking, met dien verstande, dat deze inkomsten buiten aanmerking blijven, voor zover deze ook reeds werden verworven onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte of de dag met ingang waarvan de uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg werd toegekend.
Indien de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tevens recht heeft op ouderdomspensioen wordt, volgens door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te stellen regels en behoudens in door hem aan te geven gevallen, het ziekengeld slechts uitbetaald voor zover dit het ouderdomspensioen overtreft.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.
Indien de verzekerde terzake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning van ziekengeld op grond van deze wet als op heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 21 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt het ziekengeld slechts uitbetaald voorzover het:
- a.
de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten overtreft indien uitsluitend artikel 21 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, onderscheidenlijk artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing is; of
- b.
de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, indien zowel artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als artikel 21 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing zijn, dan wel uitsluitend artikel 47 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning van ziekengeld op grond van deze wet als op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 38, 39 of 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 14, 15 of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de artikelen 13, 14 of 15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt het ziekengeld slechts uitbetaald voorzover het:
- a.
het bedrag, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met die herziening is verhoogd, overtreft, indien artikel 14, 15 of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 13, 14 of 15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing is; of
- b.
het bedrag, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met die herziening is verhoogd, overtreft, indien zowel artikel 38, 39 of 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als artikel 14, 15 of 16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 13, 14 of 15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, van toepassing zijn, dan wel uitsluitend artikel 38, 39 of 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen van het ziekengeld een hoger bedrag uit te betalen, dan in het eerste en tweede lid is bepaald.
Onze Minister kan met betrekking tot gevallen van samenloop van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten regels stellen. Bij deze regels kan worden afgeweken van het eerste tot en met derde lid.
Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op ziekengeld op grond van deze wet als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het ziekengeld slechts uitbetaald voorzover het:
- a.
de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten overtreft, indien artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing is; en
- b.
de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, indien zowel artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten als artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing zijn, dan wel uitsluitend laatstgenoemd artikel van toepassing is.
Het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a, 44 of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de betrokken verzekerde teruggevorderd.
In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de betrokken verzekerde:
- a.
gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
- b.
gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
- c.
gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
- d.
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
- a.
het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
- b.
de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 33a.
Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 45g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 33, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 33a.
Vervallen
Na het overlijden van degene, aan wie ziekengeld is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, ziekengeld in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
- a.
aan de langstlevende van de echtgenoten;
- b.
bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
- c.
bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
Met degene aan wie ziekengeld is toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, degene wiens overlijden heeft plaats gevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch voor het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend ingevolge artikel 29, vierde lid, over de dag van zijn overlijden geen recht op ziekengeld had.
De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld over één maand doch niet over de zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van dat ziekengeld op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van degene aan wie het ziekengeld is toegekend.
In verband met het overlijden van degene aan wie ziekengeld is toegekend, is artikel 29, vierde lid, niet van toepassing.
De overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden genoemd in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitbetaald.
De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan ziekengeld dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.
In de gevallen, waarin op de dag van het overlijden van de verzekerde of van degene die verzekerd is geweest, nog geen ziekengeld is toegekend omdat aan het overlijden geen periode van arbeidsongeschiktheid voorafging, dient de uitbetaling als bedoeld in artikel 35, eerste lid, plaats te vinden, alsof hem met ingang van de dag na het overlijden ziekengeld is toegekend.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder degene die verzekerd is geweest uitsluitend verstaan degene die, ware hij niet overleden, doch arbeidsongeschikt geworden, nog aanspraak op ziekengeld had kunnen ontlenen aan artikel 46.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd verzekerden bij ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte op te roepen en te ondervragen op plaats, dag en uur, door hem te bepalen.
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen.
De werkgever van de verzekerde die bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van die werknemer dertien weken heeft geduurd, aangifte van die ongeschiktheid bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van zowel het tijdvak van dertien weken als de periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
Onverminderd het eerste lid doet de werkgever van de verzekerde, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel c, aangifte van de ongeschiktheid tot werken van die verzekerde aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt.
Indien de verzekerde, bedoeld in het eerste lid weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die geschiktheid dan wel, indien die vierde dag van geschiktheid gelegen is vóór de eerste dag nadat de ongeschiktheid dertien weken heeft geduurd, bedoeld in het eerste lid, in elk geval niet later dan die eerste dag, de eerste dag waarop de verzekerde weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het tweede of derde lid niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 454. De artikel 45a, “De artikel 45a,” moet zijn “De artikelen 45a,”.vierde, vijfde en zevende lid, 45b, 45c, 45e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 45g, eerste, vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op de werkgever van de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aangifte van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, bedoeld in het eerste lid, nadere regels worden gesteld.
