Regeling · BWBR0002474

Mijnreglement 1964

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 21 december 1964, houdende uitvoering van artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) Mijnreglement 1964Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 25 maart 1964, no. 564/254, W.J.A./Mijnwezen;

Gelet op artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73);

De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1964, no. 33);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 18 december 1964, no. S64/1230, W.J.A./Mijnwezen;

Hebben goedgevonden en verstaan de volgende regeling vast te stellen:

Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 21 december 1964 JULIANA. De Minister van Economische Zaken, J. E. ANDRIESSEN. de negenentwintigste december 1964. De Minister van Justitie a.i., E. H. TOXOPEUS.

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

mijnwerk: een geheel van werken, inrichtingen en terreinen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) bedoeld, met uitzondering van boorwerken;

ondergrondse werken: de tot mijnwerken behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen, alsmede de beneden de oppervlakte gelegen toegangen tot die werken en inrichtingen;

bovengrondse werken: de tot mijnwerken behorende overige werken en inrichtingen, alsmede de tot mijnwerken behorende terreinen;

schacht: een hellende of verticale verbinding van de oppervlakte met de tot een mijnwerk behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen;

opbraak: een verticale verbinding in de ondergrondse werken, die niet aan de oppervlakte uitmondt en die kan dienen voor vervoer;

tussenschacht: een opbraak, waarin ingevolge dit reglement personenvervoer geoorloofd is;

boorwerk: een geheel van werken, bestemd tot de machinale vervaardiging, de instandhouding en het gebruik van een of meer gaten in de aardbodem ten behoeve van het winnen of, door middel van het naar de oppervlakte voeren van grondmonsters, opsporen van delfstoffen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 bedoeld, alsmede de bij die werken behorende inrichtingen en terreinen;

mijnbouwinstallatie:

bemande mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie, waarop een of meer personen aanwezig plegen te zijn voor het verrichten van uitsluitend of in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het verrichten van incidentele onderhoudswerkzaamheden of bewakingsdiensten;

vervoer: het vervoeren van materieel, van materialen en van personen;

personenvervoer: het op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

vervoer van personen: het anders dan op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

verkeer: voetgangersverkeer; effectieve temperatuur: de klimaatgrootheid, welke met behulp van het nomogram, opgenomen in de bij dit reglement behorende bijlage, wordt bepaald uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur, natte luchttemperatuur en snelheid van de luchtstroom;

temperatuurindex: de grootheid, welke uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur (tl) en natte luchttemperatuur (tln), beide uitgedrukt in graden Celsius, wordt bepaald met behulp van de formule:

temperatuurindex = (42 tl - 8 tln) : (34 + tl - tln);

mijnonderneming: een onderneming, waartoe een mijn- of een boorwerk behoort of die voor eigen rekening mijnbouwkundige onderzoekingen verricht of zodanige onderzoekingen doet verrichten;

arbeidsplaats: elke plaats die bestemd is als lokatie voor werkplekken, voor activiteiten en installaties die rechtstreeks of indirect verband houden met winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen, met inbegrip van eventuele verblijfsaccommodatie waartoe arbeiders in het kader van hun werk toegang hebben;

drinkwater: water dat bestemd is of mede bestemd is voor menselijke consumptie;

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

Indien uit de bewoordingen van een bepaling niet kan worden opgemaakt of deze geldt voor bovengrondse werken, ondergrondse werken, boorwerken of mijnbouwkundige onderzoekingen, wordt dit bepaald door de opschriften van hoofdstuk, paragraaf en afdeling, waarin de bepaling is opgenomen. Bevatten ook deze opschriften geen uitdrukkelijke aanduiding, dan geldt de bepaling algemeen.

Indien een voorschrift in dit reglement een der termen: "veilig", "doelmatig" en "voldoende" inhoudt, kan Onze Minister terzake nadere regelen stellen.

Vervallen

De in dit reglement voorziene beschikkingen, waarbij aanwijzingen worden gegeven voor bijzondere gevallen, bepalen, indien nodig, de termijn, waarbinnen de uitvoering moet zijn aangevangen, alsmede de termijn, waarbinnen zij moet zijn voltooid.

Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, worden aanvragen om ontheffing of vergunning dan wel tot het nemen van enige andere in dit reglement voorziene beslissing tot Onze Minister gericht, doch ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders tijdens alle werkzaamheden dient elke bemande arbeidsplaats te allen tijde onder toezicht te staan van een verantwoordelijke persoon die voldoende hoedanigheden en bekwaamheden bezit om deze functie te vervullen.

De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of krachtens de bepalingen van dit besluit inzake de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op het werk zijn gesteld worden niet ten laste gebracht van door de mijnonderneming of de in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming tewerkgestelde personen.

Vervallen

Werkzaamheden op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen mogen, in geval zij aan een andere onderneming worden opgedragen, uitsluitend opgedragen worden aan ondernemingen, waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht, dat zij de opgedragen arbeid naar behoren zullen verrichten.

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming zijn verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders inzake alle met het werk verbonden aspecten.

Bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 14b, eerste lid, bedoelde maatregelen worden de volgende algemene preventieprincipes in acht genomen:

Ter verzekering van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders worden de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten:

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem opstellen. Dit systeem omvat het geheel van beleid, organisatie, planning, uitvoering, monitoring, evaluatie, doorlichting en verbetering dat wordt gehanteerd voor de beheersing van de veiligheid en de gezondheid.

Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in de artikelen 14a tot en met 14j bepaalde.

De bescheiden, voorzien in het bij of krachtens dit reglement bepaalde, moeten op voldoend duidelijke wijze worden opgesteld, doelmatig worden ingericht, doelmatig worden bijgehouden en, behoudens voor wat de in artikel 14 bedoelde betreft, op door Onze Minister goedgekeurde plaatsen aanwezig zijn. Zij moeten, voor zover bij of krachtens dit reglement niet anders is bepaald, gedurende tenminste één jaar ter beschikking blijven.

Vervallen

De bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming raadplegen over vraagstukken die betrekking hebben op de veiligheid en de gezondheid op het werk de betrokken arbeiders of hun vertegenwoordigers en geven hun het recht tot evenwichtige deelneming aan de behandeling daarvan en tot het doen van voorstellen daaromtrent.

De arbeiders, of hun vertegenwoordigers, met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders hebben toegang tot alle nodige informatie betreffende, en worden vooraf tijdig geraadpleegd over:

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeidersvertegenwoordigers hebben het recht de in artikel 18b bedoelde bestuurders te verzoeken passende maatregelen te nemen en hun in die zin voorstellen te doen, om alle risico’s voor de arbeiders te ondervangen of de bronnen van gevaar uit te schakelen.

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeiders en vertegenwoordigers mogen geen nadeel ondervinden van hun in de artikelen 18c en 18 d bedoelde activiteiten.

De in artikel 18b bedoelde bestuurders dienen de arbeidersvertegenwoordigers met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders gedurende voldoende tijd met behoud van loon vrij te stellen van werk en de nodige middelen ter beschikking te stellen om het deze vertegenwoordigers mogelijk te maken de uit dit reglement voortvloeiende rechten en taken uit te oefenen respectievelijk te vervullen.

Mijn- en boorwerken moeten zodanig zijn ingericht, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

Wanneer de uitvoering van een werkplan gevaar voor de veiligheid kan opleveren, moet dit op verlangen en ten genoegen van Onze Minister worden gewijzigd.

Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing die geopend, geregeld of beveiligd kunnen worden, moeten op zodanige wijze geconstrueerd zijn dat deze handelingen op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. In geopende stand mogen zij geen gevaar opleveren voor de arbeiders. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing moeten zonder gevaar kunnen worden schoongemaakt.

Op een boorwerk dient op een doelmatige plaats een doelmatig boorregister aanwezig te zijn.

Een boorinstallatie, met alles wat daartoe behoort, moet in veilige en deugdelijke staat verkeren en geschikt zijn voor het doel, waarvoor zij wordt aangewend.

Diepboringen mogen niet worden aangevangen en door Onze Minister aan te wijzen onderdelen van boorwerken mogen niet worden tot stand gebracht of in stand gehouden binnen door hem te bepalen afstanden van:

Bij een diepboring moeten doelmatige maatregelen worden genomen:

Indien bij een diepboring een andere delfstof wordt aangetroffen dan die welke doel van de diepboring is, moeten de boorwerkzaamheden op zodanige wijze worden verricht, dat in het belang van de bescherming van delfstoffen voldoende gegevens omtrent het betrokken delfstofvoorkomen worden verkregen.

