U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2023.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling Wet op de dividendbelasting 1965Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 23 december 1965 JULIANA. De Minister van Financiën, A. VONDELING. De Staatssecretaris van Financiën, W. HOEFNAGELS. de achtentwintigste december 1965. De Minister van Justitie a.i., SMALLENBROEK.

De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in artikel 1 bedoelde aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen en geldleningen.

De herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen, wordt aangemerkt als op de aandelen van de instelling gestort kapitaal.

Vervallen

Vervallen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan inhouding van belasting achterwege mag blijven ten aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, voor zover de opbrengstgerechtigde met betrekking tot die opbrengst verzoekt om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven ten aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen in een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.

De belasting bedraagt 15% van de opbrengst.

Vervallen

De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van een vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verzoek.

Vervallen

Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang van 1 januari 1970 de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1 januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot het vermogen van een onderneming gerechtigde binnenlandse belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn aangemerkt.

Artikel 3a, eerste lid, vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.

In aanvulling op artikel 4, zesde lid, mag bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 10bis.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsmede ten aanzien van de opbrengsten van stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 39f van de Wet op de loonbelasting 1964.