De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden aan zijn werkgever, of, indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van deze wet, aan de het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen..
De werkgever meldt, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, wordt het ziekengeld niet uitbetaald tot de datum van die melding.
Indien de verzekerde, na een ziekmelding als bedoeld in het eerste en tweede lid, weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan de werkgever, of, indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van de eerste afdeling van deze wet, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
De werkgever meldt, na ontvangst van de in het vierde lid bedoelde melding, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag na de hersteldmelding door de verzekerde, de eerste dag waarop die verzekerde weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het vijfde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 454. De artikel 45a, “De artikel 45a,” moet zijn “De artikelen 45a,”.vierde, vijfde en zevende lid, 45b, 45c, 45e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 45g, eerste, vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht bij verzekerden van wie op grond van artikel 38, tweede lid of 38a een aangifte van ziekte of van wie een ziekmelding is ontvangen, controle op het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en hij beoordeelt bij gebleken ongeschiktheid of de werkgever zijn taak met betrekking tot verzuimbegeleiding op adequate wijze uitoefent.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt ter uitvoering van de controle op het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid controlevoorschriften vast, die voor een of meer bepaalde groepen van werknemers kunnen verschillen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd zijn controlebevindingen mee te delen aan de werkgever tot wie de aan controle onderworpen werknemer in dienstbetrekking staat. Het deelt de werkgever op diens verzoek mee of een bepaalde, tot hem in dienstbetrekking staande werknemer volgens de gegevens die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ter beschikking staan geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Indien degene, aan wie ziekengeld is toegekend, ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van die wet, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het ziekengeld tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie het ziekengeld is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet.
Indien degene, aan wie ziekengeld is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, van de desbetreffende inrichting of van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om het ziekengeld aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het ziekengeld, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet wordt uitbetaald.
Op de herziening van een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van het ziekengeld op indien degene aan wie ziekengeld is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
De betaling van het ziekengeld wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Vervallen
De verzekerde, aan wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 der Coördinatiewet Sociale Verzekering is verleend, komt geen ziekengeld toe.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap of bevalling:
- a.
bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
- b.
binnen een half jaar na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een aanvang nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft ongeschiktheid tot werken in de zin van het eerste lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet verzekerd was.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel bepaalde bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering van het ziekengeld geheel of gedeeltelijk te weigeren.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
- a.
indien de verzekerde niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich gedurende het gehele verloop van de ziekte onder behandeling blijft stellen of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
- b.
indien de verzekerde gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
- c.
indien de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek, ingevolge deze wet gedaan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om te verschijnen of indien het geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;
- d.
indien de verzekerde het voorschrift, gegeven in artikel 38a, eerste lid, niet opgevolgd heeft;
- e.
indien de verzekerde zich niet houdt aan de in artikel 39, tweede lid, bedoelde controlevoorschriften;
- f.
indien met betrekking tot de ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toepassing wordt gegeven aan artikel 25 of 28, onderdeel a of b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 45 of 46, onderdeel a of b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 37 of 38, onderdeel a of b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- g.
indien de verzekerde zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
- h.
indien de verzekerde de verplichting bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen;
- i.
indien de verzekerde de verplichting bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49 niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
- j.
indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en 49;
- k.
indien de verzekerde een hem op grond van artikel 30 opgelegde verplichting niet nakomt, tenzij artikel 30, tweede lid, van toepassing is.
Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 45a wordt opgelegd.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Indien de verzekerde een verplichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49 niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 2 269.
De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen jegens de verzekerde een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de verzekerde niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voornemens is om aan de verzekerde een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de verzekerde onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
Op verzoek van de verzekerde die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
Indien de verzekerde zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op verzoek van de verzekerde die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de verzekerde kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 45g zal worden tenuitvoergelegd.
Op verzoek van de verzekerde die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de verzekerde wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de verzekerde een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 45b, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde wijzigen.
Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd tenuitvoergelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van hem, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.
De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de verzekerde blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het achtste lid geldt niet, zolang de verzekerde zijn verplichting bedoeld in artikel 45a, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
Degene, die:
- a.
gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is geweest of
- b.
in de loop van de twee maanden, voorafgaande aan het einde van zijn verzekering, op ten minste 16 dagen verzekerd is geweest,
heeft, indien hij in het onder a bedoelde geval binnen een maand na het einde van die twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen 8 dagen na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.