Doelmatige maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen, dat de winning van delfstoffen, waarvan de aanwezigheid is aangetoond of wordt vermoed, wordt belemmerd of geschaad.

De afvoer van gassen, vloeistoffen en vaste stoffen moet op doelmatige wijze geschieden.

Een mijnbouwinstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, ingericht en worden onderhouden, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

De dekken van een mijnbouwinstallatie moeten zodanig zijn ingericht, dat overkomend water voldoende kan afvloeien.

Het plaatsen van materieel of materialen op een mijnbouwinstallatie moet zodanig geschieden, dat de ten gevolge daarvan optredende krachten en spanningen zonder bezwaar in de constructie van de installatie kunnen worden opgenomen.

De ondergrondse werken moeten veilig worden aangelegd en uitgevoerd. Zij moeten zolang zij in gebruik zijn in voldoend veilige toestand worden gehouden.

De winningsplaatsen moeten zó ver van elkaar verwijderd blijven, dat gevaar voor in een winningsplaats aanwezige personen tengevolge van werkzaamheden in een andere winningplaats voldoende wordt vermeden.

In de ondergrondse werken moeten zodanige voorzieningen worden getroffen, dat de waterafvoer voldoende is verzekerd en dat de voetpaden en de rails niet onder water staan.

De besturing en de bediening van het rollend materieel moeten door voldoend deskundig personeel geschieden.

Vervallen

Van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, moet onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

De wijze van delven, de bekleding, de indeling en de beveiliging van schachten, alsmede voorgenomen belangrijke wijzigingen van die bekleding, indeling of beveiliging moeten, nadat de plannen daartoe zijn vastgesteld, zo tijdig schriftelijk ter kennis van de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden gebracht, dat deze zich daarvan vóór de aanvang der werkzaamheden een inzicht kan vormen.

Het is aan personen beneden 21 jaar verboden arbeid te verrichten als hersteller in schachten of in tussenschachten of andere opbraken.

Schachten, tussenschachten en andere opbraken moeten regelmatig op doelmatige wijze worden geïnspecteerd.

De bestuurders van een mijnonderneming kunnen bepalen, dat de ophaalinstallaties in schachten en tussenschachten - buiten het geval van nood - slechts gedurende de door hen vastgestelde tijden voor personenvervoer en voor vervoer van personen beschikbaar zijn. De bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren zijn evenwel bevoegd te allen tijde van bedoelde ophaalinstallaties gebruik te maken.

Onverminderd de voorwaarden, waaronder een vergunning als in artikel 60 bedoeld is verleend, gelden bij personenvervoer in schachten en tussenschachten met betrekking tot elke ophaalinstallatie de volgende bepalingen:

Elektrische seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat:

Onze Minister kan met betrekking tot en ten behoeve van de constructie, de uitvoering, het onderhoud en de controle van seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken nadere regelen stellen.

Het is verboden seininrichtingen in schachten of tussenschachten in gebruik te nemen zonder vergunning van Onze Minister.

In pijlers moet een doelmatig voetpad aanwezig zijn.

Personenvervoer en vervoer van personen zijn uitsluitend toegestaan, indien Onze Minister voor de transportinrichting of het transportmiddel, waarmede en, voor zover betreft personenvervoer, voor het traject, waarop dit vervoer zal plaats hebben, vergunning daartoe heeft verleend.

Het vervoer met behulp van locomotieven en andere voertuigen met stroomafnemers is verboden, tenzij Onze Minister daartoe vergunning heeft verleend. Een vergunning wordt uitsluitend verleend voor een bepaald traject.

Bij mechanisch vervoer mag de aandrijfinrichting niet worden ingeschakeld of de vervoersinrichting niet in beweging worden gesteld dan nadat voldoende maatregelen zijn getroffen, die gevaar voor personen als gevolg van dat inschakelen onderscheidenlijk in beweging stellen voorkomen.

Het vervoer moet worden gestaakt, zodra aan de vervoersinrichting of de vervoersweg gebreken, die gevaar voor personen kunnen veroorzaken, worden bemerkt.

De bediening van inrichtingen van vervoer moet op veilige wijze geschieden door deskundige en daartoe voldoend geïnstrueerde personen.

