U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 16-03-2003.

Regeling · BWBR0002309

Regeling Toezicht Luchtvaart

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 22 januari 1959, houdende vaststelling van een Regeling Toezicht Luchtvaart Regeling Toezicht LuchtvaartWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 1958, no. Jur/15760, Rijksluchtvaartdienst;

Gelet op de artikelen 4, tweede lid, onder a, 5, tweede lid, 7, eerste lid, 8, tweede lid, onder a, 9, eerste lid, 62, derde lid, 76, eerste lid, onder a, c en f en tweede lid, onder b en c en 80, tweede lid, van de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47);

De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1958, no. 36);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 16 januari 1959, no. Jur/10290, Rijksluchtvaartdienst;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage 22 januari 1959 JULIANA. De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. VAN AARTSEN. de vierentwintigste maart 1959. De Minister van Justitie a.i., STRUYCKEN.

De bepalingen van deze regeling gelden niet ten aanzien van militaire luchtvaartuigen, de leden van het boordpersoneel, passagiers en lading van deze luchtvaartuigen alsmede ten aanzien van militaire luchtvaartterreinen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De bij of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde bepalingen zijn van toepassing op:

De gezagvoerder of de houder van een luchtvaartuig is verplicht Onze Minister, zo nodig door tussenkomst van de politie of de Koninklijke marechaussee, zo spoedig mogelijk in kennis te stellen of te doen stellen van enig ongeval met het luchtvaartuig, dat verwonding of dood van een of meer personen dan wel belangrijke schade aan het luchtvaartuig of aan eigendommen van derden tengevolge heeft gehad.

Vervallen

De uitvoering van vluchten mag slechts geschieden met inachtneming van de op het betrokken luchtvaartuig betrekking hebbende gebruiksbeperkingen.

In bijzondere gevallen kan, onder voorwaarden als voor elk geval afzonderlijk te bepalen, afwijking van de bij of krachtens dit Hoofdstuk gestelde regelen door Onze Minister worden toegestaan.

De artikelen 104 t/m 111 van deze afdeling gelden uitsluitend ten aanzien van verkeersvluchten, met uitzondering van rondvluchten. De voorschriften, gegeven in afdeling I van dit Hoofdstuk, zijn onverminderd van toepassing.

Door Onze Minister worden regelen gesteld ten aanzien van de voorbereiding en uitvoering van vluchten met inbegrip van regelen voor de instrumenten, uitrustingsstukken en installaties, welke naar gelang het type van het luchtvaartuig, de aard van de vlucht, en de omstandigheden, waaronder de vlucht wordt uitgevoerd, aan boord van het luchtvaartuig aanwezig en voor het gebruik gereed moeten zijn.

Vervallen

De leden van het stuurhutpersoneel, die werkzaamheden verrichten welke nodig zijn voor het uitvoeren van de vlucht, moeten voortdurend gebruik maken van ademhalingszuurstof, wanneer zij in de omstandigheden verkeren, waarvoor krachtens de ingevolge artikel 105 gestelde regelen voor hen ademhalingszuurstof aan boord aanwezig moet zijn.

De gezagvoerder moet zorg dragen dat voor zover dit mogelijk is, gevolg wordt gegeven aan verzoeken van de meteorologische dienst om op aangegeven tijden of posities de tijdens de vlucht waargenomen meteorologische omstandigheden te rapporteren.

De luchtvaartmaatschappij is verplicht ten genoegen van Onze Minister het vereiste minimum aantal leden kajuitpersoneel vast te stellen voor ieder type luchtvaartuig, gebaseerd op de capaciteit of het aantal te vervoeren passagiers, opdat in geval van een noodlanding een veilige en vlugge evacuatie kan plaatsvinden.

Vervallen

Door Onze Minister worden nadere regelen gesteld ten aanzien van de geoefendheid van het kajuitpersoneel.

Vervallen

De gezagvoerder moet zorg dragen dat aan het einde van de vlucht alle bekende en vermoede gebreken van het luchtvaartuig aan de luchtvaartmaatschappij worden gerapporteerd.

De luchtvaartmaatschappij is verplicht:

Door Onze Minister worden regelen gesteld ten aanzien van de voorbereiding en uitvoering van rondvluchten met inbegrip van regelen voor de instrumenten, uitrustingsstukken en installaties, welke naar gelang het type luchtvaartuig, de aard van de rondvlucht en de omstandigheden, waaronder de rondvlucht wordt uitgevoerd, aan boord van het luchtvaartuig aanwezig en voor het gebruik gereed moeten zijn.

De voorschriften van deze afdeling gelden uitsluitend ten aanzien van niet-verkeersvluchten. De voorschriften, gegeven in Afdeling I van dit Hoofdstuk, zijn onverminderd van toepassing.