Voor de toepassing van het in het vorige lid, onder a, bepaalde, wordt de daargenoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken, indien de betrokkene gedurende niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in dit en het vorige lid wordt arbeid, in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één dag.
Voor de vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de kalenderweek, waarin de verzekering is geëindigd.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan:
- a.
degene die de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt, of in verband met artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b niet verzekerd is.
- b.
degene, die ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid aanspraak heeft op uitkering bij ziekte.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing van artikel 29a, aan de vrouw, wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte verzekering.
Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken degene, die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid, waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.
Het ziekengeld wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die uitkering is vastgesteld, uitbetaald.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan het ziekengeld over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van het ziekengeld of de hoogte van het te betalen bedrag aan ziekengeld. Een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan ziekengeld dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
In afwijking van het eerste lid betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geen voorschot indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekof het recht op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van ziekengeld op of schorst de betaling, indien het van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
- a.
het recht op ziekengeld niet of niet meer bestaat;
- b.
recht op een lagere ziekengelduitkering bestaat;
- c.
artikel 44, eerste lid, van toepassing is of de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 30, 31, 45 of 49 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
De verzekerde is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende ziekengelduitkering.
Het ziekengeld is:
- a.
onvervreemdbaar;
- b.
niet vatbaar voor verpanding of belening.
Volmacht tot ontvangst van het ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.
Het Rijk is niet aansprakelijk voor het doen van uitkeringen of de verstrekking van bijdragen als bedoeld in artikel 59.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
Op de toekenning van ziekengeld zijn de artikelen 3:40 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan bekendmaking van de beschikking geen behoefte bestaat.
Op de beëindiging van ziekengeld als gevolg van een spontane hervatting in zijn arbeid zijn de artikelen 3:40 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Verzoekt de belanghebbende binnen een redelijke termijn echter om bekendmaking van de in het eerste of tweede lid bedoelde beschikking, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt.
Op de herziening van het ziekengeld als gevolg van een aanpassing van het dagloon aan het loonpeil in het beroep van de werknemer zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een ziekengeldreglement vast.
Het ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten, welke strijdig zijn met deze wet en de daarop berustende bepalingen of met de statuten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten inzake hogere, langere of andere uitkeringen dan deze wet vaststelt dan wel bepaalt.
De werknemer is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als één verzekering.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat in bij die maatregel aan te wijzen gevallen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid wordt verleend, te bepalen, dat aan een of meer bij hem verzekerde groepen van werknemers, met inachtneming van bij die maatregel te stellen regels, behalve het in deze wet geregelde ziekengeld andere uitkeringen worden gedaan of bijdragen worden verstrekt voor een of meer sociale fondsen.
De uitkeringen op grond van deze wet komen ten laste van de wachtgeldfondsen en ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de artikelen 102 en 103 van de Werkloosheidswet.
In afwijking van artikel 60 komen de uitkeringen op grond van deze wet ten aanzien van overheidswerknemers en degenen die op grond van artikel 7, artikel 8 of artikel 8a werknemer zijn wegens het ontvangen van een uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 104 van de Werkloosheidswet.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering verstrekt, volgens nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, uit de door dit instituut gevoerde administratie aan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar, gegevens omtrent het ziekteverzuim van werknemers.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van betaling van het ziekengeld aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, zelf te dragen, indien:
de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verplicht, op het eerste verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van dit risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen tot een bedrag dat wordt berekend overeenkomstig artikel 63e;
de werkgever ter zake van de begeleiding van zijn zieke werknemers artikel 14, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in acht neemt en een afschrift overlegt van de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van die wet.
De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, voorzover deze door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën is aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie, bedoeld in het eerste lid.
De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het in de eerste lid bedoelde risico is beëindigd.
Onder een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een op grond van artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.
Onder een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een verzekeraar:
die in het bezit is van de op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de op grond van de artikelen 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
die heeft voldaan aan de vereiste procedure, bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft.
De garantie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor onbepaalde tijd gegeven. Deze garantie strekt zich uit tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 63b, derde lid. Deze garantie kan door de desbetreffende kredietinstelling of verzekeraar niet worden beëindigd zonder schriftelijke opzegging bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De garantie, bedoeld in het eerste lid, strekt zich niet uit tot:
ziekengeld ter zake van ongeschiktheid tot werken die is ontstaan door een omstandigheid als bedoeld in artikel 64, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, of door een kernongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen;
de boete, bedoeld in het negende lid.
De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze aanvangt werkgever te zijn.