Onverminderd het in artikel 75 bepaalde, moet van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Het vervoer van materieel met behulp van handkracht moet op veilige wijze geschieden.

Het gebruik van trekdieren in de ondergrondse werken is toegestaan; Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

Op de losvloer aan de schachtmond moet, voor zover de toegang tot de plaats niet is afgesloten, een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn.

Locomotieven en andere, door Onze Minister aangewezen, voertuigen moeten van een doelmatige verlichting zijn voorzien.

Als lampen ten behoeve van individuele verlichting mogen alleen worden gebruikt lampen, welke voldoen aan door Onze Minister daarvoor te stellen eisen inzake veiligheid en doelmatigheid.

De bediening van een hijs- of hefwerktuig moet door voldoende deskundig personeel geschieden.

Het bij de arbeid tijdelijk buiten werking stellen of terzijde leggen van werktuigen, gereedschappen of andere voorwerpen moet zodanig geschieden, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. In het bijzonder moeten zo nodig maatregelen worden genomen tegen een onverwacht weer op gang komen van door een krachtwerktuig aangedreven werktuigen.

Naar gelang van de aard en de mate van het ontploffingsgevaar kan Onze Minister de boven- en ondergrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen of delen van die werken en onderzoekingen indelen in gevarenklassen.

Op verlangen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen moet een certificaat van goedkeuring voor elektrisch materieel aan deze worden overgelegd.

Uiterlijk op 1 maart van ieder kalenderjaar moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een door Onze Minister te bepalen aantal exemplaren worden overgelegd van een voldoende uitgewerkt schema van het geheel van die elektrische installaties in de tot ieder mijnwerk behorende ondergrondse werken, waarvan de nominale spanningen de krachtens artikel 118, eerste lid, bepaalde grens overschrijden. Het schema moet de toestand op enig tijdstip tussen 15 en 31 december van het voorafgaande kalenderjaar weergeven.

Onze Minister kan, wanneer in de ondergrondse werken plaatselijk gevaar bestaat voor het vrijkomen van grote hoeveelheden mijngas of kolenstof, het gebruik van elektriciteit daar ter plaatse verbieden of beperken.

Bij een onderneming, waartoe een mijnwerk voor de ontginning van bruinkolen behoort, moeten aanwezig zijn:

De ontgonnen gedeelten moeten ten genoegen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen op de plannen worden aangegeven, waarbij de data van de metingen moeten worden vermeld.

Wanneer Onze Minister in kaarten, plannen, doorsneden of profielen onnauwkeurigheden, fouten of nalatigheden heeft aangetroffen, moeten de door hem aangegeven veranderingen en aanvullingen binnen een door hem vastgestelde termijn worden aangebracht.

Op ondernemingen, waartoe behoort een mijn- of boorwerk voor de ontginning van andere dan de in de artikelen 121-124 genoemde delfstoffen, zijn de artikelen 121-130, naar gelang van de wijze van ontginning van de betrokken delfstof, van overeenkomstige toepassing.

Het is verboden een mijnwerk, een boorwerk of een terrein, waar een mijnbouwkundig onderzoek werd of wordt verricht, te verlaten, voordat voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

Bij het verwijderen van een mijnbouwinstallatie moeten voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

Wanneer de ondergrondse werken in hun geheel of een belangrijk gedeelte daarvan voor langer dan zes maanden worden verlaten, moet hiervan, zo mogelijk tenminste een maand tevoren, schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Het is verboden enig gedeelte van de ondergrondse werken te verlaten, voordat dit is opgemeten en in tekening gebracht en de metingen in het meetregister zijn vermeld.

Wanneer in strijd met het in artikel 139 bepaalde is gehandeld, kan Onze Minister bevelen de door hem aangewezen verlaten gedeelten van de ondergrondse werken, voor zover deze ontoegankelijk zijn, weder toegankelijk te maken voor het alsnog doen verrichten van metingen als in dat artikel bedoeld.

De artikelen 139 en 140 zijn niet van toepassing indien langer verblijf ter plaatse gevaar oplevert; alsdan moet het nog niet opgemeten gedeelte van de ondergrondse werken onmiddellijk na het verlaten zo nauwkeurig mogelijk op de betrokken plannen worden aangegeven, mede op grond van gegevens van personen, die het laatst ter plaatse waren, en moet van het een en ander melding worden gemaakt in het meetregister.