Door Onze Minister worden regelen gesteld ten aanzien van de voorbereiding en uitvoering van de vluchten, met inbegrip van regelen voor de instrumenten, uitrustingsstukken en installaties, welke naar gelang het type luchtvaartuig, de aard van de vlucht en de omstandigheden, waaronder de vlucht wordt uitgevoerd, aan boord van het luchtvaartuig aanwezig en voor het gebruik gereed moeten zijn.

Tijdens een vlucht met een vliegtuig, waarvan de maximale startmassa meer dan 5700 kg bedraagt, moet het stuurhutpersoneel ten minste zowel een eerste als een tweede bestuurder omvatten.

Bij vervoer met een luchtvaartuig, waarvan de massa tenminste 2 ton bedraagt, ten behoeve van eigen bedrijf, waarvoor krachtens artikel 16d, van de Luchtvaartwet ontheffing is verleend van de in artikel 16 van de Luchtvaartwet vervatte verplichting, moeten de door Onze Minister te geven voorschriften of beperkingen in acht worden genomen.

De opstijging van zweefvliegtuigen en van motorzweefvliegtuigen met uitgeschakelde voortstuwingsinstallatie mag slechts geschieden met behulp van middelen, welke voldoen aan de door Onze Minister te stellen technische voorschriften. Lieren moeten zijn voorzien van een geldig bewijs van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 92, eerste lid.

Bij kunstvluchten en bij wolkenvluchten moet iedere inzittende van een zweef- of motorzweefvliegtuig voorzien zijn van een in goede staat verkerend valscherm.

Onverminderd het bij of krachtens artikel 88, derde lid, bepaalde moet bij een oefen- of examenvlucht met een zweef- of motorzweefvliegtuig de aan de vlucht voorafgaande dagelijkse inspectie worden uitgevoerd door een zweefvlieginstructeur.

Vervallen

De exploitant moet zorg dragen, dat hindernissen, welke gevaar voor luchtvaartuigen opleveren dan wel kunnen opleveren en welke zich bevinden op het luchtvaartterrein:

De exploitant is verplicht lichten te plaatsen ter aanduiding van de hindernissen als bedoeld in artikel 124, overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde voorschriften.

De exploitant is op verzoek van Onze Minister verplicht te gedogen, dat op het luchtvaartterrein elektronische, meteorologische en eventueel andere hulpmiddelen ten behoeve van de aan Onze Minister en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging en de luchtvaartmeteorologische dienstverlening opgedragen taken.

De exploitant moet zorg dragen, dat driemaandelijks een verslag over de toestand van het luchtvaartterrein aan Onze Minister wordt aangeboden.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake het verrichten van grondafhandelingsdiensten op het luchtvaartterrein.

Op een gecontroleerd luchtvaartterrein moet een regeling worden getroffen tussen de exploitant en de plaatselijke verkeersleidingsdienst met betrekking tot het luchtvaartterreinverkeer op het landingsterrein, uitgezonderd luchtvaartuigen en met betrekking tot het verkeer van luchtvaartuigen naar, van en op de platforms. Deze regeling behoeft de instemming van Onze Minister.

De havenmeester is belast met de dagelijkse uitvoering van het toezicht op het luchtvaartterrein en in het bijzonder met het toezicht op de veiligheid en de goede orde daarop.

De havenmeester moet zorg dragen, dat bij nacht of tijdens instrument-weersomstandigheden (IMC) de verlichting en de lichten, bedoeld in de artikelen 125 en 126, tijdig en voor zover nodig worden ontstoken en blijven branden zolang zulks voor de veiligheid van het luchtverkeer nodig wordt geacht.

De havenmeester moet zorg dragen, dat:

De havenmeester moet zorg dragen, dat op de daarvoor geëigende en duidelijk waarneembare plaats ter inzage aanwezig zijn:

Het bij of krachtens de artikelen 121, 122, 123, 124, 125, 126, 128, tweede lid, 129, 134, derde lid, en 138, onder b, bepaalde is niet van toepassing, indien en voor zover daarvan door Onze Minister geheel of gedeeltelijk ontheffing is verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De vóór de inwerkingtreding van dit besluit door Onze Minister afgegeven bewijzen van inschrijving, van luchtwaardigheid, van geschiktheid, van gelijkstelling en van deugdelijkheid treden in de plaats van de overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen. Voor bewijzen, waarvan het model afwijkt van de bedoelde overeenkomstige bewijzen, geschiedt dit slechts voor de duur van ten hoogste zes maanden. In deze periode worden de bewijzen van afwijkend model door Onze Minister vervangen door overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen zonder dat daarbij enige kosten in rekening worden gebracht.

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel "Regeling Toezicht Luchtvaart" of "R.T.L.".

Het Koninklijk besluit van 6 december 1928, Stb. 454 (Regeling Toezicht Luchtvaart), wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, waarop de Luchtvaartwet in werking treedt.