Indien de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een arbodienst meldt hij dat zo spoedig mogelijk. Indien de werkgever deze verplichting niet is nagekomen legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten hoogste € 454. De artikelen 45a, vierde, vijfde en zevende lid, 45b, 45c, 45e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 45g, eerste, vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:
eindigt met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het eerste lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op 1 januari of 1 juli van enig jaar beëindigd op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend;
kan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zonder aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang worden beëindigd indien:
de rechtbank de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de bijzondere voorziening als bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992 heeft uitgesproken over de betrokken verzekeraar onderscheidenlijk kredietinstelling; of
de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een arbodienst.
Aan een gemeente kan toestemming worden verleend om het risico, bedoeld in het eerste lid, zelf te dragen met uitzondering van dat risico ten aanzien van zijn werknemers die werkzaam zijn bij:
een door een of meer gemeenten, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, in stand gehouden school;
een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47 van de Wet op het primair onderwijs in stand gehouden school;
een door een stichting als bedoeld in artikel 17 of artikel 48 van de Wet op het primair onderwijs in stand gehouden school;
een door het bevoegd gezag van een openbare school, al dan niet met één of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs, in stand gehouden centrale dienst zoals die beschreven wordt in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, voorzover de kosten voor de betrokken werknemers door het Rijk worden bekostigd; of
openbare scholen als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met c, en artikel 124, onderdelen a tot en met c, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de persoon, bedoeld in artikel 63, eerste lid, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de persoon, bedoeld in artikel 63, eerste lid, bij gebleken ongeschiktheid als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De eigenrisicodrager betaalt het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende ziekengeld namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de persoon, bedoeld in artikel 63, eerste lid. Indien de eigenrisicodrager het ziekengeld niet betaalt, wordt dit betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verhaalt het ziekengeld, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de eigenrisicodrager.
Op verzoek van een eigenrisicodrager verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de werkzaamheden als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, of onderdelen hiervan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
Indien de eigenrisicodrager werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet, niet voldoende of niet juist verricht, verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergoedt aan de eigenrisicodrager op aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 30b, eerste lid.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, nadere regels met betrekking tot dit artikel.
De eigenrisicodrager draagt het risico, bedoeld in artikel 63, eerste lid, voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag waarop de werkgever eigenrisicodrager is geworden.
Indien het zelf dragen van het risico eindigt of wordt beëindigd blijft de werkgever ten aanzien van een persoon het risico, bedoeld in artikel 63, eerste lid, dragen, voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen. Indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld en verhaalt het deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel 63, eerste lid.
In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, waarbij de werkgever die de onderneming overdraagt eigenrisicodrager is, gaat het risico van de betaling van ziekengeld dat is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen alsmede aan degene die op grond van artikel 46 van deze wet aanspraak op ziekengeld heeft en laatstelijk voor het einde van de verzekering tot voornoemde werkgever in dienstbetrekking stond, over op de werkgever die de onderneming verkrijgt, ook indien deze geen eigenrisicodrager is.
Indien slechts een deel van een onderneming als bedoeld in het derde lid overgaat, blijft het in dat lid bedoelde risico berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.
De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 63, eerste lid, een verzekering heeft afgesloten, mag de door hem ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de ongeschiktheid tot werken geacht niet te zijn onderbroken, indien de tijdvakken van ongeschiktheid tot werken elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
Het bedrag, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel a, is gelijk aan de helft van het voor de werkgever door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor het kalenderjaar vastgestelde ziekterisicocijfer, vermenigvuldigd met de som van het loon, waarover op grond van de Werkloosheidswet het, over het voor dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, door de werkgever verschuldigde bedrag aan voorschotpremie is vastgesteld.
Indien het in het eerste lid bedoelde som van het loon niet kan worden vastgesteld wordt daarvoor in de plaats gesteld de som van het loon waarover op grond van de Werkloosheidswet laatstelijk ten laste van de werkgever premie is vastgesteld of, bij het ontbreken daarvan, de som van het loon waarover op grond van de Werkloosheidswet voorschotpremie of premie zal worden vastgesteld.
Het bedrag, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel a, is niet lager dan de helft van het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor het kalenderjaar vastgestelde gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
Het ziekterisicocijfer wordt berekend op basis van de formule:
A = U/L
waarbij:
A = het ziekterisicocijfer;
U = de uitkeringen in het kalenderjaar die op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel c, juncto het vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswet ten laste komen van het wachtgeldfonds van de sector waartoe de werkgever behoort, bedoeld in artikel 102 van die wet, alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
L = het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 84 van de Werkloosheidswet, waarover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kalenderjaar, ten gunste van het wachtgeldfonds van de sector waartoe de werkgever behoort, de aldaar bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.
Indien een wachtgeldfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van het vierde lid onder het wachtgeldfonds verstaan het onderdeel van het wachtgeldfonds.
Bij de vaststelling van de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft artikel 9, derde en vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering buiten toepassing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en hier te lande woont:
- a.
degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen, dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan wel dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
- b.
degene, die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van ziekte, mits:
- 1°.
hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het buitenland;
- 2°.
op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen, dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
- 1°.
- c.
degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van de zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien gedurende één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest;
- d.
degene wiens dienstbetrekking ertoe strekt, dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene geldende werktijdregeling, krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest;
- e.
degene, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd;
- f.
degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
- g.
degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
- h.
degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, is ingetrokken;
- i.
degene, die op grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd en tevens als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen of als echtgenoot van die zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaand aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest.
De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon, jonger dan 65 jaar, die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede, derde en vierde lid, niet als werknemer wordt beschouwd, en
- a.
wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de verplichte verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
- b.
die Nederlander is en die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
- c.
die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund;
- d.
die in Nederland woont, en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult; of
- e.
die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Aan het vervullen van een dienstbetrekking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte verzekering van tenminste één jaar te zijn voorafgegaan.
Met de Nederlander, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, c en e, wordt gelijkgesteld de persoon, die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of onderdaan is van een Staat, waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij voor hij werd uitgezonden in Nederland woonde.
De in artikel 64, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde termijn van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
- a.
indien de betrokkene gedurende niet meer dan zestig dagen niet verzekerd is geweest;
- b.
gedurende de wachttijd als bedoeld in de artikelen 19, 37 en 38 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- c.
gedurende het tijdvak, waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is genoten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.
De in artikel 64, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht te zijn vervuld, indien de betrokkene in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
- a.
door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde personen binnen vier weken na het einde van hun verplichte verzekering;
- b.
door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde personen binnen vier weken na de dagtekening van de beslissing, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken.
- c.
door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel i, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige of zijn werkzaamheden als echtgenoot van de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening, een aanvang hebben genomen;
- d.
door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag, waarop de verplichte verzekering is geëindigd;
- e.
door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel b, c en e bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
- f.
door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating binnen vier weken na de dagtekening van de beslissing te hebben gedaan, indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de dag, waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennis nemen van die beslissing.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
De vrijwillige verzekering vangt aan:
- a.
voor de in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die, waarop de verplichte verzekering is geëindigd;
- b.
voor de in artikel 64, eerste lid, onderdeel d,e en i, bedoelde persoon: op de dag van ontvangst van zijn verzoek om toelating;
- c.
voor de in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde persoon: op de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegekend, herzien of ingetrokken;
- d.
voor de in artikel 64, tweede lid, onderdeel b, c en e bedoelde persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
- e.
voor de in artikel 64, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
Vervallen
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:
- a.
op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
- b.
met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, is verstreken;
- c.
met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden bedoeld in artikel 64, tweede lid, worden beëindigd en de vrijwillige verzekerde niet langer geacht kan worden inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel inkomsten te derven in geval van ziekte
- d.
met ingang van de dag, waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet;
- e.
indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
- f.
indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 64, tweede lid.
De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bedoeld in artikel 64, eerste en tweede lid, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat:
- a.
dit niet meer kan bedragen dan het in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde bedrag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 9a van die wet;
- b.
dit niet meer kan bedragen dan het loon of het inkomen dat hij in geval van ziekte naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen derft; en
- c.
dit, ingeval naast de vrijwillige verzekering een vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk III van de Werkloosheidswet is afgesloten, gelijk is aan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
De premie voor de vrijwillige verzekering wordt geheven over het in het eerste lid bedoelde dagloon.
De premie bedraagt een percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.
De uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt berekend naar het in het eerste lid bedoelde dagloon.
De vrijwillig verzekerde heeft recht op ziekengeld, indien hij wegens ziekte, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid.
De vrouwelijke verzekerde heeft geen recht op ziekengeld gedurende de periode dat zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8 van die wet.
Het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde die bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak kan maken op betaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken.
Het ziekengeld bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
- a.
de toelating tot de vrijwillige verzekering;
- b.
het einde van de vrijwillige verzekering;
- c.
de premie voor de vrijwillige verzekering, en
- d.
het dagloon, bedoeld in artikel 68, eerste lid.
