Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 25 januari 1977, houdende vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de hoofd- en lokaalspoorwegen Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegenWij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 september 1976, nr. A-1/V 27470, Directoraat-Generaal van het Verkeer;

Gelet op de artikelen 27 en 33 van de Spoorwegwet, op artikel 4 van de Lokaalspoor- en Tramwegwet en op artikel II van de Overgangsbepalingen van de wet van 13 juli 1907 (Stb. 193);

De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 1976, nr. 27);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 januari 1977, nr. A1/V25010, Directoraat-Generaal van het Verkeer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 25 januari 1977 Juliana De Minister van Verkeer en Waterstaat, T. Westerterp de negenentwintigste maart 1977 De Minister van Justitie, Van Agt

Dit reglement kan worden aangehaald onder de titel "Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen" of "RDHL".

In dit reglement wordt verstaan onder:

Dit reglement is van toepassing op alle spoorwegen, met uitzondering van:

De spoorwegen, waarop dit reglement van toepassing is en die niet ingevolge artikel 1 van de Lokaalspoor- en Tramwegwet als lokaalspoorwegen worden beschouwd of daarmede zijn gelijkgesteld, worden in dit reglement aangeduid als hoofdspoorwegen.

De over de volle breedte van een bladzijde gedrukte bepalingen van dit reglement gelden voor hoofdspoorwegen en lokaalspoorwegen,

die op de linkerhelft van een bladzijde alleen voor hoofdspoorwegen,

die op de rechterhelft van een bladzijde alleen voor lokaalspoorwegen.

Voor proefnemingen met betrekking tot het gebruik, de inspectie, het onderhoud alsmede de inrichting en de bediening van het rollend materieel en het gebruik, de inspectie en het onderhoud van technische systemen en hulpmiddelen voor de uitoefening van de dienst op de spoorweg, kan de Minister voor een door hem te bepalen termijn ontheffing verlenen of afwijkingen toestaan van bepalingen van dit reglement.

Voor RandstadRail geldt voor de toepassing van de artikelen 13, derde lid, 14, derde lid, 15, 16, tweede lid, 17, eerste en tweede lid, 23, eerste lid, en 25 als Directie, het dagelijks bestuur van de plusregio waarin het desbetreffende gedeelte van RandstadRail is gelegen.

Vervallen

Het is aan anderen dan de Directie verboden zonder vergunning, verleend door of namens de Minister, op, in, boven of onder de spoorweg leidingen, werken, andere inrichtingen of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen, of te hebben, dan wel daarmede verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren.

Overwegen waarbij geen Andreaskruisen of hekken zijn geplaatst, mogen uitsluitend worden bereden nadat aan het wegverkeer een stopteken als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel e, is getoond.

Op overwegen uitsluitend ten behoeve van de spoorwegdienst, reizigers, verladers en dergelijke zijn de artikelen 18, 22 en 23 niet van toepassing. De Directie kan voorschrijven, dat beveiliging of veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 20, dan wel andere beveiliging of veiligheidsmaatregelen, worden toegepast.

De Directie wijst de seinhuizen en de brugposten aan, waar de wachter aan naderende treinen een stopsein moet kunnen geven.

De artikelen 21 en 30 zijn niet van toepassing op RandstadRail.

Vervallen

In een als bijlage van het in artikel 44 bedoelde register bij te houden album worden opgenomen:

Op treinstellen zijn mede de bepalingen van de artikelen 37, 38 en 40 van toepassing.

Vervallen

Alle rijtuigen en wagens moeten voorzien zijn van lantarenhouders of van vaste sluitseinen.

Onder een stuurstandvoertuig wordt verstaan een voertuig, geen krachtvoertuig zijnde, dat voorzien is van apparatuur, waarmee alle voortbewegingsinrichtingen in de trein en het doorgaand zelfwerkend remsysteem kunnen worden bediend en gecontroleerd. Het moet verder voorzien zijn van de overige in artikel 33, eerste lid, genoemde inrichtingen, zulks onverminderd de ontheffingsmogelijkheid genoemd in het tweede lid van dat artikel.

Op een zichtbare plaats worden duidelijk aangegeven:

een waarschuwing tegen het naar buiten steken van lichaamsdelen, bij elk raam, dat het naar buiten leunen toelaat.

De asbelasting en het gewicht per strekkende meter van rollend materieel mogen de voor de aarden baan, de bovenbouw en de kunstwerken toelaatbare belasting niet overschrijden. De constructie van rollend materieel moet zijn afgestemd op de toelaatbare belasting van de aarden baan, de bovenbouw en de kunstwerken.

Alvorens rollend materieel wordt aangeschaft, wordt met het type door de Directie ingestemd. Op de desbetreffende tekeningen op een schaal van ten minste 1 : 100 worden onder meer aangegeven:

Wijziging van de bestemming of van de inrichting van rollend materieel, waardoor wordt afgeweken van de in artikel 43 bedoelde tekeningen, wordt door de Directie geaccordeerd.

Rollend materieel wordt volgens een door de Directie geaccordeerd schema voor periodiek onderhoud nauwkeurig onderzocht en in een zodanige staat gehouden, dat daaruit samengestelde treinen en rangeerdelen te allen tijde veilig kunnen rijden.

Rollend materieel dat niet aan de spoorwegdienst toebehoort en niet valt onder artikel 49 kan onder de Directie te stellen voorwaarden op de spoorweg worden toegelaten.

Rollend materieel behorend tot of opgenomen in het materieelpark van buitenlandse spoorwegdiensten mag op de spoorwegen hier te lande worden gebruikt, zonder dat de bepalingen van dit reglement, het onderzoek van rollend materieel betreffende, worden toegepast, mits:

Elke trein wordt voorzien van de gereedschappen, nodig bij kleine ongevallen en herstellingen van het rollend materieel, alsmede van middelen voor het treffen van veiligheidsmaatregelen bij onregelmatigheden.

Een trein mag vóór de in de dienstregeling aangegeven tijd rijden, mits:

Maatregelen worden genomen om te beletten, dat op de sporen staande voertuigen door de wind of door andere onvoorziene omstandigheden in beweging worden gebracht en dat krachtvoertuigen zonder te zijn bediend in beweging komen.

Voorschriften betreffende bijzondere voertuigen worden opgenomen in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Personeel van een buitenlandse spoorwegdienst kan op de spoorweg dienst doen onder de Directie te stellen voorwaarden; bij deze voorwaarden kan worden afgeweken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Personen die niet tot het personeel behoren en niet vallen onder artikel 77 kunnen onder door de Directie te stellen voorwaarden:

Bij deze voorwaarden kan worden afgeweken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De overwegen, welke bij inwerkingtreding van dit besluit worden beveiligd op één der in artikel 20 van dit besluit voorgeschreven wijzen, worden geacht te zijn beveiligd op grond van artikel 18, derde of vierde lid, van dit besluit. Met de uitvoering van de voorzieningen wordt geacht te zijn ingestemd krachtens artikel 20, vierde lid, van dit besluit. Andere of aanvullende maatregelen of voorzieningen worden geacht te zijn voorgeschreven op grond van artikel 20, vijfde of zesde lid, van dit besluit.

De beschikkingen, genomen door de Minister krachtens artikel 9, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 10, tweede respectievelijk derde lid, onderscheidenlijk artikel 12, eerste lid, tweede respectievelijk derde lid, eerste volzin van het Algemeen Reglement Dienst, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 21, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 22, eerste respectievelijk tweede lid, onderscheidenlijk artikel 23, tweede, derde, vierde respectievelijk vijfde lid, van dit besluit.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Ingetrokken worden: