U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2004.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 29 juni 1972, betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregelingWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling vast te stellen betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 29 juni 1972 JULIANA. De Staatssecretaris van Sociale Zaken, RIETKERK. De Minister van Justitie, VAN AGT. de achtste augustus 1972. De Minister van Justitie, VAN AGT.

Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van:

Indien het verzoek, als in artikel 2, eerste lid, bedoeld, niet is ingediend door een of meer, naar het oordeel van Onze Minister voor de betrokken tak van beroep voldoende representatieve, organisaties van beroepsgenoten, of de in artikel 3, onder a, bedoelde zienswijzen hem daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister de verzoekers in de gelegenheid stellen hem aannemelijk te maken, dat een belangrijke meerderheid van beroepsgenoten het verzoek ondersteunt. Blijkt dit het geval te zijn, dan zijn de verzoekers ontvankelijk. In het laatste geval is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, overigens van toepassing.

Met betrekking tot een beroepspensioenregeling, ten aanzien waarvan artikel 2, eerste lid, toepassing heeft gevonden, geldt gedurende de tijd, dat de verplichting tot het deelnemen in de regeling bestaat, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 tot en met 31.

Het bestuur van de rechtspersoon wordt gevormd door daartoe door de deelnemers of door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde representatieve organisatie of organisaties van beroepsgenoten aangewezen personen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het bestuur van de rechtspersoon is verplicht aan Onze Minister mededeling te doen van alle genomen besluiten van algemene strekking.

Ieder van de bestuurders en ieder lid van het personeel van de rechtspersoon is verplicht kosteloos aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de inlichtingen te verstrekken welke deze verlangt.

De artikelen 23d tot en met 23k van de Pensioen- en spaarfondsenwet zijn van toepassing met dien verstande dat in artikel 23e, tweede lid, van die wet voor «de bijlage, bedoeld in artikel 23c» gelezen wordt «de bijlage, bedoeld in artikel 21c» en dat in artikel 23i, tweede lid, van die wet voor «als bedoeld in artikel 23b» gelezen wordt «als bedoeld in artikel 21b».

Indien aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 21 binnen de gestelde termijn niet of onvoldoende gevolg is gegeven is artikel 23l van de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.

Telkenjare brengt de Pensioen- & Verzekeringskamer aan Ons verslag uit omtrent haar bevindingen betreffende de toepassing van deze wet.

De rechtspersoon is verplicht tot vergoeding van kosten, welke aan de uitvoering van deze wet zijn verbonden. Onze Minister stelt hiervoor nadere regelen vast.

Vervallen

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen tot uitvoering van deze wet worden gegeven.

Onze Minister kan in bijzondere, individuele gevallen voorwaardelijk of onvoorwaardelijk en al of niet voor een bepaalde tijd van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, eerste en vierde lid, 7, 8, eerste en tweede lid, 15, 18, 25 en 29 vrijstelling verlenen. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.

Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering op grond van een beroepspensioenregeling neemt de kantonrechter kennis.

In afwijking vanartikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, welke met het oog op deelneming in een beroepspensioenregeling of uitkering op grond van een beroepspensioenregeling ten aanzien van deelnemers of gewezen deelnemers in een zodanige regeling worden gevraagd, zijn vrij van leges.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling".

Vervallen

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 21b van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:

Categorie I: beroepspensioenfondsen met een balanstotaal minder dan € 9 075 604: factor 1;

Categorie II: beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 9 075 604 maar minder dan € 45 378 022: factor 2;

Categorie III: beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 45 378 022 maar minder dan € 226 890 108: factor 3;

Categorie IV: beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 226 890 108 maar minder dan € 453 780 216 : factor 4;

Categorie V: beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van meer dan € 453 780 216: factor 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn gesteld, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer aan degene aan wie de boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Op grond van artikel 23e, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet in samenhang met artikel 21d van deze wet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 is vastgesteld.

Tabel 1

Tabel 2