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, de overige bepalingen van deze wet en de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
Onverminderd artikel 72b, worden beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Een beschikking over het verzekerd zijn op grond van deze wet wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Een beschikking die uitsluitend betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, de aangifte van de ongeschiktheid of van de ziekmelding aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in de artikelen 29a, vierde lid, 38, tweede lid, en 38a, eerste en tweede lid.
Indien een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de toepasselijke termijn gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt.
Indien voor degene, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt aangemerkt, ten tijde van het bestaan van de arbeidsverhouding een beschikking geldt als bedoeld in artikel 4a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen waarin hij met betrekking tot de verrichte soort van werkzaamheden wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4 van die wet, dient, indien de belanghebbende zich in rechte op die beschikking beroept, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bewijzen dat betrokkene in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Vervallen
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
In deze paragraaf wordt verstaan onder medisch besluit: een besluit, waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt.
De eigenrisicodrager heeft slechts recht op inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de persoon, bedoeld in artikel 63, eerste lid, hiervoor toestemming heeft gegeven.
De toestemming wordt schriftelijk gegeven.
De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
Tijdens het horen in bezwaar of ter zitting van de rechtbank kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
De artikelen 75c en 75d zijn, voorzover nodig in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing, indien de in artikel 75a bedoelde toestemming niet is gegeven.
Inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk, dat medische gegevens bevat, is voorbehouden aan de arbodienst van de eigenrisicodrager of een gemachtigde van de eigenrisicodrager die arts is.
De arbodienst dan wel de gemachtigde, die arts is, treedt in de plaats van de eigenrisicodrager bij:
het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en
de behandeling van een bezwaar of beroep; voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een medisch besluit, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, op een aparte bijlage.
De bijlage wordt niet aan de eigenrisicodrager verstrekt.
Desgevraagd wordt de bijlage verstrekt aan de arbodienst van de eigenrisicodrager of de gemachtigde van de eigenrisicodrager, die arts is.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de motivering van een medisch besluit wordt verwezen.
Bij de bekendmaking van een medisch besluit wordt gewezen op de artikelen 75a tot en met 75d en 75f.
In afwijking van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden de gronden van het bezwaar en beroep, die betrekking hebben op medische gegevens, op een aparte bijlage vermeld.
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil van geneeskundige aard, omtrent het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken, twee weken.
In afwijking van artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden in een geschil als bedoeld in artikel 75g nog tijdens het horen nadere stukken indienen.
In afwijking van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en met inachtneming van de overige artikelen van deze paragraaf, worden in een geschil als bedoeld in artikel 75g het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken:
voorafgaand aan het horen aan belanghebbenden gezonden, dan wel
ten minste twee dagen voorafgaand aan de hoorzitting voor belanghebbenden ter inzage gelegd.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift, bedoeld in artikel 75g.
De artikelen 7:4, zesde lid, 8:29 en 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens bevatten.
In afwijking van artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats.
In de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht wordt mededeling gedaan van het bepaalde in het vorige lid.
De toepassing van de artikelen 8:81 tot en met 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de behandeling van het hoger beroep als bedoeld in artikel 18 van de Beroepswet geschiedt voorzover nodig met inachtneming van deze paragraaf.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 1, derde tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Hij, die niet voldoet aan een der verplichtingen, omschreven in artikel 13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Het recht tot strafvordering vervalt indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de verzekerde ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Vervallen
De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Vervallen
De termijnen van het ziekengeld, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.
Vervallen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen van personen bijzondere zo nodig van het bepaalde bij of krachtens deze wet afwijkende bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en de ziekengelduitkering.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van artikel 29, eerste lid, ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden die in dienstbetrekking staan tot bij of krachtens die maatregel te bepalen werkgevers.
Artikel 88 is van overeenkomstige toepassing.
De werkgever kan een verzekeringsovereenkomst met betrekking tot zijn verplichting tot doorbetaling van loon als bedoeld in 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim opzeggen met ingang van de dag dat de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, te zijnen aanzien in werking treedt, of, indien de opzegging later geschiedt, met ingang van de dag waarop deze de verzekeraar bereikt. In het geval dat de premie is vooruitbetaald wordt deze door de verzekeraar naar evenredigheid aan de werkgever terugbetaald.
Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.
De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in deze wet gestelde termijnen van uitkering van geldelijke schadeloosstelling alsmede op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onder a en c, 29, vijfde lid, 35 en 46, eerste en vijfde lid.
Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
Een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b wordt niet gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 90 bedoelde mededeling zijn verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan door een der kamers of tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.