Regeling · BWBR0001898

Tramwegreglement

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 24 februari 1920, tot vaststelling van een reglement voor de tramwegen, genoemd in artikel 1, eerste lid, letter b, en van een reglement ter uitvoering van het vijfde lid, onder b, van artikel 5 der Locaalspoor- en Tramwegwet TramwegreglementWij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat, van 12 Juli 1919, La. G., afdeeling Spoorwegen;

Gelet op artikel 5, vijfde lid, der Locaalspoor- en Tramwegwet(Staatsblad n°. 99 van 1918);

Den Raad van State gehoord (advies van 5 Augustus 1919, n°. 25);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 20 Februari 1920, n°. 302, afdeeling Spoorwegen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

met ingang van den dag, op welken de Locaalspoor- en Tramwegwet in werking zal treden:

Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad geplaatst en in afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.

's-Gravenhage den 24sten Februari 1920 WILHELMINA. De Minister van Waterstaat, A. A. H. W. König. den elfden Maart 1920. De Minister van Justitie, Heemskerk.

Bij toepassing van electrische trekkracht met bovengrondschen stroomtoevoer wordt, voor zoover geen contactgeleidingen worden toegepast, waarvan de doorhang kan verwaarloosd worden, of de constructie dezer geleidingen eene automatische regeling van den doorhang waarborgt, ten minste twee maal per jaar, in het voor- en najaar, de spanning en daarmede de doorhang der geleidingen geregeld in overeenstemming met de gemiddelde zomer- en wintertemperatuur.

Bij elke beproeving en bij elk inwendig onderzoek in artikel 24 bedoeld van den stoomketel op een trekvoertuig wordt door bestuurders zorg gedragen, dat:

Bijaldien de bedrijfsspanning ten opzichte van aarde hooger is dan 1200 volt kunnen de voorschriften van artikel 29 voor elk geval in het bijzonder door de Minister worden aangevuld.

Voorschriften betreffende de inrichting van trekvoertuigen, gedreven door verbrandingsmotoren.

Bij trekvoertuigen, gedreven door een of meer verbrandingsmotoren, moeten:

Op trekvoertuigen, tevens ingericht voor her vervoer van personen of (en) goederen, zijn mede van toepassing de voorschriften, vervat in de artikelen 39, 42, 83 en 84.

De beproeving van de electrische inrichtingen van trekvoertuigen, welke middellijk of onmiddellijk door electrische drijfkracht bewogen worden, omvat:

De beproeving onder 1°. geschiedt met eene spanning ten minste gelijk aan de bedrijfsspanning gedurende vijf minuten tot en met eene bedrijfsspanning van 750 volt. Boven eene bedrijfspanning van 750 volt geschiedt de beproeving met wisselstroom gedurende vijf minuten en wel bij indienststelling met eene spanning gelijk aan het drievoud der bedrijfsspanning en bij latere beproevingen met eene spanning gelijk aan het anderhalfvoud der bedrijfsspanning een en ander met uitzondering van de op het trekvoertuig aanwezige laagspanningstoestellen en leidingen, die beproefd worden met de in het bedrijf in deze toestellen en leidingen optredende maximum-spanning. Bij de beproeving onder 2°. genoemd wordt nagegaan, of de automatische hoofdstroomuitschakelaar op de juiste stroombelasting in werking treedt. De proefspanningen en de proefstroombelastingen hierboven bedoeld worden gemeten met nauwkeurigheids-, volt- of ampèremeters, welke op geregelde tijden worden geijkt. De uitkomsten van eene beproeving zijn onvoldoende, indien bij de beproeving blijkt van eenigen stroomovergang op daarvoor niet bestemde deelen, de isolatie op eenige plaats is doorgeslagen, de automatische hoofdstroomuitschakelaar niet op de juiste stroombelasting in werking treedt of na het in werking treden de onderbrekingsvlamboog blijft bestaan of zoo andere gebreken aan den dag zijn gekomen.

Indien eenige beproeving of eenig onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen onvoldoende uitkomsten heeft opgeleverd, mag het trekvoertuig niet in gebruik worden gesteld, dan nadat de door de Minister noodig geoordeelde voorzieningen zijn aangebracht.

Bij elke beproeving of onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen van een trekvoertuig wordt door bestuurders gezorgd:

Electrische inrichtingen en leidingen aan, op of in rijtuigen en wagens moeten aan dezelfde eischen voldoen als aan die inrichtingen en leidingen aan, op of in trekvoertuigen gesteld, met name in artikel 29 en artikel 34.

Wijzigingen van de inrichting van rijtuigen en wagens behoeven de instemming van den Minister, indien de constructie, naar het oordeel van de Minister, tengevolge van die wijzigingen niet meer zou overeenstemmen met die, op de in artikel 40 bedoelde teekeningen en schakelschema's aangegeven.

Voor alle onderzoekingen en beproevingen van rollend materieel of ketels, welke vóór of na de indienststelling door de Minister geschieden, worden door bestuurders de noodige hulpmiddelen, werktuigen en werklieden kosteloos beschikbaar gesteld.

Alle voertuigen, die in het voertuigpark van een tramwegdienst worden opgenomen, moeten blijven binnen het omgrenzingsprofiel, dat door den Minister bestuurders gehoord, wordt vastgesteld.

Vervallen

Bestuurders zorgen, dat elke trein, voordat hij het station, waar hij is samengesteld, verlaat, geheel wordt nagezien, waarbij er in het bijzonder op moet worden gelet, dat:

De machinist of de wagenvoerder is verplicht - in het bijzonder wanneer de trein zich bevindt op een voor het openbaar verkeer openstaande weg, alsmede bij de nadering van een niet beveiligde overweg, een niet beveiligd overpad of een andere niet beveiligde tramwegovergang, dan wel van een gedeelte van de tramweg dat in een voor het openbaar verkeer openstaande weg is gelegen - waarschuwingsseinen te geven, de snelheid tijdig te verminderen of de trein tot stilstand te brengen, wanneer de veiligheid van het verkeer zulks vordert.

Waar dubbel spoor ligt, wordt onder gewone omstandigheden tusschen de stations en halten het ten opzichte van de richting van beweging rechts liggende spoor bereden. Bij werktreinen, bij hulptreinen, bij ongevallen en bij andere buitengewone omstandigheden kan onder verantwoordelijkheid van den beambte, die zulks beveelt, van dezen regel worden afgeweken.

Een trein mag een andere trein volgen als de afstand tussen beide treinen tenminste zodanig is dat een trein daarbinnen tot stilstand kan worden gebracht.

De bepalingen omtrent de treinen, vervat in de artikelen 9, 53 onder 1 en 2, 54, 55, 57 en 61 zijn niet van toepassing op rangeerende treinen.

Bestuurders zorgen, dat:

Alle beambten, wier werkzaamheden op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, moeten kunnen lezen en schrijven alsmede een voldoend gehoorvermogen en een voldoende gezichtsvermogen bezitten, voor zoover zulks voor de behoorlijke uitoefening van hun dienst wordt vereischt.

Dienstvoertuigen al of niet door mechanische kracht bewogen mogen op den tramweg slechts gebruikt worden onder verantwoordelijkheid van een begeleidenden beambte en zoodanig, dat het veilig en regelmatig verkeer over den tramweg daarvan geen nadeel ondervindt.

Bestuurders moeten ten genoegen van de Minister de noodige maatregelen nemen, waardoor wordt verzekerd, dat bij een ongeval spoedig hulp kan worden verleend en zoo noodig de weg ontruimd en hersteld.

In deze afdeeling wordt verstaan:

Behalve wanneer en voor zoover de Minister in bepaalde gevallen vergunning heeft gegeven, mogen

De Minister kan van de bepalingen van de artikelen 74, 74bis, 75, 75a, eerste en vierde lid, 76, eerste tot en met vierde lid, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing verlenen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In dit reglement wordt verstaan onder:

Minister: de Minister, belast met de uitvoering van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) en van de Locaalspoor- en Tramwegwet;

bestuurders: bestuurders van den tramwegdienst;

grootste toegelaten snelheid: de door den Minister ingevolge artikel 56 van dit reglement voor elken tramweg bepaalde grootste snelheid van vervoer;

trekvoertuig: het voertuig, waarvan de bewegende kracht uitgaat, al of niet tevens voor het vervoer van reizigers of (en) goederen ingericht;

machinist: de beambte, belast met de bediening van een door stoomkracht bewogen trekvoertuig;

wagenvoerder: de beambte, belast met de bediening van een door andere dan stoomkracht bewogen trekvoertuig;

trein: elk trekvoertuig in dienstvaardigen staat met of zonder andere voertuigen;

rijtuig: elk voertuig, geheel of gedeeltelijk ingericht voor het vervoer van reizigers;

wagen: elk voertuig, ingericht voor het vervoer van bagage, goederen of levende dieren of ingericht als postkantoor;

overweg: een gelijkvloerse kruising van een tramweg en een weg;

nacht: de tijd tussen vijftien minuten na zonsondergang en vijftien minuten vóór zonsopgang.

Vervallen

Vervallen

Uiterlijk op 1 Mei 1921 moeten alle electrische en mechanische inrichtingen, aan, op of in trekvoertuigen, zoomede alle electrische inrichtingen aan, op of in rijtuigen en wagens voldoen aan de voorschriften van dit reglement, tenzij door den Minister van een dezer voorschriften tijdelijk ontheffing is verleend. In de ontheffing wordt behalve de voorwaarden, waaronder zij wordt verleend, tevens de termijn vermeld, waarvoor zij geldt.

Ten aanzien van buitenlandsche tramwegondernemingen, welke haren dienst hier te lande uitoefenen, kunnen door den Minister afwijkingen van dit reglement worden toegestaan.

Dit reglement kan worden aangehaald onder den titel "Tramwegreglement".