Indien de ondergrondse werken voorgoed worden verlaten en die werken grenzen aan de ondergrondse werken van een ander mijnwerk, moeten:

Zodra de ondergrondse werken zijn verlaten, moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een rapport inzake de in verband met het verlaten uitgevoerde werkzaamheden worden toegezonden, onder overlegging van voldoende gegevens, die voor de veiligheid van belang kunnen zijn.

Buiten gebruik gestelde schachten moeten op doelmatige wijze zijn afgesloten; de plaats van een dergelijke schacht moet aan de hand van de krachtens artikel 128, vierde lid, of 134, derde lid, aangewezen bescheiden kunnen worden nagegaan.

Wanneer het leggen van een pijpleiding als in artikel 143a bedoeld gevaar kan opleveren, kan Onze Minister bij een ten hoogste acht weken na de ontvangst door hem van de in artikel 143a, eerste lid, bedoelde mededeling aan de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming toe te zenden beschikking bepalen, dat het leggen van die pijpleiding niet mag plaatsvinden dan langs een traject en op een minimale diepte in de bodem, zomede op een wijze, welke bij die beschikking zijn aangegeven.

Zodra lekkage van een pijpleiding als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld wordt geconstateerd, moet deze zoveel mogelijk worden beperkt en moeten, tenzij de pijpleiding buiten gebruik wordt gesteld, onverwijld de nodige herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Wanneer de algemene veiligheid dan wel de veiligheid op of in een mijnwerk, op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, op enige wijze wordt bedreigd, alsmede wanneer een of meer personen zich in levensgevaar bevinden of bevonden hebben, zomede wanneer instortingen of andere belangrijke voorvallen hebben plaats gehad, die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen, moet hiervan onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Wanneer naar het oordeel van Onze Minister hetzij voor de algemene veiligheid, hetzij voor de veiligheid op of in een mijnwerk of op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, gevaar bestaat, kan hij maatregelen ter afwending van dat gevaar voorschrijven, de bestuurders van de betrokken mijnonderneming - behoudens in geval van onmiddellijk dreigend gevaar - gehoord.

Wanneer twee of meer arbeiders tot een groep verenigd arbeid verrichten, moet een van hen zijn aangewezen, teneinde toe te zien op al hetgeen nodig is om gevaar voor ongevallen te keren en de vereiste maatregelen te nemen.

Het is verboden diepboringen te verrichten, waardoor de veiligheid in of op een bestaand mijn- of boorwerk kan worden bedreigd.

Indien een diepboring wordt verricht of door Onze Minister aan te wijzen onderdelen van boorwerken aanwezig zijn in dan wel binnen door hem te bepalen afstanden van een oppervlaktewater, waarop scheepvaart plaats vindt, welke de veiligheid van het boorwerk in gevaar kan brengen, moeten doelmatige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van dat gevaar.

De ondergrondse werken en de daarin aanwezige inrichtingen moeten in veilige toestand verkeren. De aldaar toegepaste werkwijzen moeten voldoen aan de eis van goed en veilig werk.

Er moeten voldoende maatregelen worden genomen tegen als gevolg van de winning optredende gevaren.

Indien in de ondergrondse werken werkzaamheden moeten worden verricht binnen een afstand van 100 meter van verlaten ondergrondse werken of van een verlaten gedeelte van ondergrondse werken, moeten doelmatige maatregelen worden genomen in het belang van de veiligheid.

Bij het verrichten van boringen van de ondergrondse werken naar het dekterrein moeten voldoende maatregelen worden genomen tegen water- en drijfzanddoorbraken.

Naderen de werkzaamheden oude werken, storingen of waterhoudende gedeelten, dan moet tijdig worden voorgeboord en moeten tijdig voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van gevaar.

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk, zomede van het bij of krachtens de artikelen 229 en 229a bepaalde wordt onder het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk verstaan het verrichten van werkzaamheden, daaronder begrepen het in verband met het verrichten van werkzaamheden verblijven:

Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk in verband met mijnbouwkundige onderzoekingen of de winning van delfstoffen in oppervlaktewateren.

Het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk moet onder toezicht van een daartoe door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming aangewezen deskundig persoon geschieden door personen, die voldoende ervaring en deskundigheid bezitten om zodanige werkzaamheden te verrichten.

Het is aan een persoon beneden 18 jaar verboden werkzaamheden onder water of onder druk te verrichten.

Het is verboden bij het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk zonder vergunning van Onze Minister elektrisch te lassen of te snijden.

Een ieder, die met het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk is belast, dan wel direct bij het verrichten van die werkzaamheden is betrokken, moet in het bezit zijn van een door Onze Minister goedgekeurde schriftelijke instructie, vermeldende hetgeen bij die werkzaamheden behoort te worden nagekomen of nagelaten in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van lichamelijke schade.

Het medenemen van ontplofbare stoffen en ontstekers uit een magazijn en het overbrengen naar de werkpunten en omgekeerd, zomede het bewaren bij de werkpunten, moeten op veilige en doelmatige wijze geschieden.

Voor en na het afvuren van ladingen moeten doelmatige veiligheidsmaatregelen worden genomen.

Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen moeten gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn en zo nodig tegen beschadiging zijn beveiligd.

Op of nabij een plaats en in of nabij een ruimte, waar ontplofbare of licht ontvlambare stoffen kunnen ontstaan of kunnen worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, moeten doelmatige en in goede staat van onderhoud verkerende middelen voor brandblussing of branddoving beschikbaar zijn, die telkens na verloop van ten hoogste een jaar op hun bruikbaarheid moeten worden onderzocht.

Een acetyleenontwikkelaar moet zodanig zijn opgesteld en worden bediend, dat:

De door Onze Minister daartoe aangewezen onderdelen van bovengrondse werken en boorwerken dienen doelmatig te zijn geaard of anderszins tegen blikseminslag te zijn beveiligd.

Het is verboden in de ondergrondse werken te roken, zomede rookmateriaal, rookgereedschap, lucifers of aanstekers mede te nemen of bij zich te hebben.

Ten aanzien van mijnwerken of gedeelten daarvan, die bijzondere gevaren voor mijngas- of kolenstofontploffingen of voor zelfontbranding opleveren, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter afwending van die gevaren en ter beperking van de gevolgen daarvan.

De luchtverversing moet zodanig zijn, dat tenminste 3 m3 verse lucht per man en per minuut aan de ondergrondse werken wordt toegevoerd.

Wanneer in een deel van de ondergrondse werken zich plaatselijk mijngas heeft verzameld in een hogere concentratie dan het krachtens artikel 200 voor dat deel geldende percentage, moet de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon hiervan terstond in kennis worden gesteld. Deze moet maatregelen nemen om het mijngas op veilige wijze afdoende te verwijderen of te isoleren.

Schadelijke gassen moeten worden afgevoerd met inachtneming van door Onze Minister te stellen nadere regelen.

Kortsluiting tussen een intrekkende en een uittrekkende luchtstroom, waardoor een deel van de ondergrondse werken van luchtverversing kan worden verstoken, moet door doelmatige afscheiding worden voorkomen.

Indien de beïnvloeding van de hoedanigheid van de lucht door bijmenging van mijngas of een ander gas of de snelheid van de luchtstroom daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding geeft, dienen doelmatige voorzieningen te worden getroffen ten aanzien van het gebruik van elektriciteit en van verbrandingsmotoren.

Van de veiligheidslampen met vlam moet een voldoende aantal op doelmatig gekozen plaatsen voor onmiddellijk gebruik gereed in reserve worden gehouden.

Op elk mijnwerk moeten met de dagelijkse controle op de luchtverversing als hun hoofdtaak zijn belast een of meer personen, die in deze controle voldoende geïnstrueerd en deskundig zijn.

Op elk mijnwerk moet bovengronds een zelfregistrerende barometer aanwezig zijn. De verantwoordelijke toezichthoudende personen van de ondergrondse werken moeten in de gelegenheid zijn zich van de barometerstand op de hoogte te houden.

De bedrijfsgeneeskundige dienst bevordert, in verband met de arbeid en het arbeidsmilieu in de mijnonderneming of de mijnondernemingen, waaraan hij is verbonden, de maatregelen, welke een doeltreffende preventieve gezondheidszorg in die onderneming of ondernemingen verzekeren. Dienovereenkomstig omvat zijn taak:

Vaste, vloeibare en gasvormige stoffen, die giftig of bijtend zijn of anderszins gevaar kunnen opleveren, moeten op veilige wijze worden bewaard, vervoerd, verwerkt en gebruikt.

In gevallen waarin personen die bijzondere taken uitvoeren in verband met het uitvoeren van deze taken moeten verblijven op plaatsen waar het niveau van het geluid van dag tot dag sterk varieert en het redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat de in artikel 236b, derde en vierde lid, bedoelde voorzieningen en maatregelen aangebracht, onderscheidenlijk genomen worden, gelden de volgende voorschriften:

Doelmatige metingen moeten worden verricht om te kunnen beoordelen of aan het bij of krachtens de artikelen 238-240 bepaalde wordt voldaan. Onze Minister kan bepalen, waar en wanneer deze metingen moeten worden verricht.

Wanneer een persoon aan grote temperatuurwisselingen is blootgesteld, moeten doelmatige maatregelen worden genomen, teneinde hem tegen de nadelige invloeden daarvan te beschutten.

Een persoon, wiens werkzaamheden hem blootstellen aan aanraking met koude of natte oppervlakken, aan bespatting door water of aan regen, moet wanneer daarvan nadelige invloeden kunnen worden verwacht, tegen deze invloeden voldoende worden beschut.

Voor personen, die, ondanks de in artikel 236, eerste lid, bedoelde kleding en middelen, onvoldoende beschermd zijn tegen water, mag het ononderbroken verblijf in de ondergrondse werken, in de zin van artikel 282, niet langer duren dan 6 uur.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moeten verzamelpunten worden vastgesteld, moet een verlaatrol worden bijgehouden en moeten de hiervoor noodzakelijke maatregelen worden getroffen.

De in artikel 279, zesde lid, bedoelde bijstandsboten moeten doelmatig zijn ontworpen en uitgerust en moeten voldoen aan de eisen in verband met evacuatie en redding.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een arbeider beneden 18 jaar mag geen arbeid verrichten:

Een arbeider beneden 18 jaar mag geen arbeid verrichten:

De bij de artikelen 290, eerste lid, 290a, eerste lid, 290b, 290c, eerste lid, 290d, eerste lid, en 290e gestelde verboden gelden niet voor arbeid, die voor een arbeider beneden 18 jaar volstrekt noodzakelijk is in het kader van een bij of krachtens een wet geregelde beroepsopleiding, dan wel een voor de toepassing van dit artikel door Onze Minister daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding, indien daarbij in voldoende mate deskundig toezicht wordt uitgeoefend door de in artikel 9c, eerste lid, bedoelde arbeiders of de in artikel 9c, derde lid, bedoelde deskundigen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Houwersarbeid mag zelfstandig slechts worden verricht door een arbeider, die:

Vervallen

Een arbeider beneden 18 jaar mag niet in de ondergrondse werken verblijven tussen 22 en 6 uur.

Vervallen

Vervallen

Aan een arbeider, die langer dan 5 uur ononderbroken in de ondergrondse werken verblijft, moet voldoende gelegenheid tot persoonlijke verzorging worden gegeven.

Vervallen

Op mijnbouwkundige onderzoekingen als bedoeld in artikel 322, eerste lid, zijn de artikelen 18, 145, 156, 158, derde lid, en 179 van overeenkomstige toepassing.

Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens de Mijnwet 1903 gestelde voorschriften en voorwaarden en van artikel 5 der wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) zijn belast de bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren.

Het is verboden aan de in artikel 324, derde lid, bedoelde adviseurs de toegang tot de in artikel 12, eerste lid, van de Mijnwet 1903 genoemde werken en inrichtingen of het gebruik van de daarin bedoelde toestellen te weigeren.

Vervallen

Onze Minister stelt voor de Inspecteur-Generaal der Mijnen, zomede voor de krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren instructies vast.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het Mijnreglement 1939 (Stb. 568) en het Electrotechnisch Mijnreglement 1947 (Stb. H 152) worden ingetrokken.

Vervallen

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel Mijnreglement, met vermelding van het jaar, waarin het is tot stand gekomen.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

Nomogram voor de afleiding van de effectieve temperatuur in °C basic scale